ECLI:NL:RBLIM:2026:6257

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
29 juni 2026
Zaaknummer
C/03/336836 / HA ZA 24-543
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Driever
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 118 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande factuur en afwijzing schadevergoeding bij geschil aanneming en installatiewerk

In deze civiele bodemzaak vordert de v.o.f. betaling van openstaande facturen voor installatiewerkzaamheden en geleverde keukenapparatuur aan [opdrachtgever]. [Opdrachtgever] betwist betaling en stelt gebreken aan het werk, waarop hij schadevergoeding vordert.

De rechtbank constateert veel onduidelijkheid over facturering, creditnota's en betalingen. De v.o.f. heeft haar vordering meerdere malen aangepast, waarbij onduidelijk bleef welke facturen en bedragen precies gelden. Vast staat dat de grootste factuur dubbel is gefactureerd en niet meer wordt gevorderd, maar de factuur voor de rails is onbetaald gebleven.

De rechtbank oordeelt dat [opdrachtgever] onvoldoende heeft onderbouwd dat de gebreken aan de v.o.f. zijn toe te rekenen en dat herstelverzuim ontbreekt. Daarom wijst zij de schadevergoeding af. De vordering tot betaling van de factuur voor de rails wordt toegewezen met wettelijke rente. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens niet-naleving van wettelijke aanmaningseisen. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen, behalve in reconventie waar [opdrachtgever] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de v.o.f.

Uitkomst: Vordering tot betaling van de factuur voor de rails wordt toegewezen, schadevergoeding wegens gebreken wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/336836 / HA ZA 24-543
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
V.O.F. [aannemer] ( [vennoot van de v.o.f. 1] & [vennoot van de v.o.f. 2] ),
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de v.o.f.,
advocaat: mr. M.P.V. den Engelsman,
tegen
[opdrachtgever],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [opdrachtgever] ,
advocaat: mr. G.C.M. Schipper.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, het daaraan gehechte beslagrekest van 5 november 2024 en de daarbij horende producties 1 tot en met 9, alsmede de beslagstukken (productie 1a),
- de conclusie van antwoord, tevens voorwaardelijke eis in reconventie met producties 1 tot en met 17,
- de conclusie van antwoord in de voorwaardelijke eis in reconventie,
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling gevoerde correspondentie over het al dan niet toestaan van digitale deelname aan de mondelinge behandeling, die erin heeft geresulteerd dat de rechtbank [opdrachtgever] en ( [vennoot van de v.o.f. 1] ) [vennoot van de v.o.f. 1] , vennoot van de v.o.f., heeft toegestaan om digitaal deel te nemen aan de mondelinge behandeling,
- de mondelinge behandeling van 4 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en waarbij [opdrachtgever] een deel van de tijd via Teams heeft deelgenomen en [vennoot van de v.o.f. 1] gedurende de gehele zitting via Teams aanwezig was, en waarbij partijen de rechtbank hebben verzocht de zaak drie maanden aan te houden (voor beraad partijen);
- de akte uitlaten van de v.o.f. (van 3 december 2025), met vier ongenummerde producties,
- de antwoordakte van [opdrachtgever] (van 21 januari 2026), waarbij tevens de producties 18 tot en met 20 in het geding zijn gebracht,
- de akte uitlaten van de v.o.f. van 12 februari 2026 ter rolle van 11 februari 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[opdrachtgever] heeft medio 2020 een appartement in een nog te bouwen appartementencomplex in [plaats 3] gekocht (hierna: het appartement). Het appartement is op 7 augustus 2020 aan [opdrachtgever] geleverd. De bouwwerkzaamheden zijn omstreeks november 2020 gestart. Het appartement is op 29 juni 2021 door [bouwbedrijf] aan [opdrachtgever] opgeleverd.
2.2.
De v.o.f. heeft in opdracht van [opdrachtgever] tegen betaling installatiewerkzaamheden verricht, alsmede keukenapparatuur geleverd. [1]
2.3.
De v.o.f. heeft facturen (ook creditfacturen) naar [opdrachtgever] gestuurd met een betaaltermijn van 14 dagen. [opdrachtgever] heeft deze niet allemaal voldaan.
2.4.
[opdrachtgever] heeft in maart 2023 een inspectie laten uitvoeren van de elektrische installaties in het appartement. Daarbij zijn gebreken geconstateerd.
2.5.
De v.o.f. heeft conservatoir derdenbeslag doen leggen onder de ABN AMRO bank en de ING bank.

