ECLI:NL:RBLIM:2026:6050

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
12007781 \ EZ VERZ 25-496
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:202 BWArt. 4:206 lid 3 BWArt. 4:218 lid 4 BWArt. 4:218 lid 5 BWArt. 4:221 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling loon vereffenaar nalatenschap met oordeel over positie erfgenamen

De kantonrechter van de rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de vereffenaar van een nalatenschap om zijn loon vast te stellen. De vereffenaar was benoemd na het overlijden van de erflaatster in 2024 en verzocht om loon voor werkzaamheden van december 2024 tot januari 2026.

De kantonrechter onderzocht de positie van de erfgenamen in deze procedure. Hoewel het loon van de vereffenaar direct het erfdeel beïnvloedt, oordeelde de rechter dat erfgenamen geen belanghebbenden zijn bij de loonvaststelling en dus geen verweer kunnen voeren of rechtsmiddelen kunnen instellen tegen de beschikking. Dit oordeel is gebaseerd op de analogie met het faillissementsrecht, waar schuldeisers en gefailleerden ook geen invloed hebben op het salaris van de curator.

De kantonrechter ging uitgebreid in op verschillende rechtspraak en literatuur die uiteenlopende standpunten innemen over de positie van erfgenamen. Uiteindelijk werd geconcludeerd dat de bepalingen van het faillissementsrecht zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn, waardoor erfgenamen niet als belanghebbenden worden aangemerkt.

Wat betreft de hoogte van het loon, werd aansluiting gezocht bij de Recofa-richtlijn. De kantonrechter corrigeerde de gehanteerde uren en factoren, waardoor het loon werd vastgesteld op €17.246,87 exclusief btw. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.

De beschikking werd op 25 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. Lafghani.

Uitkomst: Het loon van de vereffenaar wordt vastgesteld op €17.246,87 exclusief btw en erfgenamen worden niet als belanghebbenden aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 12007781 \ EZ VERZ 25-496
Beschikking van 25 juni 2026
op een verzoek van
MR. [de vereffenaar],
wonende te [plaats 1] , in hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van [erflaatster] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1941 en overleden te [plaats 2] op [datum] 2024,
verzoekende partij, hierna ook: de vereffenaar,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Op 10 november 2025 is ter griffie van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht, een verzoekschrift met bijlage ontvangen van mr. [de vereffenaar] voornoemd, waarin hij verzoekt om zijn loon als vereffenaar vast te stellen. Zijn verzoekschrift is ter verdere behandeling doorgestuurd naar de locatie Roermond van de rechtbank Limburg, en daar ter griffie ontvangen op 3 december 2025.
1.2.
Op 10 november 2025 en 9 december 2025 zijn ter griffie van de locatie Maastricht e-mailberichten ontvangen van mevrouw [erfgenaam 1] , een van de erfgenamen in de hierna te noemen nalatenschap. Beide berichten zijn doorgezonden naar de griffie van de locatie Roermond. Op 11 december 2025 heeft mevrouw [erfgenaam 1] een
e-mailbericht gestuurd naar de griffie van de locatie Roermond.
1.3.
Op 1 mei 2026 zijn van mr. [de vereffenaar] stukken ontvangen met betrekking tot de betekening van zijn verzoekschrift aan erfgenaam [erfgenaam 2] .
1.4.
Op 21 mei 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen mr. [de vereffenaar] en de drie erfgenamen in de hierna te noemen nalatenschap:
Mevrouw [erfgenaam 1] , wonende te [woonplaats 1] , België,
Mevrouw [erfgenaam 3] , wonende te [woonplaats 2] ,
De heer [erfgenaam 2] , wonende te [woonplaats 3] , Verenigde Staten van Amerika.
Laatstgenoemde erfgenaam heeft aan de mondelinge behandeling deelgenomen via een Teams-verbinding.
1.5.
Vervolgens heeft de kantonrechter beschikking bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Op [datum] 2024 is in de gemeente Sittard- Geleen overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1941 en laatst gewoond hebbende te [plaats 3] , gemeente Sittard-Geleen .
2.2.
Mr. [de vereffenaar] is bij beschikking van 20 december 2024 van de rechtbank Limburg, locatie Maastricht , benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van erflaatster.

