ECLI:NL:RBLIM:2026:6148

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
C/03/345267 HA ZA 25-395
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:185 lid 1 BWArt. 3:185 lid 2 BWArt. 3:300 lid 2 BWArt. 5 lid 5 samenlevingsovereenkomstArt. 7 samenlevingsovereenkomst
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling woning en financiële afwikkeling tussen ex-samenwoners na relatiebreuk

Partijen, ex-samenwoners met twee minderjarige kinderen, hebben gezamenlijk een woning gekocht en een hypothecaire geldlening afgesloten. Na de relatiebreuk in oktober 2023 verliet de vrouw de woning, waarna de man de woning bleef bewonen en de sloten verving.

De vrouw vordert toedeling van de woning aan de man met betaling van haar aandeel in de overwaarde, terwijl de man in reconventie eveneens toedeling van de woning aan zichzelf vordert met vrijwaring van de vrouw voor de hypotheekschuld. De rechtbank behandelt de vorderingen gezamenlijk en stelt vast dat de woning aan de man wordt toegewezen tegen de getaxeerde waarde van €415.000, mits hij de helft van de overwaarde aan de vrouw betaalt.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw indirect heeft meegefinancierd aan de aflossing van een privéschuld van de man en veroordeelt hem tot betaling van €6.070,14 aan haar. Vorderingen van de man tot betaling van kinderopvangkosten en bijdrage in rentelasten worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. De inboedel wordt aan de man toegewezen met een overbedelingsvergoeding van €3.000 aan de vrouw. De proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De woning wordt aan de man toegewezen onder voorwaarde van betaling van de helft van de overwaarde aan de vrouw, met aanvullende vergoedingen en afwijzing van overige vorderingen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/345267 / HA ZA 25-395
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
[de vrouw],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. R. Engwegen,
tegen
[de man],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. M.M. van der Marel.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026
- de akte uitlaten tevens houdende akte voorwaardelijke vermeerdering van eis van [de vrouw]
- de akte uitlaten tevens houdende akte vermeerdering van eis van [de man]
- de antwoordakte van [de vrouw] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit die relatie zijn twee thans minderjarige kinderen geboren.
2.2.
Partijen zijn gaan samenwonen in de woning, gelegen aan het [adres] te [plaats 2] (hierna: de woning). De woning was op dat moment volledig in eigendom van [de man] .
2.3.
Op 3 oktober 2022 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten en is [de vrouw] mede-eigenaar geworden van de woning. Partijen hebben daartoe op 3 oktober 2022 een (nieuwe) hypothecaire geldlening afgesloten, verstrekt door de Rabobank. De hypothecaire geldlening is opgesplitst in vier delen, welke alle vier een annuïteitenhypotheek betreft. De restanthoofdsom van de delen bedroeg op 1 juli 2024 respectievelijk € 2.272,90, € 10.405,75, € 193.545,09 en € 44.223,85 (totaal op 1 juli 2024: € 250.447,59).
2.4.
Vóór het afsluiten van de gezamenlijke hypotheek heeft [de man] een auto gekocht en hiervoor een lening afgesloten. Zowel de auto als de lening stonden op naam van [de man] . Op 4 oktober 2022 is het openstaande bedrag van die lening ter hoogte van € 12.140,27 afgelost met een deel van de gelden die zijn verstrekt in het kader van de hypothecaire geldlening.
2.5.
De relatie is in oktober 2023 verbroken. [de vrouw] heeft de woning verlaten. [de man] is in de woning achtergebleven en heeft de sloten vervangen.
2.6.
