ECLI:NL:RBLIM:2026:6318

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
03.232677.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 55 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens langdurige Pgb-fraude en valsheid in geschrift

De rechtbank Limburg heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift met betrekking tot persoonsgebonden budgetten (Pgb). Gedurende de periode van januari 2014 tot en met november 2021 heeft zij valse declaratieformulieren ingediend bij haar zorgverzekeraar, waardoor zij ruim €159.000 teveel ontving.

Het bewijs bestond uit onder meer proces-verbalen, bankmutaties, verklaringen van getuigen en vergelijking van declaratieformulieren. De rechtbank verwierp het verweer dat een ander de formulieren zou hebben vervalst en oordeelde dat de verdachte het oogmerk had om zichzelf te bevoordelen. De rechtbank sprak de verdachte vrij voor de valsheid in geschrift met betrekking tot indicatiestellingsformulieren vanwege onvoldoende bewijs.

Gezien de ernst, duur en stelselmatigheid van de fraude, en het ontbreken van berouw, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. De straf dient ook als signaal tegen fraude met publieke zorggelden. Daarnaast werden in beslag genomen ordners teruggegeven aan de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens langdurige Pgb-fraude en valsheid in geschrift.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.232677.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.C.H. Poelman, advocaat te Brunssum.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 15 juni 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er feitelijk weergegeven op neer dat de verdachte:
feit 1
tussen 1 januari 2014 en 1 december 2021 [slachtoffer] door middel van valse/vervalste Pgb-(declaratie)formulieren heeft opgelicht voor een bedrag van € 159.129,22;
feit 2
tussen 1 januari 2014 en 1 december 2021 valsheid in geschrift heeft gepleegd door Pgb-(declaratie)formulieren te vervalsen/valselijk op te maken (
primair), dan wel gebruik heeft gemaakt van valse/vervalste formulieren (
subsidiair).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. Het verweer van de verdachte dat niet zij maar een ander voor haar de Pgb-administratie bijhield acht hij niet aannemelijk geworden, aangezien de verdachte geen concrete en verifieerbare informatie daarover heeft verstrekt. Die verklaring heeft zij ook niet in een eerder stadium al afgelegd. Alles wijst erop dat de verdachte zelf de formulieren heeft opgemaakt en ingediend, onder meer gelet op de overeenkomsten in het handschrift. Voor wat betreft de tenlastegelegde periode vordert de officier van justitie partieel vrijspraak voor de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2016.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten aangevoerd. Wel heeft zij de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige [naam 1] in twijfel getrokken, omdat zij – kort gezegd – met afgunst leek te verklaren over de verdachte en enkele onderdelen van haar verklaring evident onwaar zijn.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
3.3.1
Bewijsmiddelen feit 1 en feit 2 primair
Het
proces-verbaal van aangifte [2] door [slachtoffer] van 15 maart 2022, alsmede alle daartoe behorende bijlagen, onder meer inhoudende:
Verdachte: [verdachte]
Onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) heeft verdachte zorgkosten gedeclareerd die zij in werkelijkheid niet heeft gemaakt. Verdachte stuurde daarvoor valselijk opgemaakte of vervalste declaratieformulieren naar benadeelde.
Per maandelijkse declaratieperiode maakte verdachte gebruik van op inhoud twee afwijkende declaratieformulieren. Eén formulier bevatte het juiste aantal geleverde zorguren. Dit formulier overhandigde verdachte aan zorgverlener [naam 2] . Voor diezelfde periode ontving benadeelde van verdachte een formulier met opgaaf van een onrechtmatige hoeveelheid aan geleverde zorg. De twee formulieren voor eenzelfde periode behoren identiek te zijn.
[naam 2] , die aan verdachte zorg leverde in de periode vanaf 2015 tot en met 31 mei 2021, heeft dit fraudesignaal gemeld bij benadeelde. Hierop is het fraudeonderzoek gestart.
[naam 2] levert vanaf juni 2021 geen zorg meer aan verdachte. Benadeelde bleef echter ook na mei 2021 maandelijks declaratieformulieren van verdachte ontvangen. Verdachte bleef op de declaratieformulieren aangeven dat zij de zorg ontving via [naam 2] .
Uit verder onderzoek blijkt dat verdachte ook heeft gefraudeerd met haar indicatiestellingen. Betreffende indicatiesteller verklaart dat zij de voorgelegde indicatiestellingen niet als zodanig herkent / heeft opgemaakt en verklaart dat deze documenten valselijk zijn opgemaakt / vervalst. Per email heeft indicatiesteller dit aan benadeelde doorgegeven.