3.De beoordeling

Uitgangspunt beoordeling
3.1.
Op grond van artikel 4:206 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een door de rechter benoemde vereffenaar recht op het loon dat door de kantonrechter vóór het opmaken van de uitdelingslijst wordt vastgesteld. Voor de berekening van het loon van de vereffenaar wordt aansluiting gezocht bij de regeling voor curatoren in een faillissement, de zogenaamde Recofa-richtlijn (een richtlijn voor faillissementen en surseances van betaling). In deze richtlijn zijn uitgangspunten neergelegd voor de vaststelling van het salaris van een curator in een faillissement. In de rechtspraak is algemeen aanvaard dat deze uitgangspunten ook worden gehanteerd bij de vaststelling van het loon van een door de rechtbank benoemde vereffenaar.
Procespositie erfgenamen in zaken zoals deze
3.2.
In de rechtspraak en literatuur wordt verschillend gedacht over de vraag wat de positie is van de erfgenamen in zaken zoals deze, waarin het saldo van de nalatenschap positief is en de vereffenaar om vaststelling van zijn loon verzoekt. De kantonrechter is van oordeel dat de erfgenamen in zaken zoals deze, hoewel de vaststelling van het loon van de vereffenaar hen rechtstreeks raakt nu dit loon in mindering strekt op hetgeen hen als erfgenamen toekomt, geen belanghebbenden zijn. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.
3.2.1.
Een nalatenschap wordt op grond van artikel 4:202 lid 1 BW Pro in beginsel overeenkomstig de voorschriften van afdeling 3 van titel 6 van Boek 4 BW vereffend wanneer een erfgenaam de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving (beneficiair) heeft aanvaard, dan wel wanneer de rechtbank een vereffenaar heeft benoemd. Die laatste situatie doet zich voor in deze zaak.
3.2.2.
De vereffenaar heeft steeds tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren, een boedelbeschrijving met een voorlopige staat van de schulden van de nalatenschap op te maken en bekende schuldeisers op te roepen hun vorderingen in te dienen. Vervolgens dient de vereffenaar te bepalen in hoeverre de ingediende schulden van de nalatenschap in aanmerking komen voor voldoening uit het actief van de nalatenschap, rekening en verantwoording te doen, en een na uitkering aan de schuldeisers eventueel resterend overschot uit te keren aan de erfgenamen of andere rechthebbenden. Voor een door de rechtbank benoemde vereffenaar gelden, behoudens de mogelijkheid van vrijstelling op de voet van artikel 4:221 lid 2 BW Pro en het geval dat alle hem bekende schulden volledig worden voldaan, voorschriften ten aanzien van openbare oproeping van (onbekende) schuldeisers, terinzagelegging van een lijst van erkende en betwiste vorderingen en neerlegging van een rekening en verantwoording met uitdelingslijst, waartegen door belanghebbenden verzet kan worden gedaan.
3.2.3.
Met de vereffening van een nalatenschap zijn zowel belangen van de schuldeisers van de nalatenschap als belangen van de beneficiair aanvaard hebbende erfgenamen gemoeid. Voor schuldeisers van de nalatenschap is het belang van de vereffening vooral erin gelegen dat hun vorderingen zoveel als mogelijk worden voldaan uit de nalatenschap en dat de overige schuldeisers van de erfgenamen zich pas daarna kunnen verhalen. Voor een beneficiaire erfgenaam is van belang dat hij - zolang hij niet verwijtbaar tekortschiet in zijn verplichtingen als vereffenaar of anderszins verwijtbaar handelt - niet verplicht is een schuld van de nalatenschap te voldoen ten laste van naast zijn erfdeel aanwezig ‘overig vermogen’. In de wetsgeschiedenis is vermeld dat de bepalingen van afdeling 4.6.3 BW en de regels voor de vereffening van een failliete boedel een sterke gelijkenis vertonen, omdat bij de vereffening de belangen van de schuldeisers op de voorgrond staan (vgl. MvA II, Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 844 en de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad van 17 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1272).
