ECLI:NL:RBLIM:2026:5960

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
C/03/352062 / KG ZA 26-165
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 1:96 BWArt. 21 RvVerordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel-I bis)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot schorsing executoriale verkoop woning na ontbinding vennootschap onder firma

In deze kortgedingprocedure vordert eiser de schorsing van de executoriale verkoop van zijn woning, waarop conservatoir en executoriaal beslag is gelegd door gedaagden, voormalige vennoten in een ontbonden vennootschap onder firma. Eiser stelt dat gedaagde de voorzieningenrechter in een eerdere kortgedingprocedure heeft misleid en dat de executie disproportioneel is vanwege een vermeende onderwaarde van de woning en het eigendom van de echtgenote.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de onderneming niet is gestaakt, zoals door gedaagde is onderbouwd met inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het bezit van een taxivergunning. De eerdere veroordeling tot betaling van € 164.271,00 is niet afhankelijk van voortzetting van de onderneming. De stelling van misbruik van bevoegdheid wordt verworpen, mede omdat eiser een afbetalingsregeling niet is nagekomen ondanks meerdere uitstel.

Ten aanzien van de vordering tot afgifte van bescheiden over de periode na 5 augustus 2025 wordt geoordeeld dat eiser geen spoedeisend belang heeft, omdat de onderneming voortduurt. De proceskosten worden aan eiser opgelegd, waarbij een hoger tarief voor het salaris van de advocaat wordt toegepast vanwege het niet volledig en naar waarheid aanvoeren van feiten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vordering tot schorsing van de executoriale verkoop van de woning wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352062 / KG ZA 26-165
Vonnis in kort geding van 23 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonend te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. G.J.J.A. van Zeijl;
tegen:

1.[gedaagde partij 1] ,voormalig vennoot van de (ontbonden) vennootschap onder firma,[gedaagde partij 2] ,

wonend te [plaats 2] (België),
2. de (ontbonden) vennootschap onder firma,
[gedaagde partij 2],
gevestigd te [plaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ,
advocaat: mrs. K.J.P. Roufs en P.P.M. Kerckhoffs.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties A1 1 t/m 58, A2 t/m A5, A6 59 t/m 67, A7 1 t/m 81, A8 82 t/m 85, A9 68 t/m 74, A10 t/m 12, B1 t/m B7, C1 t/m C42;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 35;
- de mondelinge behandeling van 9 juni 2026;
- de pleitnota van [eisende partij] ;
- de spreekaantekeningen van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] en [gedaagde partij 1] zijn in 2018 een vennootschap onder firma aangegaan met als doel om samen een taxibedrijf uit te oefenen met de naam [gedaagde partij 2] (hierna: de onderneming of de vennootschap). Per 5 augustus 2025 is er een einde gekomen aan hun samenwerking.
2.2.
[eisende partij] en zijn echtgenote zijn eigenaar van een woning aan de [adres] , te [plaats 2] (België). [gedaagde partij 1] heeft op 5 en 7 augustus 2025 conservatoire beslagen laten leggen op deze woning.
2.3.
Bij dagvaarding van 19 augustus 2025 zijn [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] een bodemprocedure begonnen tegen [eisende partij] en diens echtgenote. In die procedure hebben [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] vorderingen ingesteld die gericht zijn op de
afwikkeling van de onderneming en op terugbetaling aan de onderneming van onttrekkingen van [eisende partij] die volgens hen onrechtmatig waren. In die bodemprocedure hebben [eisende partij] en diens echtgenote in een incidentele conclusie gevorderd dat [gedaagde partij 1] wordt veroordeeld, dan wel wordt bevolen, bescheiden betreffende de vennootschap en de daarmee verbonden onderneming betreffende de periode van 1 januari 2022 tot
5 augustus 2025 over te leggen. Bij vonnis in incident van 25 maart 2026 heeft de rechtbank de incidentele vordering afgewezen.
2.4.
