ECLI:NL:RBLIM:2026:6185

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
C/03/352500 / KG ZA 26-186
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • drs. Hurkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 lid 2 BWArt. 611a lid 1 RvArt. 237 lid 1 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot medewerking en dwangsom bij verkoop voormalige echtelijke woning

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk eigenaar van een woning die sinds december 2022 uitsluitend door de vrouw wordt bewoond. De rechtbank had bij beschikking van 7 januari 2026 de wijze van verkoop en verdeling van de woning vastgesteld, waarbij partijen binnen een maand een makelaar moesten inschakelen en de woning tegen de best mogelijke prijs moest worden verkocht.

De man stelt dat de vrouw onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van deze beschikking, onder meer door het traag ondertekenen van de verkoopopdracht, het belemmeren van herstelwerkzaamheden en het niet tijdig verlenen van toegang tot de woning. De vrouw betwist dit en wijst op gemaakte afspraken en haar recht op privacy in de woning.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrouw onvoldoende voortvarend handelt en de verkoop traineert, waardoor de man belang heeft bij het opleggen van dwangsommen en het vervangen van haar medewerking door het vonnis zelf. De rechtbank veroordeelt de vrouw tot onvoorwaardelijke medewerking, legt een dwangsom op van €500 per dag met een maximum van €50.000 en veroordeelt haar in de proceskosten.

Uitkomst: Vrouw wordt veroordeeld tot medewerking aan verkoop woning en betaling van dwangsommen wegens traagheid.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352500 / KG ZA 26-186
Vonnis in kort geding van 25 juni 2026
in de zaak van
[de man],
wonend te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. B. Coomans;
tegen:
[de vrouw],
wonend te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vrouw.
advocaat: mr. R. Engwegen.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 4;
- de door de man in het geding gebrachte producties 5 t/m 7;
- de door de vrouw overgelegde producties 1 t/m 4;
- de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- de pleitnota van de vrouw.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum 1] 2006 gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Bij beschikking van [datum 2] 2025 is de echtscheiding tussen hen uitgesproken, welke beschikking op [datum 3] 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning aan [adres] (hierna: de woning). Met ingang van 18 december 2022 wordt de woning uitsluitend door de vrouw bewoond.
2.3.
Bij beschikking van 7 januari 2026 [1] heeft deze rechtbank de (wijze van) verdeling ten aanzien van de woning als volgt vastgesteld:
“(…)
  • partijen zullen binnen één maand na deze beschikking [makelaar] een verkoopopdracht geven en in overleg met de makelaardij de vraagprijs bepalen;
  • partijen zullen in overleg met de makerlaardij de verkoopovereenkomst aangaan
met degene die de hoogste prijs biedt dat gelijk is aan of hoger ligt dan de vastgestelde vraagprijs (tenzij partijen anders overeenkomen);
-
indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerend goed
markt ter plaatse en de kwaliteit van de echtelijke woning, de best mogelijke prijs is;
  • zal de overwaarde (de verkoopopbrengst na betaling van de verkoopkosten en de aflossing van de hypothecaire geldlening) gelijkelijk tussen partijen worden verdeeld;
  • zijn partijen verplicht mee te werken aan het notariële transport van de onroerende
zaak aan de koper;
-
de kosten ter zake van de levering komen voor rekening van beide partijen (tenzij
“kosten koper” wordt verkocht), evenals de kosten van de makelaar.”
2.4.
Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.
2.5.
Op 6 maart 2006 heeft de vrouw de verkoopopdracht aan de makelaar ondertekend. Deze heeft de vraagprijs van de woning bepaald op € 450.000,--

3.Het geschil

3.1.
De man stelt dat hij de verdeling van de woning, zoals vermeld in de beschikking van 7 januari 2026 wil uitvoeren, maar dat de vrouw daaraan niet meewerkt en de verkoop van de woning traineert.
3.2.