3.2.4.
Uit de wetsgeschiedenis van artikel 4:218 lid 5 BW Pro komt naar voren dat met de woorden ‘zoveel mogelijk’ beoogd is rekening te houden met het verschil in karakter tussen de vereffening van een nalatenschap en de vereffening van de nagenoeg steeds deficitaire boedel van een failliet verklaarde schuldenaar, welk verschil in karakter ook heeft geleid tot opneming van lid 4 in artikel 4:218 BW Pro. Voor zover dit verschil in karakter dat nodig maakt, moet dus worden afgezien van overeenkomstige toepassing van bepalingen van de Faillissementswet.
3.2.5.
In een faillissement wordt het salaris van de curator vastgesteld door de rechtbank. Inmenging van derden, bijvoorbeeld schuldeisers van de failliete boedel of de gefailleerde zelf, bij de vaststelling van het salaris is uitgesloten. Zij zijn geen belanghebbende en worden dus niet bij de vaststelling betrokken en zij kunnen dus ook geen rechtsmiddel instellen tegen de salarisvaststelling. Met andere woorden, derden zoals schuldeisers van de failliete boedel of de gefailleerde zelf hebben geen invloed op de hoogte van het salaris van de curator. Er is zelfs geen verplichting om de gefailleerde en de schuldeiser(s) te horen. De kantonrechter verwijst in dit verband naar de beschikking van de Hoge Raad van 19 januari 1990 (NJ 1991, 213) naar aanleiding van een vordering tot cassatie in het belang der wet.
3.2.6.
De kantonrechter heeft geen aanknopingspunt gevonden op basis waarvan kan of moet worden aangenomen dat de wetgever wat betreft het karakter van de beschikking waarbij de kantonrechter het loon van de vereffenaar vaststelt, een andere opvatting heeft dan geldt voor de vaststelling van het loon van de curator. In het faillissementsrecht geldt dat een schuldeiser in verzet kan komen tegen de uitdelingslijst, maar hij kan ook in deze procedure niet opkomen tegen het aan de curator toegekende salaris. Dit in weerwil van hetgeen in de beschikking van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1967) is overwogen en geoordeeld in het kader van het belanghebbende begrip en waar in de literatuur naar wordt verwezen ter onderbouwing van het standpunt dat erfgenamen in zaken zoals deze belanghebbenden zijn.
3.2.7.
Gelet hierop en op de bepaling in lid 5 van artikel 4:218 BW Pro, betekent dit dat ook in een erfrechtelijke verzetprocedure, waarin door belanghebbenden (zoals erfgenamen) kan worden opgekomen tegen de rekening en verantwoording en / of de uitdelingslijst, niet kan worden opgekomen tegen het door de kantonrechter vastgestelde loon van de vereffenaar. De situatie waarin, vanwege het verschil in karakter tussen de vereffening van een nalatenschap en de vereffening van de failliete boedel, moet worden afgezien van overeenkomstige toepassing van de bepalingen van de Faillissementswet, doet zich niet voor. Immers ook in zaken waarin een nalatenschap wordt vereffend, doet zich de situatie voor waarin mogelijk een spanningsveld bestaat tussen de vereffenaar en de erfgenamen in die zin dat de vereffenaar de belangen van de schuldeisers dient en deze niet per definitie parallel zijn aan de belangen van de erfgenamen (behoudens het geval waarin de erfgenaam tevens schuldeiser is van de nalatenschap). De wetsgeschiedenis bevat geen aanknopingspunt om te veronderstellen dat de wetgever desondanks heeft beoogd dat in de erfrechtelijke verzetprocedure door schuldeisers en / of erfgenamen wél tegen het door de kantonrechter vastgestelde loon van de vereffenaar kan worden opgekomen.
3.2.8.