3.Het geschil

in conventie

3.1.
De v.o.f. vordert samengevat, na herhaalde eiswijziging, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [opdrachtgever] tot betaling van € 26.384,59 “te vermeerderen met de eerder opgevoerde nevenvorderingen zoals rente en buitengerechtelijke kosten en proceskosten” [2] .
3.2.
[opdrachtgever] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[opdrachtgever] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voorwaardelijk:
a. dat de rechtbank zich bevoegd acht van de vordering kennis te nemen,
b. dat de rechtbank bepaalt, althans voor recht verklaart dat de vennoot van(, althans) de v.o.f. jegens [opdrachtgever] aansprakelijk is voor door [opdrachtgever] geleden schade ten bedrage van € 27.195,09,
c. dat de vennoot van(, althans) de v.o.f. wordt veroordeeld om aan [opdrachtgever] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen het schadebedrag van € 27.195,09 binnen 14 dagen na betekening van het vonnis en bij gebrek aan betaling binnen die termijn te vermeerderen met wettelijke rente.
Het bij conclusie van antwoord in conventie/eis in reconventie gedane voorwaardelijk verzoek ex art. 118 Rv Pro [3] is door [opdrachtgever] ter zitting ingetrokken.
3.5.
De v.o.f. voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie

Niet-ontvankelijkheid v.o.f.?
4.1.
Het meest verstrekkende verweer van [opdrachtgever] was aanvankelijk dat de v.o.f. niet in haar vorderingen kan worden ontvangen, omdat zij niet langer bestaat. [opdrachtgever] verwijst daartoe naar het uittreksel van de Kamer van Koophandel [4] , waaruit volgt dat de v.o.f. op 27 juli 2022 is opgehouden te bestaan. Het gevolg daarvan is ook – aldus [opdrachtgever] - dat het gelegde derdenbeslag (ver)nietig(baar) is, dan wel opgeheven moet worden.
4.2.
De v.o.f. betwist dat zij niet meer zou bestaan. Vereffening is na het overlijden van één van de vennoten achterwege gebleven. De v.o.f. verkeert dus nog in de fase van vereffening en kan daarom nog procedures als deze aanspannen. Evenzeer kan de v.o.f. veroordeeld worden tot betaling.
4.3.
De rechtbank hoeft op dit verweer niet meer te beslissen omdat [opdrachtgever] ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat de v.o.f. een dagvaarding kan laten uitbrengen, omdat de vennootschap nog niet vereffend is, welk standpunt juist is. De v.o.f. kan om die reden in haar vorderingen worden ontvangen en zal niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Daaruit vloeit ook voort dat het beslag niet (ver)nietig(d) is en evenmin opgeheven zal (moeten) worden.
Ten gronde
4.4.
De v.o.f. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [opdrachtgever] , ondanks herhaalde aanmaningen, de resterende som die hij op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk nog verschuldigd is – zonder geldige reden – niet heeft betaald [5] . Daarbij stelt de rechtbank vast dat het voor de v.o.f. kennelijk zelf niet duidelijk is welke offertes zijn uitgebracht en waarvoor, wat gefactureerd is, wat betaald is en welke creditnota’s zijn verzonden. In de procedure zijn de standpunten meermaals aangepast. Ook aan de kant van [opdrachtgever] wisselt het standpunt naar gelang de procedure vordert.
4.4.1.
Bij dagvaarding vorderde de v.o.f. een bedrag van € 40.112,23, inclusief wettelijke handelsrente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 maart 2024 en een bedrag van € 1.176,12, te vermeerderen met wettelijke rente. Uit het beslagrekest blijkt dat het bedrag van € 40.112,23 bestaat uit:
a. twee openstaande facturen (ad
€ 23.533,30 (hierna: de grootste factuur van 19 september 2022) en
€ 13.031,29 (hierna: de factuur voor de rails) d.d. 5 december 2022),
rente (ad
€ 1.594,76 en
€ 812,23) en
incassokosten (ad
€ 1.140,65).
Het in het petitum gevorderde bedrag van € 1.176,12 bestaat ofwel uit “proceskosten en vergeefs gemaakte deurwaarderskosten” [6] , dan wel uit “redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte”, “conform de Staffel buitengerechtelijke incassokosten (BIK) en salarissen in rolzaken kanton” [7] . Wat het is, laat de v.o.f. in het midden, terwijl de v.o.f. werd bijgestaan door een advocaat (niet door een gemachtigde in een kantonzaak) wiens taak het onder meer is om duidelijk te zijn over hetgeen wel of niet wordt gevorderd en waarom.