Op grond daarvan vordert de man dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. Ten aanzien van de echtelijke woning:
a. de vrouw veroordeelt om binnen één week na de betekening van het vonnis onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen om de echtelijke woning zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, waaronder dient te worden begrepen dat:
- de vrouw alle adviezen van de behandelend makelaar ter zake de bespoediging van de verkoop van de echtelijke woning zal accepteren en onverwijld zal uitvoeren;
- de vrouw de makelaar en potentiële kopers op eerste verzoek en onverwijld in gelegenheid stelt om de echtelijke woning te bezichtigen;
- de vrouw alle redelijke adviezen van de makelaar ter zake de prijsstelling van de echtelijke woning en eventuele onderhoudswerkzaamheden (zowel het doen als het laten daarvan) tot het tijdstip van de eigendomsoverdracht aan de toekomstige kopers opvolgt;
bepaalt dat partijen de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt; ingeval er slechts één bieder is, dat dan de makelaar de koopprijs zal bepalen;
de vrouw veroordeelt om aan de daaropvolgende notariële levering van de echtelijke woning aan de koper(s) mee te werken door op eerste verzoek van de betrokken notaris de benodigde akte(s) te ondertekenen;
de vrouw veroordeelt tot betaling van de helft van de kosten van de makelaar;
de vrouw veroordeelt om de echtelijke woning uiterlijk op de datum van notariële levering, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum, volledig te ontruimen en te verlaten met al de haren en het hare, onder afgifte van de sleutels aan de koper(s), en de woning alsdan leeg en vrij van gebruik en bewoning ter beschikking te stellen;
de vorderingen onder I. a t/m d op te leggen op straffe van een dwangsom van € 500,-- per dag of dagdeel dat de vrouw haar medewerking aan een of meerdere van de voorgaande veroordelingen weigert;
II. bepaalt dat, bij gebreke van medewerking van de vrouw aan het bepaalde in het in deze te wijzen vonnis, dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor zowel de verkoopopdracht aan de makelaar, de instemming met de verkoop aan een derde als de notariële levering van de woning aan een derde;
III. de vrouw veroordeelt in de kosten van dit geding.
3.3.
De vrouw voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering.
Ten gronde
De vorderingen onder I
4.2.
De man stelt dat de vrouw onvoldoende meewerkt aan de uitvoering van de beschikking van 7 januari 2026: zij zegt dat zij medewerking wil verlenen, maar keer op keer blijkt dat zij die uitvoering vertraagt, door niet te reageren op berichten, door niet tijdig de benodigde informatie te verstrekken en door het innemen van niet-onderbouwde stellingen over de woning die de verkoop belemmeren. Zo heeft zij de verkoopopdracht aan de makelaar aanvankelijk niet willen ondertekenen – dat is pas gebeurd op 6 maart 2026, terwijl in de beschikking is bepaald dat dit binnen een maand diende te gebeuren. Daarnaast verliep het maken van afspraken met betrekking tot het herstel van kleine gebreken, benoemd door de makelaar in verband met het verkoopklaar maken van de woning (het vervangen van een lekkende keukenkraan, de reparatie van de vaatwasser en het opnieuw schilderen van een wand van de slaapkamer van de dochter van partijen), uiterst moeizaam. Hoewel de vrouw aanvankelijk aangaf dat dit op zijn vroegst op 22 april 2026 zou kunnen, heeft de man uiteindelijk op 7 april 2026 de keukenkraan vervangen en op 16 april 2026 de vaatwasser gerepareerd. De afspraak dat de man op 22 april 2026 toegang tot de gehele woning zou krijgen voor de resterende werkzaamheden werd de avond van tevoren door de vrouw afgezegd. Uiteindelijk zijn partijen overeengekomen dat de man een gedeelte van de dag aanwezig kon zijn, maar na een escalatie tussen partijen heeft de man de woning voortijdig moeten verlaten, zodat hij er niet in is geslaagd de werkzaamheden betreffende het opruimen van de garage af te maken en de muur van de slaapkamer te schilderen.
4.3.