In de literatuur is erop gewezen dat de wetgever in artikel 4:218 BW Pro heeft bepaald dat belanghebbenden in verzet kunnen komen, zodat anders dan in het faillissementsrecht de kring van personen die in verzet kan komen dus niet is beperkt tot schuldeisers en ook erfgenamen in verzet kunnen komen tegen de rekening en verantwoording of de uitdelingslijst. Deze omstandigheid acht de kantonrechter echter onvoldoende om, in weerwil van hetgeen uit lid 5 volgt, aan te nemen dat in de erfrechtelijke verzetprocedure wél kan worden opgekomen tegen het loon van de vereffenaar. Dit doet immers niet af aan het gelijksoortig karakter op dit punt van de vereffening van een failliete boedel en de vereffening van een nalatenschap.
3.2.9.
In het verlengde hiervan bestaat ook geen aanleiding om anders te oordelen in het geval waarin het saldo van de nalatenschap positief is. Dan zou immers onderscheid worden gemaakt tussen de vereffening van een nalatenschap met een negatief saldo en de vereffening van een nalatenschap met een positief saldo. Er is geen reden om te veronderstellen dat de wetgever het maken van dit onderscheid opportuun of gerechtvaardigd heeft geacht. Integendeel, ook in een situatie waarin het saldo van de nalatenschap, rekening houdend met loon van de vereffenaar dat als nalatenschapsschuld kwalificeert, negatief is, kan het zo zijn dat dat saldo positief wordt, in het geval met succes op kan worden gekomen tegen het loon van de vereffenaar. Alleen al daarom ligt het niet voor de hand om te veronderstellen dat de wetgever voor ogen heeft gestaan dat in de ene situatie (negatief saldo) niet kan worden opgekomen tegen het loon van de vereffenaar en in de andere situatie (positief saldo) wel.
3.2.10.
De kantonrechter realiseert zich dat in het geval de verweerders in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 14 maart 2018 (ECLI:NL:GHDHA:2018:767) erfgenamen zijn, het oordeel in deze zaak hiervan afwijkt. In de zaak die tot deze uitspraak heeft geleid zijn echter geen overwegingen opgenomen over aan de vraag of erfgenamen in zaken zoals deze belanghebbenden zijn. Ook realiseert de kantonrechter zich dat het oordeel in deze zaak afwijkt van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 juni 2018 ( ECLI:NL:GHDHA:2018:1678) waarin het hof oordeelde dat erfgenamen in zaken zoals deze geen belanghebbenden zijn, maar wel in verzet kunnen komen tegen de uitdelingslijst. Dit lijkt te impliceren dat in de verzetprocedure wel kan worden opgekomen tegen het vereffenaarsloon. De kantonrechter kan evenwel niet vaststellen of het oordeel aldus moet worden begrepen en zo ja, waarop dat oordeel is gegrond.
3.2.11.
Tot slot ziet de kantonrechter onder ogen dat het oordeel in deze zaak afwijkt van de uitspraken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2021 (ECLI:NL:GHSHE:2021:922) en 26 oktober 2023 (ECLI:NL:GHSHE:2023:3542), waarin wordt geoordeeld dat het vereffenaarsloon wel in de verzetprocedure ter discussie kan worden gesteld. In de eerste uitspraak oordeelt het hof
“(…) dat verzet tegen het salaris van de curator niet ontvankelijk is. Het hof is van oordeel dat dit niet per sé ook geldt voor het loon van een vereffenaar, gezien het verschil tussen faillissement (als van openbare orde) enerzijds en de vereffening van een particuliere nalatenschap en de in dat kader geldende regels, als hieronder ook nog te noemen, anderzijds. (…).”Dit lijkt zich evenwel niet goed te verdragen met het zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing zijn van de bepalingen die in het faillissementsrecht gelden voor de verzetprocedure.
3.2.12.
In de tweede uitspraak oordeelt het hof, onder verwijzing naar eerstgenoemde uitspraak en naar Asser/Perrick, 4 2021, paragraaf 611a, eveneens dat het vereffenaarsloon wel in een verzetprocedure ter discussie kan worden gesteld. Hoewel de kantonrechter de visie van Perrick, inhoudend dat hetgeen de erfgenamen toekomt wordt bepaald door de hoogte van het loon van de vereffenaar, onderschrijft en het juist is dat de erfgenamen in zoverre rechtstreeks in hun rechten worden geraakt, staat hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld over de faillisementsrechtelijke verzetprocedure en de toepasselijkheid daarvan eraan in de weg om de erfgenamen als belanghebbenden aan te merken. Immers ook voor de schuldeisers van een failliete boedel geldt dat de hoogte van het salaris van de curator van invloed kan zijn op hetgeen hen toekomt.