Op 28 augustus 2025 zijn [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] een kortgedingprocedure gestart tegen [eisende partij] . Bij vonnis in kort geding van 25 september 2025 (hierna: het kortgedingvonnis) is [eisende partij] onder meer veroordeeld om - kort gezegd - aan de vennootschap te betalen € 164.271,00 vermeerderd met rente, een en ander onder de voorwaarde dat de betaling rechtstreeks aan de crediteuren van [gedaagde partij 2] geschiedt. Als motivering voor deze veroordeling heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet in discussie is dat [eisende partij] de financiële administratie van de onderneming deed, dat [eisende partij] gelden van de onderneming heeft overgemaakt naar zijn bankrekeningen en de bankrekening van zijn echtgenote, onder het mom van crediteurenbetalingen, waarbij die betalingen bedragen en omschrijvingen betroffen die aansloten bij facturen van bestaande crediteuren van de onderneming en dat de overboekingen naar die bankrekeningen tot 1 juli 2025 in totaal € 396.591,80 hebben bedragen en ná 1 juli 2025 € 13.206,49. Het betoog van [eisende partij] dat de overboekingen zijn gedaan in het kader van de verdeling van “zwarte omzet” tussen partijen, is door de voorzieningenrechter als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. De voorzieningenrechter heeft verder overwogen dat het er voor moet worden gehouden dat [eisende partij] zonder dat daarvoor een contractuele, dan wel wettelijke grond bestond, in ieder geval afgerond € 400.000,00 heeft onttrokken aan het vermogen van de onderneming. Dat rechtvaardigt volgens de voorzieningenrechter toewijzing van het gevorderde voorschot van € 164.271,00.
2.5.
[eisende partij] heeft naar aanleiding van die veroordeling in het kortgedingvonnis een afbetalingsvoorstel gedaan, dat door [gedaagde partij 1] bij e-mail van 19 maart 2026 is verworpen. [1] Vervolgens heeft [gedaagde partij 1] bij e-mail van 20 maart 2026 voorgesteld dat de executie van de woning gedurende de bodemprocedure door [eisende partij] kan worden voorkomen indien hij een aanvangstermijn van € 50.000,00 betaalt, gevolgd door betaling van een maandelijkse termijn van € 3.500,00 zolang de bodemprocedure loopt. [2] [eisende partij] heeft bij e-mail van 20 maart 2026 verklaard dat hij akkoord is met een afbetalingsregeling ten aanzien van het executoriale beslag op zijn woning, inhoudende dat hij € 50.000,00 ineens betaalt, gevolgd door een maandelijkse betaling van € 3.500,00. [3] Bij e-mail van 26 maart 2026 vraagt de Belgische advocaat van [eisende partij] of de advocaat van [gedaagde partij 1] kan bevestigen dat [gedaagde partij 1] een uitstel van betaling verleent aan [eisende partij] in het kader van de afbetalingsregeling tot en met 1 april 2026 voor de eerste aanbetaling van € 50.000,00 en de eerste maandelijkse afbetaling van € 3.500,00. [4] Op 27 maart 2026 bericht de advocaat van [gedaagde partij 1] dat zijn cliënt instemt met de betaling van een aanvangstermijn en de eerste maandelijkse betaling op uiterlijk 1 april 2026. [5] Bij e-mail van 30 maart 2026 verzoekt de advocaat van [eisende partij] namens zijn cliënt om uitstel voor de eerste afbetaling tot 8 april 2026. [6] De advocaat van [gedaagde partij 1] bericht namens zijn cliënt bij e-mail van 7 april 2026 dat uiterlijk op 8 april 2026 € 53.500,00 voldaan moet zijn, en dat bij gebreke daarvan de afbetalingsregeling komt te vervallen en dat de executie zal worden voortgezet. [7] Op 8 april 2026 verzoekt [eisende partij] via zijn advocaat wederom om uitstel van betaling, dit keer met een week. [8] De advocaat van [gedaagde partij 1] heeft op 8 april 2026 per e-mail laat weten dat het termijnbedrag uiterlijk op 9 april 2026 betaald moet zijn, omdat anders de executie van de woning hervat wordt. [9]
2.6.
Vervolgens hebben [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] op 20 april 2026 executoriaal beslag gelegd op de woning van [eisende partij] te [plaats 1] (België). [10]
2.7.