De vrouw betwist dat zij onvoldoende meewerkt en wijst erop dat er wel degelijk afspraken zijn gemaakt voor de klussen, dat er een opdracht is gegeven aan de makelaar, dat de vraagprijs voor de woning inmiddels is bepaald en dat (hangende dit kort geding) een afspraak is gemaakt met de fotograaf. Daarnaast voert de vrouw aan dat als de uitvoering van de door de rechtbank voorgeschreven verdeling langer heeft geduurd, dit niet alleen aan haar is te wijten, maar aan beide partijen. De man verlangt dat de vrouw hem maar gewoon toegang geeft tot de woning op de momenten dat hij dat wil. Zij heeft de man steeds toegang verschaft, maar wel op tijdstippen dat zij thuis was. Dit laatste is niet onredelijk, nu de vrouw de woning al geruime tijd met uitsluiting van de man bewoont. De vrouw heeft meerdere data voor de herstelwerkzaamheden voorgesteld; dat de man dan niet kan of wil, komt niet voor haar rekening. Daar komt bij dat de werkzaamheden die de man wilde komen verrichten niet nodig waren. De makelaar heeft enkel aangegeven dat de woning goed opgeruimd zou moeten zijn en dat eventuele kleine beschadigingen moesten worden hersteld of geverfd. De man kiest er zelf voor om allerlei andere werkzaamheden te willen verrichten, kennelijk met het doel om een hogere verkoopopbrengst te genereren. Dit kost logischerwijze ook meer tijd; gelet hierop is het onredelijk om dit tijdsverloop enkel aan de vrouw te wijten.
Daarnaast stelt de vrouw dat de man geen belang heeft bij de vorderingen onder Ib, Ic en Id, omdat over die vorderingen al is beslist in de beschikking van 7 januari 2026. Omdat de verkoopopdracht aan de makelaar inmiddels is ondertekend en de vraagprijs door deze inmiddels is bepaald, heeft de vrouw, naar zij stelt, inmiddels voldaan aan die beschikking en dient ook de vordering onder II om die reden te worden afgewezen. Ook daaruit blijkt dat het niet juist is dat zij niet meewerkt aan de uitvoering van de beschikking.
4.4.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat er een beschikking van 7 januari 2026 ligt, met kracht van gewijsde, waarin beslissingen zijn genomen over de wijze van verdeling van de woning. Partijen zijn aan de beslissingen in die beschikking gebonden en dienen daaraan te goeder trouw uitvoering te geven. Dat betekent (onder meer) dat partijen met de nodige voortvarendheid moeten handelen bij het uitvoeren daarvan. De voorzieningenrechter constateert dat in dit geval, mede gelet op de inmiddels verstreken tijd, slechts beperkt uitvoering is gegeven aan de beschikking en dat het proces van de uitvoering daarvan – zo blijkt afdoende uit de stukken – moeizaam en traag verloopt. Uit de stukken blijkt dat de vrouw pas op 6 maart 2026 de verkoopopdracht aan de makelaar heeft ondertekend, derhalve bijna twee maanden na de beschikking, terwijl de rechtbank had bepaald dat dit binnen een maand diende te gebeuren. Verder blijkt dat het maken van afspraken voor het uitvoeren van beperkte, eenvoudige en (daarom ook) weinig tijd in beslag nemende werkzaamheden, zoals het repareren van een keukenkraan en het repareren van een vaatwasser onevenredig veel tijd kost, terwijl het verven van een wand in de slaapkamer van de dochter van partijen, eveneens een eenvoudige werkzaamheid, zelfs nog niet is uitgevoerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat dit is te wijten aan de opstelling van de vrouw. Ook ter zitting is gebleken dat de vrouw zich weinig meewerkend opstelt, getuige de discussie over de vraag of en zo ja wanneer de wand van de kamer van de dochter van partijen zou kunnen worden geverfd. De voorzieningenrechter verwerpt de stelling van de vrouw dat de door de man voorgestelde reparaties niet door de makelaar zouden zijn voorgeschreven; naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat de makelaar dit bij de rondgang door de woning mondeling aan partijen heeft medegedeeld. Overigens betreft dit geen buitensporige of onnodige reparaties en zijn zij bovendien ook in het belang van de vrouw, zodat niet valt in te zien waarom de vrouw hieraan niet zou meewerken.
Alles bij elkaar genomen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw de verkoop van de woning traineert en derhalve niet (constructief) meewerkt aan de uitvoering van de beslissingen in de beschikking van
7 januari 2026. De voorzieningenrechter verwerpt daarmee het verweer van de vrouw dat zij (uiteindelijk) wel steeds meewerkt: van tekortschieten in de uitvoering is niet alleen sprake als medewerking geheel uitblijft maar ook als een partij niet voortvarend – met gerechtvaardigde en verantwoorde spoed – handelt, of de uitvoering van hetgeen is neergelegd in de beschikking onnodig vertraagt. Daarbij weegt de voorzieningenrechter mee dat de man belang heeft bij uitvoering van de beschikking: hij wil verder met zijn leven en kan, zolang de woning niet is verkocht, geen andere woning kopen.