Verdachte maakt zich schuldig aan het declareren van zorgkosten met behulp van valselijk opgemaakte declaratieformulieren met het doel om via [slachtoffer] onrechtmatig Zvw-zorggelden te ontvangen. Daarnaast stuurt verdachte onrechtmatige indicatiestellingen naar [slachtoffer] .
Het
proces-verbaal verdenking [3] van 12 juni 2024, onder meer inhoudende:
Verdachte mevrouw [verdachte] (hierna: [verdachte] ), geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats] was ten tijde van de (vermoedelijk) gepleegde strafbare feiten zorgbehoevend en had recht op zorgverlening vanuit de Zorgverzekeringswet Persoonsgebonden Budget (hierna: PGB).
De betrokken wijkverpleegkundige van [verdachte] betrof [naam 3] (hierna: [naam 3] ) van [zorginstelling] . [verdachte] had voor [naam 2] als zorgverlener gekozen. [verdachte] stuurde [naam 1] maandelijks een declaratieformulier met de uren die [verdachte] aan zorg had ontvangen. [verdachte] ontving PGB vanuit haar zorgverzekeraar. Om deze reden diende [verdachte] ook de kosten van de zorg direct bij haar zorgverzekeraar, in dit geval [slachtoffer] , waarop [slachtoffer] vervolgens het geld op de rekening van [verdachte] stortte en [verdachte] hiermee [naam 2] kon betalen.
[naam 2] (hierna: [naam 1] ) heeft zorg geleverd vanaf 1 mei 2015 tot en met 31 mei 2021 aan [verdachte] . [naam 1] is daarna gestopt met het leveren van zorg aan [verdachte] . Echter is gebleken dat [verdachte] zorgkosten bleef declareren na mei 2021 op naam van [naam 2] .
Toelichting declaratieformulieren
[verdachte] dient maandelijks voor de ontvangen zorg twee formulieren op te stellen, namelijk:
1. Voor de zorgverlener, in dit geval [naam 2] , waarop de gewerkte uren worden genoteerd, waarvoor de zorg is verleend, tegen welk tarief en wat het totaalbedrag is. Dit is ten behoeve van de eigen administratie van de zorgverlener;
2 Voor de zorgverstrekker, in dit geval [slachtoffer] , waarop de gewerkte uren van de zorgverlener worden genoteerd, waarvoor de zorg is verleend, tegen welk tarief en wat het totaalbedrag is. Dit is ten behoeve van uitkering van de zorgkosten. [slachtoffer] maakt de zorgkosten over naar cliënt, in dit geval [verdachte] , zodat zij haar zorgverlener, in dit geval [naam 2] , kan betalen.
In het dossier bevinden zich declaratieformulieren van december 2016 tot en met mei 2021 in verband met de verleende zorg vanuit [naam 2] richting [verdachte] . Dit betreffen de formulieren die [naam 2] heeft ontvangen van [verdachte] .
Daarnaast bevinden zich declaratieformulieren in het dossier van februari 2016 tot en met mei 2021 die [slachtoffer] heeft ontvangen van [verdachte] in verband met de te declareren zorgkosten.
Beide declaratieformulieren zijn naast elkaar gelegd. Hieruit heb ik, verbalisant, gezien dat de gewerkte uren op de declaratieformulieren die [naam 2] van [verdachte] ontving correct zijn met uitzondering van twee formulieren, namelijk van april 2018 en juni 2018.
Ik, verbalisant, heb de gewerkte uren op basis van de formulieren die [naam 2] ontving van [verdachte] vergeleken met de ingediende declaratieformulieren van [slachtoffer] die zij van [verdachte] hebben ontvangen.
Vervolgens is uit correspondentie, tussen [naam 2] en [slachtoffer] , gebleken dat [naam 2] per juni 2021 is gestopt met het leveren van zorg aan [verdachte] in verband met zwangerschapsverlof. Uit de aangeleverde declaratieformulieren van [slachtoffer] is gebleken dat er na juni 2021 tot en met november 2021 alsnog zorgkosten zijn gedeclareerd onder de naam van [naam 2] (bron: e-mail correspondentie [naam 2] en [slachtoffer] d.d. 29-12-2021).
