Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
2.De verdere beoordeling
- griffierecht € 87,00
- salaris advocaat
Rechtbank Limburg
In deze civiele bodemzaak tussen buren over de plaatsing van een erfafscheiding en de vaststelling van de erfgrens heeft de rechtbank Limburg op 8 juli 2026 uitspraak gedaan.
De rechtbank stelde vast dat partijen het eens zijn over een vordering en dat de kadastrale erfgrens vastgesteld moest worden. Een deskundige voerde een grensreconstructie uit, waarvan de bevindingen niet werden betwist. De eiseres vorderde dat de gedaagde medewerking verleent aan het plaatsen van een erfafscheiding op de erfgrens, waarbij de kosten gelijk verdeeld worden. De gedaagde betwistte dit, stellende dat de erfafscheiding het gebruik van het verticale pad en de poort zou belemmeren.
De rechtbank oordeelde dat de eiseres recht en belang heeft bij de erfafscheiding op grond van artikel 5:49 BW Pro, gericht op privacybescherming. De erfafscheiding moet ondoorzichtig zijn en maximaal twee meter hoog. De plaatsing moet conform een schets gebeuren die rekening houdt met de erfdienstbaarheden en de toegang tot de brandgang en trap, waarbij de voormalige eigenaar bereid is aanpassingen op eigen kosten te verrichten. De gedaagde is veroordeeld tot medewerking en betaling van de helft van de kosten na plaatsing. Tevens is de gedaagde verboden het perceel van de eiseres te betreden buiten de erfdienstbaarheden, onder dwangsom. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen. De gedaagde is veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot medewerking aan plaatsing van een erfafscheiding op de erfgrens en tot betaling van de helft van de kosten, en verbiedt betreding van het perceel van de eiseres buiten erfdienstbaarheden.