Sinds 1 juli 2024 betaalt [de man] alle lasten verbonden aan de woning.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[de vrouw] vordert na eiswijziging dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de onroerende zaak, gelegen te [plaats 2] aan de [adres] tegen een door de rechtbank te benoemen taxateur vastgestelde waarde aan [de man] zal toedelen evenals de hypothecaire geldlening, en [de man] zal veroordelen om gelijktijdig met de goederenrechtelijke levering van de woning de helft van de overwaarde, becijferd uitgaande van de stand van de hypothecaire geldlening op 1 juli 2024 en uitgaande van het vergoedingsrecht zijdens [de man] van € 128.000,00, aan [de vrouw] te voldoen;
II. voor zover het voor [de man] niet mogelijk blijkt om de woning toebedeeld te krijgen alsook in het geval overname niet binnen drie maanden na de datum van dit vonnis is gerealiseerd, [de man] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop en levering van de woning, staande en gelegen te [plaats 2] aan de [adres] , via een door de kopende partij aan te wijzen notaris, waarbij onder verkoop mede moet worden begrepen het aanstellen van een in onderling overleg te bepalen makelaar, het toelaten van deze makelaar en gegadigden voor bezichtigingen tot de woning en het ondertekenen van de verkoopopdracht aan de makelaar, de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte door [de man] ;
III. zal bepalen dat, indien [de man] niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking als bedoeld onder II heeft verleend, dit vonnis in de plaats treedt van zijn handtekening op:
- de verkoopopdracht aan de makelaar;
- de koopovereenkomst voor de minimaal door de makelaar geadviseerde laatprijs;
- de notariële leveringsakte;
IV. zal bepalen dat [de man] een dwangsom verbeurt van € 500,00, althans een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of gedeelte hiervan dat hij de makelaar en gegadigden voor bezichtigingen niet tot de woning toelaat;
V. zal bepalen dat met de verkoopopbrengst de hypothecaire geldlening wordt afgelost, het vergoedingsrecht van [de man] van € 128.000,00 aan hem wordt voldaan, waarna aan [de vrouw] de helft van de overwaarde, uitgaande van de stand van de hypothecaire geldlening op 1 juli 2024 toekomt en het restant van de overwaarde aan [de man] toekomt;
VI. [de man] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis het bedrag van € 6.070,14 aan [de vrouw] zal voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag;
VII. de inboedel aan [de man] zal toedelen en [de man] zal veroordelen om uit hoofde van overbedeling een overbedelingsvergoeding van € 4.000,00 aan [de vrouw] zal voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag
VIII. indien de rechtbank van oordeel is dat [de vrouw] de helft van de rentelasten vanaf 1 juli 2024 dient te voldoen: [de man] zal veroordelen om met ingang van 1 juli 2024, althans met ingang van een goede justitie te bepalen ingangsdatum, een gebruiksvergoeding aan [de vrouw] te voldoen van € 38,07 per maand, althans [de man] zal veroordelen om een in goede justitie te bepalen gebruiksvergoeding aan [de vrouw] te voldoen.
3.2.
[de man] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.4.
[de man] vordert na eiswijziging dat de rechtbank bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de woning, gelegen aan [plaats 2] aan de [adres] , aan [de man] toe te delen tegen de waarde op peildatum 1 juli 2024, begroot op € 399.000,- althans te begroten op een bedrag in goede justitie te bepalen, althans tegen de waarde op een peildatum in goede justitie te bepalen, onder de verplichting voor [de man] om de daarop rustende hypothecaire geldlening(en) voor zijn rekening te nemen en [de vrouw] te vrijwaren voor iedere aansprakelijkheid daarvoor;
in het geval de rechtbank oordeelt dat de woning aan [de man] toebedeeld dient te worden tegen de waarde op een peildatum in goede justitie te bepalen: dat [de vrouw] wordt veroordeeld tot betaling aan [de man] van een bedrag gelijk aan de helft van de door [de man] betaalde aan de woning verbonden lasten, althans een bedrag gelijk aan de helft van de lasten verbonden aan de hypothecaire geldlening vanaf 1 juli 2024 tot aan de peildatum;
[de vrouw] te veroordelen tot het verlenen van haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de levering (toebedeling) van de woning aan [de man] , waaronder begrepen het meewerken aan de notariële akte van verdeling, binnen 5 dagen na betekening van de beschikking;
te bepalen dat, indien [de vrouw] haar medewerking aan de notariële levering niet verleent binnen de hiervoor genoemde termijn, deze beschikking in de plaats zal treden van die medewerking, als bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW Pro;
[de vrouw] te veroordelen tot het verlenen van haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de ontslagprocedure uit de hoofdelijke aansprakelijkheid bij de hypotheekverstrekker, en daartoe alle noodzakelijke documenten zal ondertekenen;
[de vrouw] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.789,89 aan [de man] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis.
3.5.
[de vrouw] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk behandeld.
Verdeling
4.2.
Partijen vorderen over en weer verdeling van de eenvoudige gemeenschappen. De wet kent drie wijzen van verdeling, te weten toedeling van een gedeelte van het goed aan ieder der deelgenoten, toedeling aan één deelgenoot tegen vergoeding van de overwaarde of verkoop aan een derde en verdeling van de netto-opbrengst (artikel 3:185 lid 2 BW Pro).
