ECLI:NL:RBLIM:2026:59

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
ROE 23/3270 en ROE 23/3271
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Last onder dwangsom voor buitenopslag van volumegoederen en verhuuractiviteiten op agrarische gronden

In deze zaak heeft de rechtbank Limburg op 7 januari 2026 uitspraak gedaan over de last onder dwangsom die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen aan eiseres heeft opgelegd. De zaak betreft de buitenopslag van volumegoederen en verhuuractiviteiten van partybenodigdheden op gronden met een agrarische bestemming. Eiseres, die een agrarisch bedrijf runt, is het niet eens met de opgelegde last onder dwangsom en heeft beroep ingesteld tegen de weigering van het college om de begunstigingstermijn te verlengen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de activiteiten van eiseres in strijd zijn met het bestemmingsplan en niet gedekt worden door de eerder verleende omgevingsvergunning voor de opslag van volumegoederen in een bestaande loods. De rechtbank oordeelt dat het college terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd en dat de begunstigingstermijn niet verlengd hoefde te worden. Eiseres krijgt echter wel een schadevergoeding van € 1.000,- vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De beroepen van eiseres zijn ongegrond verklaard, en de last onder dwangsom blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 23/3270 en 23/3271

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 januari 2026 in de zaken tussen

[eiseres] , uit [woonplaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.M.H. Cohen),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roerdalen

(gemachtigden: J. Snellen en J. Thoolen).
Als derde-partij nemen aan de zaken deel: [derde-partij 1] en [derde-partij 2] uit [woonplaats 2] (aanvragers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de last onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd wegens overtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), na een verzoek daartoe van aanvragers. Het gaat om de activiteiten die ten behoeve van het bedrijf van de zoon van eiseres worden verricht op de locatie [adres] te [plaats] . Eiseres is het niet eens met de last onder dwangsom. Ook heeft zij beroep ingesteld tegen de weigering door het college om de begunstigingstermijn te verlengen. Zij voert een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de last onder dwangsom en het afwijzen van de verlenging van de begunstigingstermijn.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht heeft vastgesteld dat de activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan en niet worden gedekt door de eerder verleende vergunning. Het college mocht daarvoor een last onder dwangsom opleggen. Ook hoefde het college naar het oordeel van de rechtbank de begunstigingstermijn niet te verlengen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Wel krijgt eiseres schadevergoeding vanwege de lange duur van de procedure. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 20 januari 2023 aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd. Eiseres heeft daartegen bij brief van 27 februari 2023 bezwaar gemaakt. Ook heeft zij het college verzocht de begunstigingstermijn te verlengen. Bij besluit van 31 maart 2023 heeft het college dat verzoek afgewezen. Met de bestreden besluiten van 19 september 2023 op de bezwaren van eiseres is het college bij de oplegging van de last onder dwangsom en de daarbij vastgestelde begunstigingstermijn gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigden van het college en aanvragers. Van de kant van eiseres zijn ook verschenen haar zoon [naam zoon] , haar echtgenoot en [naam] .

