ECLI:NL:RBLIM:2026:6057

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
24 juni 2026
Zaaknummer
C/03/328702 HA ZA 24-135
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Noelmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:49 BWArt. 3:13 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot plaatsing erfafscheiding en vaststelling erfgrens tussen buren

In deze civiele bodemzaak tussen buren over de plaatsing van een erfafscheiding en de vaststelling van de erfgrens heeft de rechtbank Limburg op 8 juli 2026 uitspraak gedaan.

De rechtbank stelde vast dat partijen het eens zijn over een vordering en dat de kadastrale erfgrens vastgesteld moest worden. Een deskundige voerde een grensreconstructie uit, waarvan de bevindingen niet werden betwist. De eiseres vorderde dat de gedaagde medewerking verleent aan het plaatsen van een erfafscheiding op de erfgrens, waarbij de kosten gelijk verdeeld worden. De gedaagde betwistte dit, stellende dat de erfafscheiding het gebruik van het verticale pad en de poort zou belemmeren.

De rechtbank oordeelde dat de eiseres recht en belang heeft bij de erfafscheiding op grond van artikel 5:49 BW Pro, gericht op privacybescherming. De erfafscheiding moet ondoorzichtig zijn en maximaal twee meter hoog. De plaatsing moet conform een schets gebeuren die rekening houdt met de erfdienstbaarheden en de toegang tot de brandgang en trap, waarbij de voormalige eigenaar bereid is aanpassingen op eigen kosten te verrichten. De gedaagde is veroordeeld tot medewerking en betaling van de helft van de kosten na plaatsing. Tevens is de gedaagde verboden het perceel van de eiseres te betreden buiten de erfdienstbaarheden, onder dwangsom. De vorderingen in reconventie zijn afgewezen. De gedaagde is veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot medewerking aan plaatsing van een erfafscheiding op de erfgrens en tot betaling van de helft van de kosten, en verbiedt betreding van het perceel van de eiseres buiten erfdienstbaarheden.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/328702 / HA ZA 24-135
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. A.L. Stegeman,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 22 oktober 2025.
- de conclusie na deskundigenbericht, tevens akte wijziging van eis van [de vrouw] van 11 februari 2026,
- de conclusie na deskundigenrapport van [de man] van 11 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