4.3.
Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat wanneer de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling daarvan kunnen bereiken, zoals hier het geval is, de rechter op grond van artikel 3:185 lid 1 BW Pro de wijze van verdeling kan gelasten of zelf de verdeling kan vaststellen. Daarbij moet naar billijkheid rekening worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid. De rechtbank is niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben gevorderd, en hoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren. De rechtbank zal in het navolgende per onderdeel de (wijze van) verdeling vaststellen.
De woning
4.4.
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan [de man] wordt toebedeeld, mits [de man] in staat is de woning over te nemen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen afspraken gemaakt over de taxatie van de woning. De woning is op waardepeildatum 21 maart 2026 door [makelaar] getaxeerd op een bedrag van € 415.000,-. Partijen zijn het er over eens dat de woning voor dat bedrag aan [de man] kan worden toebedeeld.
4.5.
De rechtbank zal de woning aan [de man] toebedelen tegen de hiervoor genoemde waarde onder de voorwaarde dat hij in staat is om de helft van het deel van de overwaarde dat aan [de vrouw] en [de man] gezamenlijk toekomt aan [de vrouw] te voldoen. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning derhalve vaststellen zoals vermeld in het dictum.
4.6.
Partijen zijn over en weer verplicht de noodzakelijke rechtshandelingen te verrichten om de hiervoor genoemde wijze van verdeling te effectueren. De in het dictum bepaalde wijze van verdeling bevat daartoe voldoende prikkels. Voor het opleggen van een dwangsom voor het geval [de man] niet meewerkt is, nu bepaald zal worden dat in dat geval dit vonnis in de plaats zal treden van de noodzakelijke instemmende wilsverklaring van [de man] , geen grond. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
Verdeling overwaarde
4.7.
In de samenlevingsovereenkomst zijn partijen over de verdeling van de overwaarde het volgende overeengekomen:
VERREKENING MEERWAARDE WONING
1.
De woning gelegen te [plaats 2] , [adres] is vanaf heden eigendom van de comparanten gezamenlijk, ieder voor de helft. De woning was eerder enkel eigendom van de comparant sub 1.
De waarde van de woning bedraagt per heden driehonderdvijfentachtigduizend euro (€ 385.000,00). Op gemelde woning rust per heden een hypothecaire geldlening van tweehonderdzevenenvijftigduizend euro (€ 257.000,00).
2.
Op grond van bovenstaande waarde bedraagt de huidige overwaarde éénhonderdachtentwintigduizend euro (€ 128.000,00). Gemelde overwaarde is volledig voor de comparant sub 1.
3.
Partijen komen overeen dat bij verkoop van gemelde woning dan wel bij beëindiging van de samenwoning de meerwaarde van de woning minus de hiervoor vastgestelde overwaarde per heden toekomt aan beide partijen, ieder voor de helft, met dien verstande dat bedragen betreffende:
-
Eventuele extra aflossingen op de hypothecaire geldlening gedaan door één partij, of
-
Financiering van een verbouwing, gedaan door één partij
eerst ten goede zullen komen aan de desbetreffende partij die geïnvesteerd heeft, alvorens de overwaarde aan beide partijen ieder voor de helft toekomt.
4.8.
De woning was voorheen uitsluitend eigendom van [de man] . Op 3 oktober 2022 werd [de vrouw] mede-eigenaar van de woning. Op dat moment was sprake van een overwaarde van € 128.000,-. Partijen zijn het erover eens dat van de huidige overwaarde een bedrag van € 128.000,- volledig toekomt aan [de man] . Partijen verschillen van mening over de verdeling van het restant. Volgens [de man] heeft [de vrouw] al een voorschot van € 9.450,- op de overwaarde gehad. [de man] stelt daartoe dat na het omzetten c.q. verhogen van de hypotheek beide partijen een bedrag van € 9.450,- aan (verzilverde) overwaarde hebben ontvangen. [de vrouw] had op dat moment nog geen enkele financiële bijdrage geleverd aan de (aflossing van) de (oude) hypothecaire geldlening en derhalve geen bijdrage gehad aan het realiseren van de overwaarde. Volgens [de man] moet deze uitbetaling aan [de vrouw] gekwalificeerd worden als een voorschot op haar aandeel in de overwaarde. Om die reden komt aan [de man] een vergoedingsrecht ter waarde van dit bedrag toe.