Beoordeling door de rechtbank

Welk recht is van toepassing?
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Nu het verzoek om handhaving dateert van vóór 1 januari 2024 is in dit geval de Wabo van toepassing.
3.1.
In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.
Waar gaat het geschil over?
4. Eiseres heeft een agrarisch bedrijf voor onder meer de teelt van groenten en champignons. De zoon van eiseres is de directeur van [bedrijfsnaam] (hierna: de BV), dat zich blijkens het handelsregister bezig houdt met onder andere verhuur van feestapparatuur, toiletten, douches en koelwagens.
4.1.
Op 30 september 2019 heeft het college aan de zoon van eiseres een omgevingsvergunning verleend voor het opslaan van volumegoederen in de bestaande loods van het agrarisch bedrijf van eiseres. In de aanvraag die deel uitmaakt van de vergunning is de loods blauw omrand. In de aanvraag is verder het volgende vermeld:
“Deze loods is eigendom van mijn ouders met een agrarisch bedrijf, daar deze agrarische werkzaamheden afnemen en ik (de zoon) een verhuur bedrijf heb van springkussens etc (volumegoederen) zouden we graag een omgevingsvergunning aanvragen voor het opslaan van volumegoederen in deze loods zodat ik een deel van deze loods kan gaan gebruiken voor mijn bedrijf en deze loods niet leeg komt te liggen”.
4.2.
Naar aanleiding van het verzoek om handhaving van aanvragers heeft tweemaal een controle plaatsgevonden voorafgaand aan het opleggen van de last onder dwangsom. Tijdens de eerste controle op 23 november 2020 is onder meer geconstateerd dat sprake is van buitenopslag van goederen, waaronder rijdend materieel bestemd voor de evenementenverhuur, dat ter plaatse wordt gerepareerd en/of ge- dan wel verbouwd. Ook is geconstateerd dat geen sprake is van louter opslag, maar dat onder andere diverse party- en feestattracties worden verhuurd. Tijdens de controle op 25 juni 2021 is geconstateerd dat de situatie nog hetzelfde was.
4.3.
Het college heeft op basis van de controles geconstateerd dat deze activiteiten een overtreding zijn van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Verweerder heeft met het besluit van 20 januari 2023 een last onder dwangsom opgelegd, inhoudende dat de overtreding wordt beëindigd en beëindigd wordt gehouden. Aan de last is een dwangsom verbonden van € 2.500,- per geconstateerde overtreding, waarbij slechts een overtreding per kalenderweek kan leiden tot verbeuring van een dwangsom, een en ander met een maximum van € 25.000,-. Verder heeft het college een begunstigingstermijn van drie maanden vastgesteld. In het besluit heeft het college geconcretiseerd dat de overtreding kan worden beëindigd door allereerst alle op de percelen opgeslagen volumegoederen te verwijderen, die zich bevinden buiten de bestaande loods waarvoor op 30 september 2019 een omgevingsvergunning is verleend, en ten tweede door de activiteiten te beperken tot agrarische activiteiten aangevuld met de nevenactiviteiten die zijn toegestaan op grond van tabel 6.1 in het bestemmingsplan, namelijk verkoop aan huis van lokaal/streekeigen agrarische producten, beroep aan huis, bed & breakfast en groene en blauwe diensten. In het besluit heeft het college er nadrukkelijk op gewezen dat verhuuractiviteiten en de bouw van toilet-/frites-/douche-aanhangwagens niet onder de toegestane activiteiten als bedoeld in tabel 6.1 van artikel 6.1 van het vigerende bestemmingsplan vallen.
4.4.
De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom strekt tot twee dingen: dat de volumegoederen die buiten de loods zijn opgeslagen, worden verwijderd, en dat de verhuuractiviteiten worden beëindigd.
Is de opslag van de volumegoederen buiten de loods een overtreding?
5. Tijdens de controles is vastgesteld dat buiten de loods opslag van diverse volumegoederen plaatsvond, waaronder wagens voor de evenementenverhuur. Eiseres heeft dit ook niet betwist. De rechtbank maakt uit het verhandelde ter zitting op dat eiseres beoogt te betwisten dat dit een overtreding is.
5.1.
In het bestemmingsplan Buitengebied Roerdalen 2e herziening hebben de percelen waarop de buitenopslag plaatsvond, de bestemming ‘Agrarisch – met waarden – Natuur en landschapswaarden’ en de dubbelbestemming ‘Archeologie’. In artikel 6.1 van het bestemmingsplan is, voor zover hier van belang, bepaald dat deze gronden zijn bestemd voor onder andere:
a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1 lid 1.10;
met de daarbij behorende:
b. voorzieningen zoals kuilvoerplaten, sleufsilo's, mestvoorzieningen, teeltondersteunende voorzieningen, paardenbakken, erven, tuinen, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, recreatieve paden en voet- en fietspaden, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het bergen en infiltreren van water;
alsmede voor:
c. wonen, mits de bouw van een bedrijfswoning is toegestaan;
(…)
j. de in tabel 6.1 vermelde toegestane nevenfuncties
(…).
In tabel 6.1 zijn de volgende nevenfuncties vermeld: verkoop-aan-huis van lokaal/streekeigen agrarische producten, beroep-aan-huis, bed & breakfast, en groene en blauwe diensten.
5.2.
De rechtbank stelt met het college vast dat het geconstateerde gebruik van de gronden niet is toegestaan volgens het bestemmingsplan. De opslag van wagens voor de evenementenverhuur is namelijk geen uitoefening van een agrarisch bedrijf en kan ook niet onder een van de nevenfuncties in tabel 6.1 worden geschaard. Ook onder de omgevingsvergunning van 30 september 2019 is de buitenopslag niet toegestaan: die vergunning ziet immers expliciet alleen op gebruik van de blauw omrande loods en niet op gebruik van gronden daarbuiten. Voor zover eiseres heeft beoogd aan te voeren dat buitenopslag onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, is de rechtbank van oordeel dat eiseres dit niet heeft kunnen onderbouwen. Het college heeft terecht vastgesteld dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het betoog van eiseres slaagt niet.
5.3.
Eiseres heeft in beroep de vraag opgeworpen welke goederen in de loods mogen worden opgeslagen en heeft betoogd dat alle goederen die haar zoon voor zijn bedrijf gebruikt, onder het begrip volumegoederen vallen als bedoeld in de omgevingsvergunning van 30 september 2019. De andere partijen hebben hierover vervolgens een standpunt ingenomen. Zoals het college ter zitting terecht heeft betoogd, is die vraag echter niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de last onder dwangsom. Bepalend daarvoor is namelijk of het toegestaan was de wagens – die in ieder geval als volumegoederen kunnen worden aangemerkt – buiten de loods op te slaan; dat is immers het voorwerp van de last. De vraag of ook andere goederen onder het begrip volumegoederen als bedoeld in de omgevingsvergunning, behoeft dan ook geen bespreking.