Wat er vooraf ging aan het deskundigenbericht en het deskundigenbericht zelf
2.1.
Bij tussenvonnis van 18 juni 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat partijen het eens zijn over vordering 1 in conventie en dat deze bij eindvonnis zal worden toegewezen. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat het beroep op verkrijgende verjaring van het verticale pad door [de man] niet slaagt en dat de daarop betrekking hebbende vordering in reconventie bij eindvonnis zal worden afgewezen. Daarnaast heeft de rechtbank bepaald dat de kadastrale erfgrens tussen de percelen van partijen dient te worden vastgesteld, alvorens de vordering van [de vrouw] met betrekking tot het plaatsen van een erfafscheiding verder beoordeeld kan worden, omdat over de ligging van die grens tussen partijen discussie bestaat.
2.2.
Op 26 november 2025 heeft de heer [deskundige] , landmeter specialist grensreconstructie (hierna: “de deskundige) de grensreconstructie uitgevoerd. De deskundige heeft de grens ter plaatse als volgt aangewezen:
“Grens is aangegeven met midden tussenmuur (en verlengde richting [straat] ) op voor- en achtergevel aangegeven met krijtmerk, midden trap (nader aangeduid met 2 verfmerken), 1 ijzeren buis en 2 meetspijkers.”
De kadastrale grens is door de deskundige met een rode stippellijn aangegeven op het hieronder weergegeven relaas van bevindingen:
[afbeelding geanonimiseerd]
2.3.
De inhoud van het deskundigenbericht is door beide partijen op dit punt niet ter discussie gesteld, zodat de rechtbank van de bevindingen van de deskundige uitgaat.
De erfafscheiding
2.4.
[de vrouw] heeft gevorderd dat [de man] veroordeeld wordt om medewerking te verlenen tot het plaatsen van een erfafscheiding op de erfgrens voor zover deze erfafscheiding de erfdienstbaarheden zoals gevestigd in de notariële akte van 22 juli 1998, niet belemmert en waarvan de kosten bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Bij conclusie na deskundigenbericht, tevens akte wijziging van eis heeft [de vrouw] daaraan toegevoegd dat [de man] ook veroordeeld moet worden om ‘zijn bijdrage’ (bedoeld is: de helft van de kosten van de erfafscheiding) aan [de vrouw] te betalen, binnen 10 dagen nadat [de vrouw] de opdracht tot plaatsing heeft verstrekt.
2.5.
[de vrouw] beroept zich op artikel 5:49 lid 1 BW Pro en stelt dat zij recht en belang heeft bij een dergelijke erfafscheiding. Bij conclusie na deskundigenbericht, tevens akte vermeerdering van eis, heeft [de vrouw] toegelicht dat het gebruik van het eigen erf van en door [de man] niet of nauwelijks belemmerd zal worden door plaatsing van een erfafscheiding op de erfgrens. Wel heeft [de vrouw] twee varianten voorgesteld (‘schets A’ en ‘schets B’), die ten aanzien van het gebruik van de poort naar de brandgang van elkaar afwijken.
2.6.
[de man] heeft de vordering van [de vrouw] op diverse gronden betwist. [de man] stelt, in de kern, dat het plaatsen van een erfafscheiding op de erfgrens betekent dat de trap, het (verticale) pad, de poort en de brandgang feitelijk onbereikbaar worden voor hem.
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat [de vrouw] recht en belang heeft bij haar vordering tot oprichting van een erfafscheiding. Op grond van het bepaalde in artikel 5:49 BW Pro kan immers iedere eigenaar van aangrenzende erven te allen tijde vorderen dat de andere eigenaar ertoe meewerkt dat op grond van de erven een scheidsmuur van twee meter hoogte wordt opgericht en dat de eigenaars in de kosten van die erfafscheiding voor gelijke delen bijdragen. [de vrouw] heeft haar belang voldoende onderbouwd met een beroep op haar privacy en dat is precies in welk doel het bepaalde in artikel 5:49 BW Pro voorziet, de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer over en weer. De rechtbank merkt daarbij op dat artikel 5:49 BW Pro spreekt over ‘een scheidsmuur van twee meter hoogte’. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet per definitie dat die muur uit steen opgetrokken moet zijn, maar veeleer dat het om een ondoorzichtige afsluiting moet gaan. Een houten schutting van twee meter hoog voldoet bijvoorbeeld ook aan dat criterium.
2.8.
De volgende vraag die beantwoord moet worden, is waar de erfafscheiding exact geplaatst dient te worden. Het uitgangspunt is dat de erfafscheiding, zoals door [de vrouw] ook gevorderd, op de erfgrens geplaatst wordt. Zij wordt alsdan gemeenschappelijk eigendom van partijen. De rechtbank stelt voorop dat al bij tussenvonnis van 18 juni 2025 geoordeeld is dat geen erfdienstbaarheid door bevrijdende verjaring is ontstaan met betrekking tot het verticale pad. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om op die beslissing terug te komen. Het gevolg daarvan is dat aan [de man] geen rechten toekomen met betrekking tot het gebruik van het verticale pad. Voorts mag de erfafscheiding, zoals door [de vrouw] zelf ook gevorderd, niet de erfdienstbaarheden, zoals gevestigd in de notariële akte van 22 juli 1998 belemmeren. De erfafscheiding moet worden geplaatst op de wijze, zoals door [de vrouw] weergegeven in ‘schets A’ (bijlage A bij conclusie na deskundigenbericht). Weliswaar voert [de man] terecht aan dat hij daardoor geen gebruik meer van de poort naar de brandgang kan maken, maar dat probleem wordt in voldoende mate verholpen nu [de vrouw] onvoorwaardelijk heeft medegedeeld dat de voormalige eigenaar ( [persoon] ) bereid is op eigen kosten vanaf het perceel van [de man] een nieuwe poort naar de brandgang te realiseren. Op die wijze is de brandgang voor [de man] wel toegankelijk. Er resteert dan nog de vraag of het gebruik van de trap door de op te richten erfafscheiding belemmerd wordt, zoals [de man] aanvoert. De rechtbank is van oordeel dat dit ook niet het geval is. Weliswaar zal de erfafscheiding het deel van de trap waar [de man] gebruik van kan maken smaller maken, maar aan dit bezwaar wordt in voldoende mate tegemoet gekomen gelet op de toezegging van [persoon] . Ook hier heeft [de vrouw] immers onvoorwaardelijk laten weten dat [persoon] bereid is op haar kosten de trap te verbreden.
2.9.
[de man] heeft voorts betoogd dat de vordering van [de vrouw] tot plaatsing van een erfafscheiding te vaag geformuleerd is, nu geen specificaties van die erfafscheiding zijn overgelegd en daarmee in feite een carte blanche aan [de vrouw] bij toewijzing gegeven zou worden. De rechtbank passeert het bezwaar van [de man] . Hiervoor heeft de rechtbank reeds uiteengezet op welke plaats de erfafscheiding moet komen te staan en aan welke specificaties (ondoorzichtig, maximale hoogte twee meter) de erfafscheiding in ieder geval dient te voldoen. Van een carte blanche is bovendien geen sprake nu [de vrouw] niet van de op grond van artikel 5:49 BW Pro bestaande bevoegdheid misbruik (in de zin van artikel 3:13 BW Pro) mag maken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het de voorkeur verdient dat partijen, voordat tot plaatsing van een erfafscheiding overgegaan wordt, op zijn minst nog een poging doen om samen tot nadere afspraken te komen over het te gebruiken materiaal, de kleur en de kosten van een te plaatsen erfafscheiding. Mocht het voor partijen niet mogelijk zijn daarover nadere overeenstemming te bereiken, dan is [de vrouw] gerechtigd die specificaties, met inachtneming van het voorgaande, te kiezen en blijft [de man] gehouden om de helft van de met de plaatsing van de erfafscheiding gemoeide kosten te voldoen, zoals ook volgt uit artikel 5:49 BW Pro. Dit deel van het gevorderde zal daarom worden toegewezen. Wel zal de rechtbank in het dictum ‘zijn bijdrage’ verduidelijken in ‘de helft van de kosten van plaatsing van deze erfafscheiding’ en aan betaling door [de man] de voorwaarde verbinden dat deze eerst betaald moet worden tien dagen nadat de erfafscheiding geplaatst is én nadat de gehele factuur door [de vrouw] aan een in te schakelen derde is voldaan (en dus niet, zoals gevorderd, al na opdrachtverstrekking door [de vrouw] aan die derde).
2.10.
Nu reeds geoordeeld is dat de vordering onder 1 in reconventie zal worden afgewezen, vloeit daaruit logischerwijs voort dat de vordering onder 2 in reconventie hetzelfde lot ondergaat. Dat betekent ook dat de voorwaarde, verbonden aan de vordering onder II in conventie, niet in vervulling gaat, zodat op die vordering niet meer beslist hoeft te worden.
Verbod tot betreden van het perceel van [de vrouw]
2.11.
Uit de processtukken blijkt dat deze vordering vooral betrekking heeft op het gebruik van het verticale pad door [de man] . Hiervoor is reeds geoordeeld dat [de man] geen recht van erfdienstbaarheid met betrekking tot het verticale pad toekomt, zodat deze vordering kan worden toegewezen. Wel zal de rechtbank de gevorderde dwangsom matigen tot het bedrag als in het dictum bepaald.
De beveiligingscamera’s
2.12.
Tijdens de descente en mondelinge behandeling is vast komen te staan dat er geen camera’s hangen op het perceel van [de man] . Nadien heeft de rechtbank ook niet anderszins vernomen. De rechtbank is van oordeel dat reeds daarom de vordering van [de vrouw] tot het verwijderen en verwijderd houden van beveiligingscamera’s die het perceel van [de vrouw] filmen, moet worden afgewezen, omdat een belang van [de vrouw] daarbij ontbreekt.
Proceskosten in conventie en in reconventie
2.13.
[de man] zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in conventie, in de proceskosten worden veroordeeld. Nu [de vrouw] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [de man] niet worden veroordeeld tot betaling van de betekeningskosten van de dagvaarding. De kosten van [de vrouw] worden begroot op:
  • griffierecht € 87,00
  • salaris advocaat
Totaal € 1.719,50
Deze kosten worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover als in het dictum bepaald.
2.14.
Omdat een bedrag van € 540,00 voor het loon van de deskundige door de griffier uit de Rijkskas is betaald en voorlopig in debet is gesteld, zal [de man] worden veroordeeld om dit bedrag aan de griffier te voldoen.
2.15.
[de man] zal tevens als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie worden veroordeeld. Nu het verweer in conventie in zekere mate samenhangt met de vorderingen in reconventie, zal de rechtbank de proceskosten in reconventie halveren. De kosten van [de vrouw] worden begroot op (2,0 punt x € 653,00 x 0,5 =) € 653,00.
2.16.
De rechtbank zal [de man] veroordelen in de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, op de wijze als in het dictum vermeld.