4.4.2.
Wie denkt dat de verwarring na de dagvaarding stopt, heeft het echter mis. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de v.o.f. gezien dat de grootste factuur van 19 september 2022 al in rekening was gebracht op 1 augustus 2022 (en kennelijk betaald, want tot dat moment werd gevorderd de ”opeisbare restantsom” [8] conform het “facturenoverzicht (…) per 27 maart 2024” [9] en niets anders. Aan de andere kant heeft de v.o.f. tijdens de mondelinge behandeling facturen gevonden waar de vennoot nog niets van afwist. Na de mondelinge behandeling is de eis aangepast. De eis (van op dat moment € 40.112,23) is verminderd met € 23.871,05 (het totaalbedrag van de factuur die al op 1 augustus 2022 in rekening was gebracht en opnieuw op 19 september 2022) en vermeerderd met drie nog niet opgenomen facturen met een totaalbedrag van € 46.679,83, bestaande uit facturen van
€ 4.119,00 (factuurnummer niet bekend, betreft witgoed van het merk Bosch)
€ 26.792,98 ( [factuurnummer 1] )
€ 15.767,85 ( [factuurnummer 2] ).
Samen met de factuur voor de rails, zou een totaaltelling van de vordering na akte na mondelinge behandeling moeten uitkomen op
+ € 46.679,83 (gevonden facturen na mondelinge behandeling)
+ € 13.031,29 (factuur voor de rails)
+ € 23.533,30 (grootste factuur van 19 september 2022)
-
€ 23.871,05(gefactureerd op 1 augustus 2022)
=59.373,37.
De totaaltelling in de akte neemt de grootste factuur van 19 september 2022 niet mee in de berekening en komt uit op een bedrag van € 35.839,37.
4.4.3.
[opdrachtgever] heeft in zijn eerste processtuk het standpunt ingenomen dat er in totaal 7 (credit)facturen door de v.o.f. aan hem waren gestuurd over de periode van 22 mei 2022 tot en met 5 december 2022. [10] Bij akte na mondelinge behandeling voegt [opdrachtgever] daar een nieuwe creditfactuur van 27 augustus 2022 aan toe (productie 20). De optelsom die [opdrachtgever] maakt, is de volgende:
+ € 35.839,37 “geactualiseerde hoofdsom” van de v.o.f.
- € 15.767,85 betaling van 19 mei 2022 (productie 18)
- € 26.792,98 betaling van 20 november 2021 (productie 19)
-
€ 4.002,00[creditfactuurnummer] voor [factuurnummer 3] (productie 20)
€ 10.722,76 te veel betaald door [opdrachtgever] .
4.4.4.
In reactie op de producties 18 tot en met 20 van [opdrachtgever] , vermindert de v.o.f. (in deze procedure) een laatste keer de vordering naar € 26.384,59 conform het volgende overzicht uit de betreffende akte:
[overzicht]
4.5.
De rechtbank is nu het spoor bijster. [factuurnummer 3] heeft de v.o.f. pas in het rijtje vorderingen opgenomen bij het laatste lijstje (zie hiervoor onder 4.4.4).
4.6.
Vast staat in ieder geval dat tussen partijen niet langer in geschil is dat de grootste factuur van 19 september 2022 ziet op dezelfde werkzaamheden als gefactureerd op 1 augustus 2022, zodat daarvan geen betaling meer wordt verlangd. Effectief blijft dan over de factuur voor de rails. Vast staat ook dat die factuur als zodanig niet is betaald. Er is geen betalingsbewijs van déze factuur. Er zijn wel creditnota’s en betalingsbewijzen, maar die zien op andere facturen en andere bedragen.
4.7.
Geen van partijen heeft een overzicht weten te maken van alle facturen en alle betalingen. Daarom kan niet worden vastgesteld dat [opdrachtgever] te veel heeft betaald. De rechtbank kan er bij die stand van zaken niet meer van maken dan dat de factuur voor de rails in beginsel nog voldaan moet worden.
4.8.
Zijn er dan redenen die maken dat [opdrachtgever] toch niet hoeft te betalen? Nee, dat is niet het geval. De door [opdrachtgever] gestelde gebreken aan het werk zijn gemotiveerd betwist door de v.o.f. en [opdrachtgever] heeft niet nader onderbouwd dat (a) de gestelde gebreken wel allemaal onderdeel uitmaakten van de opdracht die hij aan de v.o.f. had gegeven en (b) dat de gebreken die wel onderdeel uitmaakten van de opdracht, aan de v.o.f. zijn toe te rekenen. Bovendien is aan de v.o.f. geen termijn gesteld om tot herstel over te gaan [11] , terwijl dat wel had gekund. Er is dus geen sprake van verzuim.
4.9.