4.9.
[de vrouw] betwist dat zij reeds een voorschot op de overwaarde heeft ontvangen. Beide partijen hebben een bedrag van € 9.450,- ontvangen omwille van de verhoging van de hypothecaire geldlening. Dit betreft dus geen voorschot, aldus [de vrouw] .
4.10.
De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van [de man] dat [de vrouw] al een voorschot zou hebben gehad op de overwaarde. De rechtbank is van oordeel dat die stelling berust op een onjuiste uitleg van het begrip verzilverde overwaarde. Partijen hebben simpelweg een hogere hypothecaire lening afgesloten dan strikt noodzakelijk was voor de financiering van de woning. De extra geleende gelden, waarvoor zij beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn, hebben partijen deels aangewend voor de aflossing van een privéschuld van [de man] (waarover hierna meer) en deels evenredig uitbetaald aan zichzelf. Ieder van partijen heeft op die manier een bedrag van € 9.450,- ontvangen. Echter, dit is geleend geld dat partijen uiteindelijk terug dienen te betalen. Er is dan ook geen sprake van enig voorschot op de overwaarde. Voor de overwaarde die bestond op het moment dat [de vrouw] mede-eigenaar van de woning werd hebben partijen al een regeling getroffen, namelijk dat [de man] een bedrag van € 128.000,- toekomt bij een eventuele verkoop van de woning.
4.11.
Samengevat ziet de verdeling van de overwaarde er als volgt uit. De waarde van de woning is vastgesteld op € 415.000,-. Partijen zijn het er over eens dat voor bepaling van de overwaarde uitgegaan dient te worden van de hypotheekschuld op 1 juli 2024 en dat aflossingen na die datum ten goede komen aan [de man] . De restant hypotheekschuld bedroeg op 1 juli 2024 € 250.447,59. Dat betekent dat de overwaarde € 164.552,41 bedraagt. Van dit bedrag ontvangt [de man] een bedrag van € 128.000,-. Het restant, zijnde een bedrag van € 36.552,41 wordt bij helfte gedeeld.
4.12.
Concreet betekent dit dat wanneer [de man] de woning overneemt, hij aan [de vrouw] een bedrag dient te voldoen van
€ 18.276,20(de helft van 36.552,41).
4.13.
Wanneer de woning wordt verkocht aan een derde, dan zal uit de verkoopopbrengst de hypotheekschuld worden afgelost waarna een bedrag van € 128.000,- aan [de man] zal worden uitbetaald. Aan [de vrouw] komt vervolgens de helft van de resterende overwaarde op basis van de stand van de hypothecaire geldlening op 1 juli 2024 toe. Het deel van de overwaarde dat dan nog resteert komt toe aan [de man] . Wanneer sprake is van een restschuld dienen partijen die schuld voor gelijke delen te dragen.
Afgeloste geldlening i.v.m. aanschaf auto [de man]
4.14.
[de vrouw] vordert betaling van een bedrag van € 6.070,14. Zij stelt daartoe dat voordat partijen hun woning kochten, [de man] een privéschuld had voor de aanschaf van zijn auto. Op 28 september 2022 was het restantbedrag van die schuld € 12.140,27. Deze privéschuld van [de man] is afgelost middels de gemeenschappelijke hypothecaire geldlening. [de vrouw] stelt dat zij heeft meebetaald aan de aflossing van de privéschuld van [de man] , zodat zij een vergoedingsrecht heeft voor de helft van dit bedrag, zijnde € 6.070,14.
4.15.
[de man] betwist dat aan [de vrouw] een vergoedingsrecht van € 6.070,14 toekomt wegens de afgeloste lening voor de auto. [de man] voert daartoe aan dat de aflossing van de lening één dag na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst heeft plaatsgevonden.
Op dat moment had [de vrouw] nog geen enkele bijdrage geleverd aan de kosten verbonden aan de woning en/of aan het aflossen van de hypothecaire geldlening en dus ook niet aan het realiseren van een overwaarde, zodat haar geen vergoedingsrecht toekomt, aldus [de man] .