3.De beslissing

De rechtbank
In conventie
3.1.
verklaart voor recht dat het voetpad zoals vermeld onder de omschrijving van erfdienstbaarheid ‘B’ in de notariële akte van 22 juli 1998 de brandgang betreft zoals rood gearceerd op pagina 3 van de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie,
3.2.
veroordeelt [de man] om zijn medewerking te verlenen tot het plaatsen van een door [de vrouw] te kiezen erfafscheiding op de erfgrens conform schets ‘A’ (bijlage A bij conclusie na deskundigenbericht, tevens wijziging van eis), voor zover deze erfafscheiding de erfdienstbaarheden zoals gevestigd in de notariële akte van 22 juli 1998 niet belemmert en waarvan de kosten bij helfte tussen partijen worden verdeeld, met veroordeling van [de man] om de helft van de kosten van plaatsing van deze erfafscheiding aan [de vrouw] te betalen, binnen tien dagen nadat de erfafscheiding geplaatst is én nadat de gehele factuur door [de vrouw] aan een in te schakelen derde is voldaan,
3.3.
verbiedt [de man] om zonder toestemming van [de vrouw] het perceel van [de vrouw] te betreden, voor zover het het perceel betreft buiten de erfdienstbaarheden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 5.000,00,
3.4.
veroordeelt [de man] in de proceskosten van € 2.259,50, waarvan:
- te voldoen aan de griffier € 540,00 aan in debet gestelde deskundigenkosten, nadat [de man] daarvoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak heeft ontvangen, en te betalen binnen de daarvoor op de nota gestelde termijn,
- te voldoen aan [de vrouw] € 1.719,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, en indien niet binnen de gestelde termijn is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening,
3.5.
verklaart de beslissingen onder 3.2, 3.3 en 3.4 uitvoerbaar bij voorraad,
3.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
In reconventie
3.7.
wijst de vorderingen af,
3.8.
veroordeelt [de man] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [de vrouw] begroot op een bedrag van € 653,00,
3.9.
verklaart de beslissing onder 3.8 uitvoerbaar voorraad,
In conventie en in reconventie
3.10.
veroordeelt [de man] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 296,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [de man] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 98,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
3.11.
verklaart de beslissing onder 3.10 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Noelmans en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.