De vordering in conventie zal dus, voor zover deze betrekking heeft op de factuur voor de rails, worden toegewezen. Daarbij komt de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur. Handelsrente is niet aan de orde omdat [opdrachtgever] een consument is.
4.10.
De vordering met betrekking tot buitengerechtelijke incassokosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Omdat [opdrachtgever] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf), moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. De v.o.f. heeft aan [opdrachtgever] een aanmaning verstuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. In de aanmaning is namelijk geen betalingstermijn van veertien dagen gegeven die ingaat op de dag na ontvangst van de aanmaning door [opdrachtgever] . Dit is wel vereist op grond van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde vergoeding zal daarom worden afgewezen.
4.11.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
in reconventie
4.12.
Wat in conventie geldt voor het beroep op verrekening van eventuele factuurbedragen met beweerdelijke schade, geldt in reconventie voor de vorderingen die erop neerkomen dat de v.o.f. schade aan [opdrachtgever] moet vergoeden. Gelet op hetgeen hiervoor onder rechtsoverweging 4.8 is overwogen, zullen de vorderingen in reconventie dan ook worden afgewezen. Bij toewijzing van de vordering dat de rechtbank zich bevoegd acht heeft [opdrachtgever] geen belang. Uit de beslissing hierna volgt dat de rechtbank bevoegd is. Er is overigens ook niet gesteld of gebleken dat de rechtbank niet bevoegd zou zijn.
4.13.
In reconventie is [opdrachtgever] in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van de v.o.f. betalen. De proceskosten van de v.o.f. worden begroot op:
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.769,00
4.14.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in conventie en in reconventie
4.15.
De gevorderde uitvoerbaarverklaringen bij voorraad zijn niet weersproken en zullen worden toegewezen.
4.16.
Alle stellingen die over en weer zijn ingenomen over de hoedanigheid van partijen (de v.o.f. hecht er kennelijk aan om te benadrukken dat [opdrachtgever] profvoetballer is die eerst in het arrondissement van deze rechtbank onder contract stond en nu in [land] ; [opdrachtgever] heeft zich (ook) ter zitting laatdunkend over de (vennoot van) de v.o.f. uitgelaten) zijn niet relevant en leiden niet tot een andere uitkomst. Bovendien dragen dergelijke uitlatingen niet bij aan een constructieve oplossing en hadden zij ook om die reden beter achterwege kunnen blijven. Hetzelfde geldt voor het bezwaar van [opdrachtgever] tegen de vermindering van eis die één dag te laat naar de rechtbank is gestuurd. Hoewel daarvoor geen valide reden bestond en het bezwaar in zoverre terecht is, kan die akte niet ten nadele van [opdrachtgever] werken en schaadt het toelaten ervan [opdrachtgever] niet in zijn verdediging of belangen. Daarom heeft de rechtbank die akte bij de beoordeling betrokken.

5.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
5.1.
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van € 13.031,29, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 december 2022,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
5.3.
wijst de vorderingen af,
5.4.
veroordeelt [opdrachtgever] in de proceskosten van € 2.769,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [opdrachtgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [opdrachtgever] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
in conventie en in reconventie
5.6.
verklaart de veroordelingen onder 5.1, 5.4 en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Driever en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Voetnoten

1.Zie randnummer 19 van de conclusie van antwoord in conventie.
2.Akte van 12 februari 2026
3.Zie randnummer 64 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie.
4.Zie productie 1 bij de conclusie van antwoord in conventie.
5.Zie randnummer 1 van de dagvaarding en randnummer 2 van het beslagrekest.
6.Dagvaarding onder randnummer 1
7.Dagvaarding onder randnummer 3
8.Dagvaarding onder randnummer 1
9.Beslagrekest onder randnummer 9
10.Zie randnummer 26 van de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie
11.Standpunt [opdrachtgever] ter zitting