4.16.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat zij (los van de uitbetaling van een bedrag van € 9.450,- aan ieder) een deel van de hypothecaire geldlening hebben aangewend om de reeds bestaande privéschuld van [de man] voor de aanschaf van de auto van in totaal € 12.140,27 af te lossen. Door het gebruik van de gezamenlijke lening voor aflossing van de privéschuld van [de man] bestond de privéschuld van [de man] vanaf dat moment niet meer, maar enkel de hypothecaire geldlening waarvoor beide partijen hoofdelijk aansprakelijk waren. De auto is steeds eigendom gebleven van [de man] (zie ook artikel 5 lid 5 van Pro de samenlevingsovereenkomst). [de vrouw] heeft dus (indirect) meebetaald aan de aflossing van de privéschuld van [de man] , terwijl hij altijd eigenaar van de auto is geweest en gebleven. Als de schuld niet op deze wijze zou zijn voldaan, dan zou de schuld volledig voor rekening van [de man] zijn gebleven en zou de overwaarde op de woning hoger zijn, zodat [de vrouw] een hoger bedrag uit de overwaarde zou ontvangen. Door gemeenschappelijk geld te gebruiken voor de aflossing van een privéschuld van [de man] heeft [de vrouw] dus (indirect) meebetaald aan een schuld die haar niet aanging, zodat zij recht heeft op vergoeding daarvan (zie ook artikel 7 van Pro de samenlevingsovereenkomst).
4.17.
De rechtbank zal [de man] veroordelen tot betaling van een bedrag van € 6.070,14 aan [de vrouw] .
Aangifte IB 2023
4.18.
[de man] stelt dat met betrekking tot de gezamenlijke aangifte IB 2023 – op grond van onderlinge afspraken – aan [de man] een vergoedingsrecht van € 889,- toekomt vanwege zijn hogere bijdrage aan de hypothecaire lasten.
4.19.
[de vrouw] betwist nog enig bedrag aan [de man] verschuldigd te zijn. [de vrouw] wijst erop dat niet duidelijk is waar het bedrag van € 889,- op is gebaseerd.
4.20.
De rechtbank is van oordeel dat de stelling van [de man] dat hij recht heeft op een bedrag van € 889,- wegens de gezamenlijke aangifte IB 2023 op geen enkele wijze is onderbouwd. [de man] heeft niet gesteld dat en zo ja hoeveel geld partijen van de belastingdienst terug hebben ontvangen. Hij heeft geen enkel stuk met betrekking tot de aangifte en de aanslag IB 2023 overgelegd. [de man] heeft ook niet nader gemotiveerd welke afspraken tussen partijen zouden zijn gemaakt. De enkele e-mail van de boekhouder van 13 mei 2024 waarin deze aangeeft dat volgens zijn berekening op basis van de afspraken die volgens hem zijn gemaakt [de vrouw] in het kader van de teruggave IB 2023 nog € 889,- is verschuldigd aan [de man] is daartoe onvoldoende. Daar komt bij dat de bijlage met de berekening van het bedrag waarnaar de boekhouder verwijst ontbreekt en dat hij bovendien aangeeft dat die berekening alleen geldt als de belastingdienst de aangifte IB volgt. Dat de belastingdienst de aangifte IB heeft gevolgd blijkt nergens uit. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.
Eigenaarslasten en gebruiksvergoeding
4.21.
[de man] vordert veroordeling van [de vrouw] tot betaling van de helft van de aan de woning verbonden lasten aan hem over de periode vanaf 1 juli 2024 tot aan de datum van overname van de woning door [de man] .
4.22.
[de vrouw] betwist dat zij gehouden is de helft van de rentelasten te voldoen nu zij de woning niet heeft bewoond na die datum. Verder wordt voor de berekening van de overwaarde uitgegaan van de stand van de hypothecaire lening op de peildatum 1 juli 2024 zodat aflossingen die na die datum zijn gedaan enkel ten goede komen aan [de man] . Van een vergoedingsrecht voor [de man] is derhalve na 1 juli 2024 geen sprake.
4.23.
