ECLI:NL:RBLIM:2026:6158

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
25 juni 2026
Zaaknummer
ROE 26/1231
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 96 WecArt. 93 WecArt. 89 WecArt. 76a WecArt. 76b Wec
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening huisvesting nevenvestiging Mgr. Hanssenschool

Verzoekster, Stichting Vitus Zuid, heeft op grond van artikel 96 van Pro de Wet op de Expertisecentra (Wec) een spoedaanvraag ingediend voor voorzieningen in de onderwijshuisvesting van de nevenvestiging van de Mgr. Hanssenschool in Valkenburg aan de Geul. Het college heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet voldeed aan de eisen van artikel 17 van Pro de gemeentelijke Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs, waaronder het tijdig indienen van de aanvraag binnen twee weken na het ontstaan van een calamiteit.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het college de aanvraag onrechtmatig buiten behandeling heeft gesteld, omdat de gemeentelijke verordening geen beperkingen mag stellen aan het wettelijke criterium van artikel 96 Wec Pro. Het bezwaar van verzoekster heeft daarom redelijke kans van slagen. Het college dient een inhoudelijk besluit te nemen over de aanvraag.

Hoewel de voorzieningenrechter erkent dat een voorlopige voorziening noodzakelijk is vanwege de wettelijke beslistermijnen en de urgentie van de huisvestingsbehoefte, kan zij de concreet gevraagde voorlopige maatregelen niet treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De rechter benadrukt de inspanningsverplichting van het college en verzoekt partijen samen tot een oplossing te komen.

Ten slotte veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding aan verzoekster, omdat het verzoek terecht was ingediend.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, maar het college moet de aanvraag inhoudelijk behandelen en griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1231

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2026 in de zaak tussen

Stichting Vitus Zuid, uit Eindhoven, verzoekster

(gemachtigde: mr. J.A. Keijser),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Valkenburg aan de Geul
(gemachtigde: J. Schraven).