Tegen het kortgedingvonnis is geen hoger beroep ingesteld.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] gebiedt het reeds gelegde executoriaal beslag op de woning van [eisende partij] op te heffen binnen 24 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250.000,00 ineens en € 10.000,00 per opvolgende dag of dagdeel dat [gedaagde partij 1]
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] in gebreke blijven daaraan te voldoen;
subsidiair de executie door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] schorst;
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] verbiedt executiemaatregelen te treffen jegens [eisende partij] op grond van het vonnis in kort geding d.d. 25 september 2025;
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] beveelt zich te onthouden van iedere daad van vervolging van de executie van de woning of anderszins vanaf - primair - dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, dan wel - subsidiair - vanaf betekening van het in dezen te wijzen vonnis, totdat de bodemrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis anders mocht oordelen;
een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 250.000,00 ineens en € 10.000,00 per opvolgende dag of dagdeel dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] in gebreke blijven daaraan te voldoen;
[eisende partij] machtigt om namens [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] de tenuitvoerlegging van het vonnis, de executieprocedure, te beëindigen;
een en ander zo nodig onder door de voorzieningenrechter te stellen voorwaarden;
uiterst subsidiair: bepaalt dat de executie slechts mag worden voorgezet tegen behoorlijke zekerheidstelling door [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] door de voorzieningenrechter concreet te bepalen;
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] gebiedt om uiterlijk binnen veertien (14) na betekening van het in dezen te wijzen vonnis door middel van schriftelijke bescheiden, waaronder alle facturen, alle bankrekeningafschriften en alle overeenkomsten, rekening en verantwoording te doen terzake de tegeldemaking van de activa van de onderneming van de beëindigde) vennootschap vanaf 5 augustus 2025, bij niet-nakoming op verbeurte van een dwangsom ad € 10.000,00 ineens en € 2.500,00 per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] daarmee in verzuim mochten blijven, gespecificeerd per goed c.q. zaak, zoals in het lichaam van deze dagvaarding (sub 139 tot en met 150) aangegeven, een en ander zo nodig als nader door u edelachtbare voorzieningenrechter te bepalen;
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De bevoegdheid
4.1.
Omdat een van gedaagden woonplaats heeft in België, heeft dit geschil een internationaal karakter en dient de voorzieningenrechter ambtshalve eerst te onderzoeken of zij bevoegd is.
4.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bevoegdheid moet worden beoordeeld aan de hand van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (verder ook te noemen Brussel-I bis, of EEX-Vo 1bis). Deze verordening is immers materieel (artikel 1), formeel (artikel 6) en temporeel (artikel 66) van toepassing.
4.3.
Op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 1 EEX Pro-Vo 1bis is de voorzieningenrechter bevoegd, omdat de andere gedaagde in Nederland is gevestigd en tegen [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] gelijke vorderingen zijn ingesteld. Bovendien is de voorzieningenrechter bevoegd op grond van het bepaalde in artikel 26, lid 1, Rv EEX-Vo 1bis, omdat [gedaagde partij 1] geen verweer heeft gevoerd ten aanzien van de bevoegdheid.
Kern van het geschil
4.4.
Het geschil ziet in hoofdzaak op twee geschilpunten. Ten eerste ziet het geschil op de vraag of [gedaagde partij 1] het kortgedingvonnis van 25 september 2025 mag executeren door de woning van [eisende partij] te verkopen. Daarop zien de vorderingen onder 1 tot en met 8. Het tweede geschilpunt ziet op de vraag of [eisende partij] recht heeft op afgifte van allerlei bescheiden. Daarop ziet de vordering onder 9.
Vorderingen 1 tot en met 8
Spoedeisend belang
4.5.
Het spoedeisend belang bij de beoordeling in kort geding van de vorderingen onder 1 tot en met 8 vloeit voor uit de aard van het geschil.
Inhoudelijk
4.6.
Bij de beoordeling van de vorderingen onder 1 tot en met 8 geldt het volgende uitgangspunt. [11] Indien, zoals in deze zaak, een vordering in kort geding tot schorsing van de tenuitvoerlegging betrekking heeft op een uitspraak waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, is de veroordeling, waarvan de tenuitvoerlegging ter discussie staat, definitief. In dat geval geldt de maatstaf dat slechts grond voor schorsing van de executie bestaat, indien
er sprake is van misbruik van bevoegdheid (artikel 3:13 BW Pro), waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan de situatie dat de ten uitvoer te leggen uitspraak klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de uitspraak voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan.