De rechtbank overweegt dat [de vrouw] als mede-eigenaar in beginsel gehouden is bij te dragen in de eigenaarslasten die verbonden zijn aan de woning. [de man] heeft echter geen informatie verstrekt over de hoogte van de rentelasten, aflossingen en overige eigenaarslasten, zodat onduidelijk is wat [de man] precies vordert. Nu [de man] met uitsluiting van [de vrouw] het gebruik van de woning heeft gehad acht de rechtbank het redelijk dat hij de rentelasten draagt. Verder overweegt de rechtbank dat partijen voor berekening van de overwaarde uitgaan van de stand van de hypothecaire lening op 1 juli 2024. Dat betekent dat de aflossingen die [de man] heeft gedaan na die datum enkel aan hem ten goede komen, zodat hij geen belang heeft bij vergoeding van de helft daarvan door [de vrouw] . De overbedelingsvordering van [de vrouw] zou dan immers met hetzelfde bedrag verhoogd worden als het bedrag dat zij nu aan [de man] zou moeten betalen. Andere eigenaarslasten worden door [de man] niet gesteld en er zijn ook geen stukken overgelegd waar die uit kunnen worden afgeleid. De vordering van [de man] zal dan ook worden afgewezen.
4.24.
[de vrouw] vordert bij akte eiswijziging van 22 april 2026 voor het geval de rechtbank van oordeel is dat zij wel aan de rentelasten dient bij te dragen dat [de man] wordt veroordeeld om een gebruiksvergoeding voor de woning te betalen vanaf 1 juli 2024, zijnde het moment waarop [de man] de woning met uitsluiting van [de vrouw] heeft bewoond. Nu de rechtbank de vordering van [de man] afwijst behoeft de vordering van [de vrouw] geen nadere bespreking.
Inboedel
4.25.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt over de inboedel. De rechtbank zal dienovereenkomstig de inboedel toebedelen aan [de man] . [de man] dient uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 3.000,- te voldoen aan [de vrouw] .
Kinderopvang
4.26.
[de man] vordert betaling van een bedrag van € 1.789,89 ter zake van gemaakte kosten voor de kinderopvang. Hij verwijst daarvoor naar een beschikking van de afdeling Familie en Jeugd van deze rechtbank van 23 juli 2024 waarin bepaald is dat [de vrouw] moet bijdragen in de kosten van de kinderopvang.
4.27.
[de vrouw] betwist dit echter uitdrukkelijk, nu in de beschikking van 23 juli 2024 nergens staat vermeld dat beide partijen de helft van de kosten van kinderopvang voor hun rekening dienen te nemen. [de vrouw] betwist het betreffende bedrag voorts aan [de man] verschuldigd te zijn, nu [de man] zijn vordering geenszins heeft onderbouwd. [de man] heeft geen facturen in het geding gebracht, waaruit de betreffende kosten blijken.
4.28.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de man] zijn stelling dat hij een vordering op [de vrouw] heeft wegens teveel betaalde kinderopvang op geen enkele wijze met stukken of anderszins onderbouwd. Nu die vordering door [de vrouw] is betwist, mocht dit wel van [de man] worden verwacht. De rechtbank zal deze vordering dan ook afwijzen.
Proceskosten
4.29.
Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten te compenseren zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie:
5.1.
gelast de wijze van verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt:
ten aanzien van de woning
5.1.1.
bepaalt dat [de man] gedurende drie maanden na datum van dit vonnis de gelegenheid krijgt om [de vrouw] schriftelijk en met bewijsstukken onderbouwd te berichten:
- of hij de woning kan en wil overnemen tegen de getaxeerde waarde;
- dat de hypothecaire inschrijving ten laste [de vrouw] zal worden doorgehaald;
- dat hij de helft van de overwaarde van de woning uiterlijk op de datum van de notariële levering van de woning aan [de vrouw] zal betalen,
5.1.2.
bepaalt dat wanneer [de man] de woning wil en kan overnemen onder de onder 5.1.1. genoemde voorwaarden, de levering van de woning aan [de man] dient plaats te vinden binnen één maand nadat [de man] binnen de genoemde termijn van drie maanden schriftelijk aan [de vrouw] heeft bericht dat hij de woning wil en kan overnemen. De overdracht van de woning zal plaatsvinden ten overstaan van een door [de man] aan te wijzen notaris, aan wie partijen de gezamenlijke opdracht zullen moeten geven om zorg te dragen voor de levering van de woning aan [de man] . De kosten van het notariële transport van de woning komen voor rekening van [de man] ,
5.1.3.