4.5.
Gelet op het voorgaande bestaat er in beginsel voldoende grond voor toewijzing van de vorderingen tot medewerking zoals opgenomen in het petitum onder I., met inachtneming van het navolgende. De vrouw heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank in de beschikking van 7 januari 2026 reeds heeft bepaald dat de koopovereenkomst dient te worden aangegaan met degene die de hoogste prijs biedt, dat partijen medewerking dienen te verlenen aan notariële levering en dat de makelaarskosten bij helfte moeten worden verdeeld. In zoverre heeft de man geen belang bij het gevorderde onder I.b, I.c en I.d. De man vordert in deze procedure echter ook dat aan (onder meer) die veroordelingen een dwangsom zal worden verbonden, dan wel dat – kort gezegd – dit vonnis in de plaats zal treden van door de vrouw te verrichten rechtshandelingen. Bij die (ten opzichte van de beschikking aanvullende) vorderingen heeft de man wel belang. Daarnaast constateert de voorzieningenrechter dat de man in zijn vordering onder I.b (aanvullend op het oordeel in de beschikking) heeft toegevoegd dat, indien er slechts één bieder is, de makelaar de koopprijs zal bepalen. Bij de vorering onder I.c heeft de man de verplichtingen van de vrouw geconcretiseerd ten opzichte van de beschikking door toe te voegen dat zij op eerste verzoek van de betrokken notaris de benodigde akte(s) dient te ondertekenen. Deze toevoegingen acht de voorzieningenrechter nuttig ter voorkoming van nadere obstakels bij de uitvoering van de beschikking door partijen, zodat deze toevoegingen bij wijze van voorlopige voorziening zullen worden toegewezen.
De vordering onder II
4.6.
Op basis van het voorgaande is voldoende gebleken dat de man er belang bij heeft dat, indien de vrouw niet meewerkt, dit vonnis in de plaats komt van de door de vrouw te verrichten rechtshandelingen inzake de verkoop en levering van de woning aan een derde.
De vordering onder II ligt daarom eveneens voor toewijzing gereed, met dien verstande dat de vrouw de verkoopopdracht aan de makelaar reeds heeft ondertekend, zodat bij dat deel van de vordering het belang ontbreekt. Naar de voorzieningenrechter begrijpt wordt met ‘de instemming met de verkoop aan een derde’ (tevens) de koopovereenkomst bedoeld, hetgeen de voorzieningenrechter ter verduidelijking in de beslissing zal opnemen.
De gevorderde dwangsommen
4.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter bestaat er, gelet op de omstandigheden van dit geval, eveneens voldoende grond voor toewijzing van de door de man gevorderde dwangsommen, met inachtneming van het navolgende.
Ten aanzien van de vorderingen onder I.b en I.c geldt dat de man, met de toewijzing van de vordering onder II, ook zonder medewerking van de vrouw zal kunnen bewerkstelligen dat het gevorderde wordt bereikt, zodat het opleggen van een dwangsom ten aanzien van die vorderingen niet nodig is.
De vordering onder I.d betreft een (hoofd)vordering waarover al is beslist in de beschikking van 7 januari 2026. De rechtbank heeft daarbij het verzoek tot oplegging van een dwangsom afgewezen, omdat niet was gebleken dat de vrouw haar medewerking aan de verkoop en levering van de woning zou onthouden. [2] Zoals uit het voorgaande volgt is naar het oordeel van de voorzieningenrechter inmiddels wel gebleken dat de vrouw onvoldoende meewerkt, zodat de vordering tot het (alsnog) opleggen van een dwangsom toewijsbaar is. Nu het een veroordeling tot betaling aan een derde betreft staat het verbod dat is neergelegd in artikel 611a lid 1 Rv (geen dwangsom kan worden opgelegd bij veroordeling tot betaling van een geldsom), hieraan niet in de weg.
De slotsom luidt dat de dwangsom zal worden toegewezen voor de vorderingen onder I.a en I.d. Daarbij zal de voorzieningenrechter de gevorderde dwangsom maximeren als vermeld in de beslissing onder 5.7.