4.7.
[eisende partij] noemt twee redenen waarom de executoriale verkoop van de woning geen doorgang mag vinden. Allereerst is er volgens hem sprake van gewijzigde omstandigheden: [gedaagde partij 1] heeft de voorzieningenrechter in de eerste kortgedingprocedure misleid. De tweede reden is dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid

Gewijzigde omstandigheden: misleiding
4.8.
De misleiding van de voorzieningenrechter bestaat volgens [eisende partij] uit het volgende. [gedaagde partij 1] heeft destijds aan zijn vordering tot betaling van € 164.271,00 de stelling ten grondslag gelegd dat hij de onderneming wil voortzetten. De onderneming bestaat echter niet meer, aldus [eisende partij] . Per 27 februari 2026 is deze doorgehaald in het register van de Kamer van Koophandel wegens opheffing van de vestiging. De vervoersvergunning die nodig is om de onderneming te kunnen exploiteren, is ingetrokken. Ook heeft de onderneming geen bankrekening en geen personeel meer.
[gedaagde partij 1] heeft in die kortgedingprocedure ook gesteld dat de vennootschap haar crediteuren niet meer zou kunnen voldoen en hij daarom heeft hij een voorschot gevorderd om, onder andere, een schuld aan de Belastingdienst te voldoen. [gedaagde partij 1] heeft die schuld echter niet voldaan. Een procedure om uitstel van betaling te krijgen, heeft [gedaagde partij 1] volgens [eisende partij] ten onrechte en doelbewust ingetrokken.
Tot slot heeft [gedaagde partij 1] in die kortgedingprocedure aangevoerd dat hij eind juli 2025 op de hoogte zou zijn geraakt dat [eisende partij] heimelijk en stelselmatig € 600.000,00 aan de onderneming zou hebben onttrokken en weggesluisd. Die uitlating was onterecht; [gedaagde partij 1] was immers nauw betrokken bij het voeren van de administratie van de onderneming en hij wist van de omstreden onttrekkingen, aldus [eisende partij] .
4.9.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] ontkennen dat er sprake is van nieuwe omstandigheden die aan executie van het kortgedingvonnis in de weg staan. Het betreft een herhaling van standpunten die in de eerste kortgedingprocedure al naar voren zijn gebracht. Zij betwisten dat de onderneming is gestaakt; wel is deze gekrompen en zijn auto’s verkocht en is personeel ontslagen om de liquiditeitspositie van de onderneming te verbeteren. Weliswaar is de onderneming korte tijd niet in geschreven geweest in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, in verband met de problemen rond een taxivergunning, maar de onderneming is volgens [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] thans weer ingeschreven en in het bezit van een taxivergunning. Er worden ook nog ritten uitgevoerd. Als [eisende partij] voldaan had aan het kortgedingvonnis hadden zij een deel van de crediteuren, waaronder de Belastingdienst kunnen betalen. [gedaagde partij 1] blijft bij zijn betwisting dat hij wetenschap had van de volledige boekhouding en van de onttrekkingen. Ook ontkent hij in dat kader contante betalingen ontvangen te hebben.
4.10.
De voorzieningenrechter volgt [eisende partij] niet in zijn stelling dat [gedaagde partij 1] de voorzieningenrechter in het eerste kortgeding heeft misleid. Allereerst heeft
[gedaagde partij 1] gemotiveerd weerlegd dat hij de onderneming heeft gestaakt. Hij heeft met stukken onderbouwd dat hij de onderneming weer heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel [12] , [13] en [14] . Daarnaast is uit de door [gedaagde partij 1] overgelegde stukken gebleken dat hij de taxivergunning, die eerst was ingetrokken, heeft teruggevraagd en ook heeft teruggekregen. [15] Ten slotte blijkt uit de overgelegde stukken dat door de onderneming nog taxiritten worden uitgevoerd. [16] Dat alles wijst juist op een voortzetting van de onderneming. Dat dit gebeurt op een kleinere schaal (minder voertuigen, minder personeel) dan vóór 5 augustus 2025, is verklaarbaar. Het is aannemelijk, zoals [gedaagde partij 1] heeft toegelicht, dat de onderneming voertuigen heeft verkocht en personeel heeft ontslagen juist om de liquiditeitspositie van de onderneming te verbeteren en schulden af te lossen, om zodoende de onderneming voort te kunnen zetten. De voorzieningenrechter merkt nog op dat de toewijzing van de vordering van € 164.271,-- niet afhankelijk was van het antwoord op de vraag of de onderneming na 5 augustus 2025 zou worden voortgezet. Deze vordering is toegewezen, omdat is geoordeeld dat de schuldeisers van de onderneming moeten worden betaald.
[gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hebben verder toereikend toegelicht dat zij de vordering van de Belastingdienst nog niet hebben kunnen betalen door het uitblijven van betaling door [eisende partij] en dat de Belastingdienst de uitkomst van de huidige kortgedingprocedure afwacht. Tot slot staat vast dat [eisende partij] de administratie/boekhouding van de onderneming verzorgde. Binnen het bestek van dit kort geding is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde partij 1] wel op de hoogte was van de volledige administratie van de onderneming, dat hij wist van de omstreden onttrekkingen door [eisende partij] en dat hij een deel daarvan in contanten heeft ontvangen.

Misbruik van bevoegdheid
4.11.
[eisende partij] heeft groot belang bij het behoud van de woning. Hij stelt dat executoriale verkoop van de woning misbruik van bevoegdheid door [gedaagde partij 1] en
[gedaagde partij 2] inhoudt. Hij vreest dat de waarschijnlijke opbrengst van een executoriale verkoop (volgens zijn inschatting € 332.500,00 à € 356.250,00) minder zal zijn dan de hypothecaire schuld (€ 356.654,78). De opbrengst bij executoriale verkoop zal dus alleen aan de hypotheekhouder toekomen. Daar komt nog bij dat hij slechts voor 50% eigenaar is van de woning. Zijn echtgenote is eigenaar van de overige 50%. Ten aanzien van die echtgenote heeft [gedaagde partij 1] volgens [eisende partij] geen voor executie vatbare titel. Dat alles maakt volgens [eisende partij] dat de voorgenomen executie disproportioneel is.
4.12.
[gedaagde partij 1] betwist dat er sprake is van een onderwaarde van de woning. Omdat in het kader van de executie ook onderhandse verkoop mogelijk is, en de woning een vrijeverkoopwaarde heeft van € 475.000,-- terwijl er een hypothecaire schuld is van € 350.000,00, bestaat de reële verwachting dat een overwaarde kan worden gerealiseerd. Verder stelt [gedaagde partij 1] dat [eisende partij] en zijn echtgenote in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, de woning in de huwelijksgemeenschap valt en zijn echtgenote geen aanspraak kan maken op 50% van de waarde van de woning.
4.13.
De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van [eisende partij] dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. Partijen zijn ná en naar aanleiding van de veroordeling in het kortgedingvonnis een regeling overeengekomen tot betaling van € 164.271. [17] Nu [eisende partij] die regeling, ondanks dat [gedaagde partij 1] hem meermaals uitstel heeft verleend, niet is nagekomen, blijft alleen executoriale verkoop van de woning over als mogelijkheid om het toegewezen bedrag te kunnen innen. De stelling dat de opbrengst van de executoriale verkoop van de woning minder is dan de resterende hypothecaire schuld, zodat de verkoop niets zou opleveren voor [gedaagde partij 1] is onvoldoende aannemelijk gemaakt door [eisende partij] .