3.2.13.
De kantonrechter heeft de erfgenamen daarom niet aangemerkt als belanghebbenden in deze zaak. In het verlengde hiervan hebben zij geen verweer kunnen voeren tegen toewijzing van het verzoek en kunnen zij geen rechtsmiddel instellen tegen deze beschikking althans ligt het in de rede dat zij alsdan niet-ontvankelijk hierin worden verklaard. Wel heeft de kantonrechter, nu gelet op de inhoud van de e-mailberichten van Sjoukje toch een mondelinge behandeling was bepaald om dit onderwerp met de erfgenamen te bespreken, de erfgenamen als informant gehoord. Zoals afgesproken tijdens de mondelinge behandeling zal de vereffenaar de erfgenamen, die hebben laten weten dat zij daarop prijs stellen, ter kennisname een kopie van deze beschikking doen toekomen.
Inhoudelijk oordeel
3.3.
De vereffenaar verzoekt om zijn loon vast te stellen op een bedrag van € 22.195,83 exclusief btw. Het gaat daarbij om het loon voor werkzaamheden die zijn uitgevoerd in de periode van 24 december 2024 tot en met 28 januari 2026, inclusief 4% kantoorkosten. De kantonrechter gaat ervan uit dat met dit laatste wordt gedoeld op de niet-gespecificeerde verschotten zoals bedoeld in artikel 6.6 van de Recofa-richtlijn.
3.4.
De door de vereffenaar gehanteerde basisuurtarieven over de jaren 2024 en 2025 van respectievelijk € 252,89 exclusief btw en € 267,05 exclusief btw en zijn ervaringsfactor van 1,6 zijn in overeenstemming met de Recofa-richtlijn. Echter, de kantonrechter constateert dat van het totaal aantal van 50,17 uur, 6 uren gewerkt zijn in 2024, zodat daarvoor met toepassing van factor 1,6 het in 2024 geldende tarief dient te worden gehanteerd. De in 2025 gewerkte uren bedragen 44,17 uur. Daar komt bij dat overeenkomstig artikel 6.4. sub g van deze richtlijn dient de vereffenaar de werkzaamheden, met inachtneming van de moeilijkheidsgraad daarvan, zodanig over hemzelf, zijn kantoorgenoten en de medewerkers in te delen dat deze werkzaamheden tegen het laagst mogelijke uurtarief worden verricht. Op die wijze wordt bereikt dat de ten laste van de boedel te brengen loonkosten in omvang zo beperkt mogelijk blijven, hetgeen in het belang is van eventuele schuldeisers en de erfgenamen. Gelet hierop en op de inhoud van de urenspecificatie ziet de kantonrechter aanleiding om wat betreft de in 2025 uitgevoerde werkzaamheden voor 14,72 uur factor 0,4 te hanteren en voor 29,45 uur factor 1,6, telkens met toepassing van het hiervoor genoemde uurtarief in 2025 van € 267,05 (exclusief btw).
3.5.
In de door hem overgelegde urenstaat heeft de vereffenaar voor het overige op deugdelijke wijze inzicht gegeven in de door hem uitgevoerde werkzaamheden en de daaraan bestede tijd, een en ander op de manier die volgt uit de Recofa-richtlijn. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de vereffenaar desgevraagd nog een toelichting gegeven op een aantal door hem verrichte werkzaamheden, waaronder de verdeling van de inboedelgoederen en werkzaamheden met betrekking tot de kluis en het aangetroffen pistool in de woning van erflaatster.
3.6.
De kantonrechter zal het loon van de vereffenaar over de periode van 24 december 2024 tot en met 28 januari 2026 aldus vaststellen op een bedrag van € 17.246,87 exclusief btw (€ 20.868,71 inclusief btw). Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
stelt het vereffenaarsloon over de periode van 24 december 2024 tot en met 28 januari 2026 vast op een bedrag van € 17.246,87 exclusief btw (€ 20.868,71 inclusief btw),
4.2.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.