bepaalt dat wanneer blijkt dat [de man] niet in staat of bereid is om de woning over te nemen, hetgeen ook kan blijken uit een stilzitten aan de zijde van [de man] , de woning verkocht en geleverd zal moeten worden aan een derde. Partijen zullen de verkoop van de woning in dat geval uiterlijk binnen dertig dagen na de mededeling van [de man] dat overname niet lukt of niet gewenst is, dan wel binnen dertig dagen nadat de termijn daarvoor ongebruikt is verstreken, dan wel dertig dagen nadat de termijn voor levering is verstreken, in gang zetten. Daartoe verrichten partijen de volgende handelingen:
- invullen en ondertekenen van door een in onderling overleg te bepalen makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot verkoop;
- aanleveren van door de makelaar verzochte documenten;
- betaling van hun deel van de (voorschot)nota van de makelaar binnen de gestelde betalingstermijn van de makelaar;
- leveren van een set sleutels aan de makelaar binnen de door de makelaar gestelde termijn;
- meewerken aan geplande bezichtigingen;
- zorgen dat de woning verzorgd oogt voor iedere bezichtiging;
- alle andere handelingen die noodzakelijk zijn voor de verkoop en levering van de woning, waartoe zowel door de makelaar als in een later stadium door de notaris verzocht wordt, binnen de door hen gestelde termijnen,
5.1.4.
bepaalt dat partijen daarbij het volgende in acht moeten nemen:
- partijen zullen voorafgaand aan het verstrekken van de verkoopopdracht in onderling overleg de vraag- en laatprijs van de woning bepalen. Wanneer zij er niet in slagen om gezamenlijk de vraag- en laatprijs te bepalen, zal de vraag- en laatprijs bindend worden vastgesteld door de makelaar, net als een eventuele wijziging van de te hanteren vraag- en laatprijs als verkoop van de woning uitblijft;
- partijen hanteren de hiervoor bedoelde vraag- en laatprijs bij de verkoop van de woning aan een derde;
- in overleg met de makelaar zullen partijen de verkoopovereenkomst aangaan met de koper die de hoogste prijs biedt;
- partijen zijn verplicht hun medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan een derde;
- met de verkoopopbrengst van de woning worden de aan de verkoop verbonden kosten betaald. Als na aflossing van de hypothecaire lening en betaling van de aan de verkoop verbonden kosten een schuld resteert, dan dragen partijen deze gelijkelijk. Als na betaling van de aan de verkoop verbonden kosten een overwaarde resteert, dan ontvangt [de man] een bedrag van € 128.000,- waarna aan [de vrouw] de helft van de resterende overwaarde, uitgaande van de stand van de hypothecaire geldlening op 1 juli 2024, toekomt en het restant van de overwaarde aan [de man] toekomt.
- bij overdracht van de woning aan een derde zijn partijen gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten met betrekking tot de verkoop en levering van de woning te dragen, behoudens voor zover de koper die kosten draagt,
5.1.5.
bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de verkoop van de woning, in de plaats zal treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de onderhandse akte van verkoop in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de makelaar die deze onderhandse akte heeft opgesteld heeft partijen uitgenodigd de onderhandse akte van verkoop op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld, en heeft hen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte toegezonden;
- de betreffende partij heeft niet uiterlijk op het door de makelaar vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte,
5.1.6.
bepaalt dat deze uitspraak, voor zover die betrekking heeft op de levering van de woning en de uitvoering daarvan, in de plaats zal treden van de medewerking van de weigerachtige partij aan de notariële akte van levering in de zin van artikel 3:300 lid 2 BW Pro, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- de notaris die met de levering is belast, heeft partijen uitgenodigd de akte van levering op zijn kantoor te ondertekenen, heeft daartoe een tijdstip vastgesteld, en heeft hen ten minste een week voor dit tijdstip een ontwerp van deze akte en een afrekening toegezonden;
- de betreffende partij heeft niet uiterlijk op het door de notaris vastgestelde tijdstip meegewerkt aan de ondertekening van deze akte;
- de notaris heeft in de akte van levering verklaard dat aan al deze voorwaarden is voldaan.
ten aanzien van de overige vorderingen
5.1.7.
deelt de inboedel van de woning toe aan [de man] tegen vaststelling van de waarde op € 6.000,-,
5.1.8.
veroordeelt [de man] tot betaling van een bedrag van € 3.000,- aan [de vrouw] uit hoofde van overbedeling,
5.2.
veroordeelt [de man] tot betaling van een bedrag van € 6.070,14 aan [de vrouw] ,
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, zodat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.