Zijn de verhuuractiviteiten een overtreding?
6. Tijdens de controles is vastgesteld dat ter plaatse sprake is van verhuur van partybenodigdheden. Eiseres heeft dit ook niet betwist. Wat zij wel betwist is dat dit een overtreding is.
6.1.
Zoals hiervoor is vermeld, hebben de gronden de bestemming ‘Agrarisch – met waarden – Natuur en landschapswaarden’. Eiseres heeft betoogd dat de verhuur van partybenodigdheden valt onder de toegelaten nevenfuncties vermeld in tabel 6.1, en dan met name onder ‘beroep aan huis’. Dit is in artikel 1.23 van het bestemmingsplan omschreven als de uitoefening aan huis van een vrij beroep of de beroepsmatige verlening van diensten aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, door diegene die ter plaatse zijn hoofdverblijf heeft, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie. De rechtbank is met het college van oordeel dat een bedrijf in verhuur van partybenodigdheden niet als beroep-aan-huis kan worden aangemerkt, nog daargelaten dat eiseres niet heeft onderbouwd dat aan alle eisen van artikel 1.23 van het bestemmingsplan wordt voldaan. De verhuuractiviteiten zijn dan ook op grond van artikel 6.1 van het bestemmingsplan niet toegestaan. Voor zover eiseres heeft beoogd aan te voeren dat de verhuuractiviteiten onder het overgangsrecht van het bestemmingsplan valt, stelt de rechtbank vast dat eiseres dit niet heeft kunnen onderbouwen.
6.2.
Eiseres heeft betoogd dat het college de verhuuractiviteiten heeft toegestaan met de omgevingsvergunning van 30 september 2019. De rechtbank gaat daarin niet mee. De vergunning is verleend voor de opslag van volumegoederen. Weliswaar blijkt uit de aanvraag die deel uitmaakt van de vergunning dat de opslag plaatsvindt ten behoeve van het verhuurbedrijf van de zoon van eiseres, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat ter plaatse van de blauw omrande loods niet alleen opslag maar ook verhuur zou zijn vergund. Verhuur zal meestal gepaard gaan met opslag van de spullen die worden verhuurd, maar opslag gaat niet automatisch gepaard met verhuur.
6.3.
Gezien het voorgaande zijn de verhuuractiviteiten in strijd met het bestemmingsplan en zijn zij niet gedekt door de omgevingsvergunning van 30 september 2019. Het college heeft de verhuuractiviteiten daarom terecht aangemerkt als een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Het betoog van eiseres slaagt niet.
6.4.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht te beoordelen of de klanten van het verhuurbedrijf de gehuurde goederen zelf mogen ophalen en brengen, en zo nee, wie dat dan wel mag doen. De rechtbank stelt vast dat dit geen bespreking behoeft, alleen al omdat de verhuuractiviteiten niet zijn toegestaan.
Mocht het college handhavend optreden tegen de strijdigheid?
7. Nu sprake was van een overtreding, was het college bevoegd en in beginsel ook gehouden om daartegen handhavend op te treden. Dat de overtreding inmiddels – naar eiseres stelt – is beëindigd, doet er niet aan af dat ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom sprake was van een overtreding. Beëindiging van de overtreding kan het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom niet met terugwerkende kracht onrechtmatig maken. In hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank ook verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college geen last onder dwangsom mocht opleggen. Het betoog van eiseres slaagt niet.
Had het college een langere begunstigingstermijn moeten vaststellen?
8. Eiseres heeft in het beroep tegen het opleggen van de last onder dwangsom geen grond ingediend die is gericht tegen de begunstigingstermijn. In het beroep tegen de weigering van het college om de begunstigingstermijn van drie maanden te verlengen, heeft eiseres dezelfde beroepsgronden ingediend als tegen het opleggen van de last onder dwangsom. De rechtbank ziet daarom in hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college een langere begunstigingstermijn had moeten vaststellen.
Conclusie rechtmatigheid van de bestreden besluiten
9. Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten onrechtmatig zijn.
Schadevergoeding wegens de te lange procedure
10. Ter zitting heeft eiseres verzocht om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
10.1.
De redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. De bezwaar- en beroepsprocedure mag in totaal maximaal twee jaar duren, waarvan de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar mag duren. De omstandigheden van het geval kunnen een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Voor de overschrijding van de redelijke termijn moet per half jaar een bedrag van € 500,- aan immateriële schadevergoeding worden toegekend, waarbij een periode van minder dan een half jaar naar boven wordt afgerond.
10.2.
Sinds het instellen van het bezwaar op 27 februari 2023 en deze uitspraak zijn bijna drie jaar verstreken. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn. Van omstandigheden die een rechtvaardiging van de overschrijding van deze termijn opleveren, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Dit betekent dat de procedure bijna een jaar te lang heeft geduurd. Uitgaande van deze overschrijding heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 1.000,-. Dit bedrag dient te worden vergoed door de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), nu de reden van de overschrijding voor het overgrote deel is gelegen in de procedure bij de rechtbank.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de last onder dwangsom en de daarvoor vastgestelde begunstigingstermijn in stand blijven. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. Wel krijgt zij een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B.L. van der Weele, rechter, in aanwezigheid van mr. L. van der Genugten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
griffier
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 7 januari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.