Uit de leveringsakte van de woning blijkt verder dat [eisende partij] en zijn echtgenote op 3 augustus 2015 in Nederland naar Nederlands recht zijn gehuwd in gemeenschap van goederen volgens het ten tijde van het huwelijk geldende stelsel van huwelijksvermogensrecht. [18] Juist is dat, zoals [eisende partij] stelt, nu de woning is gelegen in België, de wijze waarop de executie dient plaats te vinden wordt geregeld door Belgisch recht. De vraag naar de verhaalsaansprakelijkheid van de echtgenote van [gedaagde partij 1] wordt geregeld door Nederlands recht, nu [eisende partij] en zijn echtgenote zijn gehuwd naar Nederlands huwelijksvermogensrecht. Op grond van artikel 1:96 lid 1 BW Pro, zoals dat luidde ten tijde van het aangaan van het huwelijk tussen [eisende partij] en diens echtgenote, kan voor een schuld van een echtgenoot, ongeacht of deze in de gemeenschap is gevallen, zowel de goederen van de gemeenschap (lees: de echtelijke woning) als zijn eigen goederen worden uitgewonnen.
4.14.
De slotsom is dat de vorderingen onder 1 tot en met 8 worden afgewezen.
Vordering 9
Spoedeisend belang
4.15.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de ter zitting door [eisende partij] gegeven toelichting blijkt dat deze vordering ziet op bescheiden betreffende de onderneming over de periode ná 5 augustus 2025. Het betreft dus geen herhaling van de incidentele vordering waarop de rechtbank bij vonnis van 25 maart 2026 in de bodemzaak al heeft beslist.
4.16.
[eisende partij] heeft het spoedeisend belang ten aanzien van deze vordering onderbouwd met de stelling dat [gedaagde partij 1] de onderneming heeft ontmanteld, dat van voortzetting daarvan geen sprake is en hij daarom belang heeft bij het spoedig verkrijgen van de financiële gegevens. Eerder in dit vonnis is al overwogen dat op basis van de in dit kort geding gebleken feiten de stelling van [eisende partij] dat [gedaagde partij 1] de onderneming heeft gestaakt, niet aannemelijk is geworden. Dat betekent dat [eisende partij] geen spoedeisend belang heeft bij deze vordering, zodat deze moet worden afgewezen.
De proceskosten
4.17.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
4.18.
Gebleken is dat [eisende partij] niet voldaan heeft aan de op grond van artikel 21 Rv Pro op hem rustende verplichting de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [eisende partij] heeft onder andere in de dagvaarding niet vermeld dat tussen partijen ná en naar aanleiding van het kortgedingvonnis een afbetalingsregeling tot stand is gekomen om executie van de woning te voorkomen, en dat die regeling door [eisende partij] niet is nagekomen, ondanks meerdere verleende uitstellen. Aan dit verzuim zal de voorzieningenrechter de sanctie verbinden dat bij de berekening van de proceskosten voor de post ‘salaris advocaat’ een hoger tarief wordt toegewezen dan gebruikelijk. De voorzieningenrechter volgt niet de suggestie van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] om [eisende partij] te veroordelen tot betaling van de reële proceskosten, omdat die sanctie disproportioneel is. De voorzieningenrechter zal als sanctie het hoogste kortgeding tarief toepassen (handel-KG contradictoir complex), te weten € 1.766,00.
4.19.
De proceskosten van [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.766,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.690,00.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af;
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.690,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.

Voetnoten

1.Productie 2 van [gedaagde partij 1] .
2.Productie 10 van [gedaagde partij 1] .
3.Productie 3 van [gedaagde partij 1] .
4.Productie 5 van [gedaagde partij 1] .
5.Productie 5 van [gedaagde partij 1] .
6.Productie 6 van [gedaagde partij 1] .
7.Productie 6 van [gedaagde partij 1] .
8.Productie 6 van [gedaagde partij 1] .
9.Productie 6 van [gedaagde partij 1] .
10.Productie C19 van [eisende partij] .
11.Zie Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
12.Zie de e-mail van 27 maart 2026 van de advocaat van [gedaagde partij 1] aan [naam] (productie 14 van [gedaagde partij 1] ).
13.Zie e-mail van 21 april 2026 van de Kamer van Koophandel aan de advocaat van [gedaagde partij 1] (productie 15 van [gedaagde partij 1] ).
14.Productie 16 van [gedaagde partij 1] .
15.Zie de e-mail van [naam] van 26 april 2026 aan de advocaat van [gedaagde partij 1] (productie 14 van [gedaagde partij 1] ).
16.Zie de producties 26 t/m 29 van [gedaagde partij 1] .
17.zie rov. 2.5.
18.Productie C18 van [eisende partij] .