Het
proces-verbaal van bevindingen [4] van 10 juli 2024, onder meer inhoudende:
Middels schriftelijke vordering conform artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering, afgegeven door de officier van justitie, is het onderzoeksteam van de politie in het bezit gekomen van de Bankmutaties horende bij bankrekeningnummers [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] met als rekeninghouder [verdachte] . De te analyseren bankmutaties gaan over de periode van 1 januari 2016 tot en met 12 juni 2024.
Analyse [bankrekeningnummer 1]
Ik zag dat er in de onderzoeksperiode in totaal 89 credit transacties (bijboekingen) vanuit [slachtoffer] hebben plaatsgevonden met een totaalbedrag van € 209.924,30.
[naam 1] ( [naam 2] )
Ik zag dat er in de onderzoeksperiode in totaal 70 debet transacties (afboekingen) naar [naam 1] ( [naam 2] ) met rekeningnummers [bankrekeningnummer 3] en [bankrekeningnummer 4] hebben plaatsgevonden met een totaalbedrag van € 31.791,74.
Overige zorgverleners
Betroffen betalingen naar overige zorgverleners ( [naam 4] ), [naam 5] en [naam 6] ) waar [verdachte] zorg van ontving in de onderzoeksperiode. Ik zag dat er in de onderzoeksperiode in totaal 60 debet transacties (afboekingen) naar de overige zorgverleners met verschillende rekeningnummers hebben plaatsgevonden met een totaalbedrag van € 19.003,34.
Verschil
Ik zag vanuit de gegevens van de bankmutaties dat de totaal ontvangen zorgkosten [slachtoffer] gecorrigeerd met de uitgekeerde zorgkosten aan zorgverleners een
verschil opleverde van € 159.129,22.
Afbeelding
Een
geschrift, zijnde een overzicht van alle bankmutaties horende bij bankrekeningnummers [bankrekeningnummer 1] en [bankrekeningnummer 2] met als rekeninghouder [verdachte] over de periode 1 januari 2016 tot en met 4 juni 2024 [5] , onder meer inhoudende:
Afbeelding
Afbeelding
(…)
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
(…)
Afbeelding
Afbeelding
Afbeelding
(…)
Afbeelding
Het
proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 1] [6] van 8 juli 2024, onder meer inhoudende:
M: mededeling verbalisant
V: vraag verbalisant
A: antwoord getuige
O: opmerking verbalisant
M: [naam 1] van [naam 2] , wij willen jou graag horen als getuige naar aanleiding van een aangifte die bij ons is binnengekomen op 15 maart 2022 door zorgverzekeraar [slachtoffer] heeft aangifte gedaan richting mevrouw [verdachte] voor oplichting en valsheid in geschrifte.
V: Waren er in de periode dat jij zorg hebt verleend, andere zorgverleners waarvan jij op de hoogte was?
A: Nee, alleen zij. Mijn zusje heeft ooit eens bij haar gepoetst. Die heeft als eerste een klacht gedaan bij [slachtoffer]
V: Waar heeft je zusje een klacht over ingediend en wanneer?
A: RGB Fraude, ver voor mij. Toen hebben ze er niks mee gedaan. Het heeft lang geduurd bij [slachtoffer] . Ik heb in 2021 een klacht ingediend.
O: Nog voor de bevestiging, mei 2021 is de laatste maand datje zorg hebt verleend aan mevrouw [verdachte] .
V: Klopt dit?
A: Ja, dat kan kloppen Dat heb ik daarna stopgezet.
V: Wanneer kreeg je het vermoeden dat de manier van declareren van mevrouw [verdachte] niet gebruikelijk was?
A: Dat kreeg ik eigenlijk al vrij snel door. Toen ik bij zorgzuster gestopt ben en direct bij haar aan de slag was. Toen gaf ze opmerkingen als: ‘Als ik jou niet had, dan had ik dit allemaal niet, want ik heb recht op dat geld.’
O: Uit correspondentie is gebleken dat mevrouw [verdachte] openlijk tegenover jou sprak ten opzichte van de gedeclareerde zorg.
V: Kun je toelichten wat ze hierover aangaf?
A: Ze zei gewoon dat ze haar uren declareerde. Ik vroeg toen: ‘Waarom?’. Mevrouw: ‘Ik heb rechtop dat geld, anders heeft [slachtoffer] meer geld, want dat geld is er.’
V: Weet jij wat zij daarmee bedoelde?
A: Ja, meer declareren dan waar ze recht op had.
V: Heb jij een volledig overzicht van de uren die je bent geweest?
A: Dat versprong Dat was om de 3 dagen en dan was ik een uurtje daar.