De proceskosten
4.8.
Alhoewel de proceskosten volgens artikel 237 lid 1 Rv Pro tussen gewezen echtgenoten kunnen worden gecompenseerd, zal de voorzieningenrechter die kosten in dit geval niet compenseren, maar de vrouw als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van deze procedure. Redengevend daarvoor is dat over de verdeling van de woning al is beslist in de beschikking van 7 januari 2026 en dat deze procedure noodzakelijk is gebleken omdat de vrouw aan die beschikking ten onrechte geen, althans onvoldoende uitvoering geeft.
4.9.
De vrouw is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de man worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 153,02;
- griffierecht
341,00;
- salaris advocaat
1.177,00;
- nakosten
189,00;
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt de vrouw om binnen één week na de betekening van het vonnis onvoorwaardelijke en onherroepelijke medewerking te verlenen om de echtelijke woning zo spoedig mogelijk te verkopen en te leveren aan een derde, waaronder dient te worden begrepen dat:
- de vrouw alle adviezen van de behandelend makelaar ter zake de bespoediging van de verkoop van de echtelijke woning zal accepteren en onverwijld zal uitvoeren;
- de vrouw de makelaar en potentiële kopers op eerste verzoek en onverwijld in gelegenheid stelt om de echtelijke woning te bezichtigen;
- de vrouw alle redelijke adviezen van de makelaar ter zake de prijsstelling van de echtelijke woning en eventuele onderhoudswerkzaamheden (zowel het doen als het laten daarvan) tot het tijdstip van de eigendomsoverdracht aan de toekomstige kopers opvolgt;
5.2.
bepaalt dat partijen, overeenkomstig de beschikking van 7 januari 2026 [3] , de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt en bepaalt daarnaast dat ingeval er slechts één bieder is de makelaar de koopprijs zal bepalen;
5.3.
bepaalt dat de vrouw, overeenkomstig de beschikking van 7 januari 2026 [4] , verplicht is mee te werken aan de notariële levering van de echtelijke woning aan de koper(s) en bepaalt daarbij dat zij daartoe op eerste verzoek van de betrokken notaris de benodigde akte(s) dient te ondertekenen;
5.4.
bepaalt dat de vrouw, overeenkomstig de beschikking van 7 januari 2026 [5] , de helft van de kosten van de makelaar dient te voldoen;
5.5.
veroordeelt de vrouw om de echtelijke woning uiterlijk op de datum van notariële levering volledig te ontruimen en te verlaten met al de haren en het hare, onder afgifte van de sleutels aan de koper(s), en de woning alsdan leeg en vrij van gebruik en bewoning ter beschikking te stellen;
5.6.
bepaalt dat, bij gebreke van medewerking van de vrouw aan het bepaalde in 5.2. en 5.3., dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van de vrouw voor zowel de instemming met de verkoop aan een derde (daaronder begrepen het tekenen van de koopovereenkomst) als de notariële levering van de woning aan een derde;
5.7.
veroordeelt de vrouw om aan de man een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw, na betekening van dit vonnis, niet aan de onder 5.1 en 5.4 genoemde veroordelingen voldoet, met een maximum van € 50.000,--;
5.8.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten van € 1.860,02 betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als de vrouw niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025.

Voetnoten

1.Rechtbank Limburg 7 januari 2026, zaaknummer C/03/317887 / FA RK 23-1793 en C/03/338968 / FA RK 25-296.
2.Zie rov. 2.34 van de beschikking van 7 januari 2026.
3.Rechtbank Limburg 7 januari 2026, zaaknummer C/03/317887 / FA RK 23-1793 en C/03/338968 / FA RK 25-296, rov. 3.2.1, tweede gedachtestreepje.
4.Rechtbank Limburg 7 januari 2026, zaaknummer C/03/317887 / FA RK 23-1793 en C/03/338968 / FA RK 25-296, rov. 3.2.1, vijfde gedachtestreepje.
5.Rechtbank Limburg 7 januari 2026, zaaknummer C/03/317887 / FA RK 23-1793 en C/03/338968 / FA RK 25-296, rov. 3.2.1, zesde gedachtestreepje.