Inleiding

1. Verzoekster heeft op basis van de spoedprocedure, geregeld in artikel 96 van Pro de Wet op de Expertisecentra (Wec), een aanvraag ingediend voor voorzieningen in de onderwijshuisvesting. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben voor verzoekster [naam] (bestuurder van verzoekster),
[naam] (algemeen directeur van verzoekster), [naam] (lid van het directieteam van verzoekster en onder andere verantwoordelijk voor huisvesting) en de gemachtigde van verzoekster deelgenomen. Voor het college waren aanwezig M. Hoekstra (beleidsmedewerker bij de gemeente van het college), mr. M. Meertens (concernjurist bij de gemeente van het college) en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoekster is het bevoegd gezag van een aantal instellingen voor onderwijs aan leerlingen met een taal- en/of gehoorstoornis. Eén van die instellingen is de
Mgr. Hanssenschool. Het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de nevenvestiging van deze school in Valkenburg aan de Geul (Houthem). De
Mgr. Hanssenschool heeft voor de nevenvestiging het schoolgebouw van Adelante in Houthem in medegebruik. Met ingang van het nieuwe schooljaar heeft Adelante het medegebruik van haar schoolgebouw aan de Mgr. Hanssenschool opgezegd. De
Mgr. Hanssenschool is daarom voor haar nevenvestiging aangewezen op een andere locatie. Omdat de reguliere procedure over huisvestingsvoorzieningen die verzoekster bij het college heeft ingediend over het kalenderjaar 2027 gaat en de Mgr. Hanssenschool met ingang van het nieuwe schooljaar in 2026 nog een huisvestingsvoorziening nodig heeft, heeft verzoekster een aanvraag voor voorzieningen in de onderwijshuisvesting gedaan op basis van de spoedprocedure.
3. Verzoekster heeft tegen de afwijzing van de aanvraag bezwaar gemaakt en hangende bezwaar aan de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter concreet gevraagd “aan het college bij wijze van voorlopige voorziening op te dragen de volgende activiteiten te ontplooien c.q. maatregelen te nemen:
a. Uiterlijk binnen vier dagen na uitspraak in deze een aanvang te nemen met het (doen) treffen van alle voorbereidende werkzaamheden die nodig (kunnen) zijn om de nevenvestiging van de Mgr. Hanssenschool met haar 61 leerlingen in de gemeente Valkenburg adequaat en met inachtneming van geldende ruimtenormering met ingang van schooljaar 2026/2027 te huisvesten;
Daarbij is -onder meer- te denken aan het vorderen van leegstand bij andere scholen, het aanvragen van offertes voor levering en plaatsing van tijdelijke huisvestingsunits, het doen van concrete voorstellen en aanbiedingen aan Vitus Zuid.
b. Zorg te dragen voor het per 1 augustus 2026 daadwerkelijk aan Vitus Zuid binnen de gemeente Valkenburg beschikbaar stellen van vervangende huisvesting voor de nevenvestiging voor 61 leerlingen, en Vitus Zuid daarover uiterlijk 10 juli 2026 te informeren;
Dan wel:
c. Een (andere) voorlopige voorziening treffen die naar Uw oordeel recht doet aan het recht op adequate huisvesting voor de nevenvestiging van de Mgr. Hanssenschool.”
4. In deze voorlopige voorzieningenprocedure beoordeelt de voorzieningenrechter of het bezwaar van verzoekster redelijke kans van slagen heeft en dus aan de hand van het bezwaar de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Haar oordeel is een voorlopig oordeel. De rechtbank die het eventuele beroep tegen het nog te nemen besluit op bezwaar behandelt is aan dat oordeel niet gebonden.
5. Verzoekster heeft in bezwaar aangevoerd dat de afwijzing van de aanvraag onterecht is en in strijd is met de Wet op de expertisecentra (Wec), onder meer met artikel 96 van Pro die wet. De voorzieningenrechter is het daarmee eens en legt hierna uit waarom zij vindt dat verzoekster op dit punt gelijk heeft.
6. In artikel 96, eerste lid, van de Wec is bepaald dat het bevoegd gezag van een niet door de gemeente in stand gehouden school dat een voorziening in de huisvesting wenst die niet in het programma, bedoeld in artikel 93, is opgenomen, maar die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, een aanvraag om bekostiging van die voorziening indient bij het college van burgemeester en wethouders. In het tweede lid van artikel 96 van Pro de Wec staat wanneer het college de aanvraag afwijst. In artikel 89, tweede lid, van de Wec is geregeld dat voor de toepassing van deze afdeling (de afdeling waarin ook artikel 96 staat Pro) onder een niet door de gemeente in stand gehouden school mede wordt begrepen een op het grondgebied van de gemeente gelegen nevenvestiging als bedoeld in artikel 76a en artikel 76b van de Wec. Artikel 96 van Pro de Wec is daarom op de nevenvestiging van de
Mgr. Hanssenschool van toepassing.
Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet heeft voldaan aan de eisen in artikel 17 van Pro de Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Valkenburg aan de Geul 2015 (de Verordening). In artikel 17 van Pro de Verordening staat dat een aanvraag tot het bekostigen van een voorziening die gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden, binnen twee weken na het ontstaan van de calamiteit bij het college wordt ingediend. Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een calamiteit én dat verzoekster de aanvraag niet binnen de genoemde twee-wekentermijn heeft gedaan. Deze afwijzingsgronden staan niet in artikel 96, tweede lid, van de Wec. Het college heeft de aanvraag daarom niet op deze gronden kunnen afwijzen.
7. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat de het college met de afwijzing heeft bedoeld de aanvraag buiten behandeling te stellen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college de aanvraag op deze gronden ook niet buiten behandeling heeft kunnen stellen.
8. Het criterium voor het al dan niet buiten behandeling stellen van een aanvraag die op basis van artikel 96, eerste lid, van de Wec wordt gedaan is dat een voorziening in de huisvesting gelet op de voortgang van het onderwijs geen uitstel kan lijden. Met de eis in de Verordening dat sprake moet zijn van een calamiteit en dat de aanvraag wordt afgewezen als de aanvraag buiten de in de Verordening voorgeschreven termijn wordt gedaan, wordt in de Verordening een ongeoorloofde beperking aangebracht op dit criterium. Omdat een wettelijk criterium niet bij gemeentelijke verordening kan worden beperkt heeft het college de aanvraag op grond van het niet voldoen aan deze eis en het te laat indienen van de aanvraag ook niet buiten behandeling kunnen stellen.
9. Het bestreden besluit is daarom onrechtmatig. Het bezwaar van verzoekster heeft redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat het college nog andere redenen heeft om de aanvraag buiten behandeling te stellen. Het college zal daarom een inhoudelijk besluit op de aanvraag moeten nemen.
10. De voorzieningenrechter onderkent dat dat besluit gelet op de wettelijke beslistermijnen en de planning van de hoorzitting niet op tijd wordt genomen en dat het daarom noodzaak is een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft echter niet de mogelijkheid om de concreet gevraagde voorlopige voorzieningen te treffen en kan in deze procedure, waarin het inhoudelijk besluit nog niet aan de orde is, ook geen andere voorlopige voorziening treffen over adequate huisvesting voor de nevenvestiging van de Mgr. Hanssenschool. Zij wijst het verzoek daarom af.
11. Zij spreekt het vertrouwen in partijen uit dat zij samen een oplossing bedenken voor de onderwijshuisvesting van de 61 kinderen die nu nog gehuisvest zijn in het schoolgebouw van Adelante in Houthem die begin van het nieuwe schooljaar kan ingaan. Daarbij benadrukt zij de wettelijke zorgplicht die het college heeft. Op basis van de momenteel beschikbare informatie is niet voldaan aan deze zorgplicht of in ieder geval kan de voorzieningenrechter niet vaststellen dat hieraan is voldaan omdat het college de aanvraag niet in behandeling heeft genomen en ook geen voldoende inzicht hierover heeft verschaft. Zij verzoekt het college dan ook uitdrukkelijk al het mogelijke te doen, waaronder de geopperde mogelijkheid om nog twee klaslokalen in het schoolgebouw van Adelante in Houthem te mogen gebruiken verder te onderzoeken. Daarnaast verzoekt zij het college te onderzoeken of er een (gemeentelijk) terrein ten behoeve van tijdelijke onderwijshuisvesting beschikbaar is of op kort termijn beschikbaar kan worden gesteld binnen de eigen gemeente. Verzoekster heeft aangegeven te kunnen beschikken over portacabins die voor tijdelijke onderwijshuisvesting kunnen worden ingezet. Zij vraagt in het uiterste geval van verzoekster ook na te gaan wat de mogelijkheden zijn binnen de onder haar gezag vallende instellingen. Het gaat om een tijdelijke noodoplossing waarbij de voortgang van het onderwijs voor de genoemde 61 kinderen voorop moet staan. Bij dit alles is van belang - en dat wordt ook door partijen erkend – dat op het college geen resultaatsverplichting maar wel een inspanningsverplichting rust.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dit betekent dat de voorzieningenrechter geen tijdelijke maatregel treft in afwachting van het besluit op bezwaar.

Griffierecht en proceskosten

13. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat het college het griffierecht vergoedt dat verzoekster voor de behandeling van het verzoek heeft moeten betalen en om het college tot een proceskostenvergoeding te veroordelen. Reden daarvoor is dat het verzoek terecht is ingediend. Met betrekking tot de proceskostenvergoeding telt de voorzieningenrechter op grond van het besluit proceskosten één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting. De voorzieningenrechter gaat uit van een waarde per punt van € 934,- en past wegingsfactor 1 toe. Dit betekent dat het college een proceskostenvergoeding aan eiser moet betalen van € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- bepaalt dat het college het griffierecht aan verzoekster betaalt dat verzoekster voor de behandeling van het verzoek heeft moeten betalen, te weten een bedrag van € 397,-;
-veroordeelt het college tot betaling aan verzoekster van een proceskostenvergoeding van
€ 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 25 juni 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.