V: Maar je wist in ieder geval dat het meer was dan wat zij jou doorgaf?
A. Ja.
3.3.2
Bewijsoverweging
Partiële vrijspraak indicatiestellingsformulieren
De rechtbank zal de verdachte gedeeltelijk vrijspreken, namelijk voor wat betreft de zowel onder feit 1 en 2 tenlastegelegde oplichting middels, dan wel vervalsing van de indicatiestellingsformulieren. Uit het dossier volgt dat het mogelijk om twee formulieren zou gaan; een formulier met als ondertekeningsdatum 6 november 2021, dat zou zien op een indicatieperiode van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2024, en een formulier met als ondertekeningsdatum 6 november 2020 (dezelfde datum als het originele formulier), dat zou zien op een indicatieperiode van 1 januari 2021 tot 31 december 2022. In het dossier bevindt zich daarnaast een mail van [slachtoffer] aan de politie over de datum waarop [slachtoffer] de formulieren zou hebben ontvangen. Hierin staat:

6-11-2020 staat bij ons geregistreerd als post ontvangen op 30-11-2020.
6-11-2021 staat bij ons geregistreerd als post ontvangen op 11-12-2021.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het formulier met ondertekeningsdatum 6 november 2021 buiten de tenlastegelegde periode valt. Het is immers pas op 11 december 2021 bij [slachtoffer] binnengekomen en ook de periode ziet op een periode die buiten de tenlastegelegde periode ligt. Ten aanzien van het formulier met ondertekeningsdatum 6 november 2020 stelt de rechtbank vast dat dit dezelfde ondertekeningsdatum als die van het originele formulier is. De gemailde ontvangstdatum zou dus ook op het originele formulier kunnen zien. Aangezien het dossier verder geen aanknopingspunten of onderbouwing biedt voor de exacte ontvangstdatum van het vervalste formulier, kan de rechtbank niet met zekerheid vaststellen dat het vervalste formulier binnen de tenlastegelegde periode bij [slachtoffer] is binnengekomen, waardoor het ten laste gelegde in zoverre niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde onder feit 1 en 2 voor zover dat ziet op de indicatiestellingsformulieren.
Bewezenverklaring oplichting/vervalsing declaratieformulieren
Uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting in onderlinge samenhang bezien volgt dat verdachte over de periode 1 januari 2014 tot en met november 2021 meer zorgkosten bij [slachtoffer] heeft gedeclareerd dan ze bij [naam 2] heeft gemaakt. Hiertoe maakte verdachte valse declaratieformulieren op die zij vervolgens naar [slachtoffer] stuurde, waarop [slachtoffer] deze declaraties aan verdachte uitbetaalde. De rechtbank acht het door de verdachte tijdens de terechtzitting geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat niet zijzelf maar een onbekende derde de onjuist ingevulde declaratieformulieren heeft opgemaakt en bij [slachtoffer] heeft ingediend zonder dat zij op de hoogte zou zijn geweest van deze valsheid, geenszins aannemelijk geworden. De verdachte heeft over deze derde geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt. Zij stelt zich de naam, het adres en zelfs het geslacht van deze persoon niet meer te kunnen herinneren. Ook overigens bevat het dossier geen enkele aanwijzing of aanknopingspunt dat een ander dan de verdachte bij de oplichting van [slachtoffer] betrokken is geweest. De rechtbank verwerpt dit scenario dan ook. De verdachte heeft voorts aangevoerd dat het niet haar bedoeling zou zijn geweest om [slachtoffer] op te lichten. De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen in samenhang met de aard van de gedragingen volgt dat verdachte het oogmerk heeft gehad om [slachtoffer] op te lichten teneinde zichzelf te bevoordelen. Tot slot heeft de verdediging zich kritisch uitgelaten over getuige [naam 1] . Voor zover de verdediging hiermee een betrouwbaarheidsverweer heeft willen voeren, stelt de rechtbank vast dat het dossier geen enkel aanknopingspunt biedt om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [naam 1] en daartoe ook anderszins geen aanleiding bestaat. Voor zover de verdediging dit verweer heeft willen voeren, wordt het dan ook verworpen. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte declaratieformulieren valselijk heeft opgemaakt en deze aan [slachtoffer] heeft gestuurd teneinde [slachtoffer] te bewegen geldbedragen aan haar te betalen waar zij geen recht op had.De rechtbank acht de feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat de rechtbank de verdachte partieel zal vrijspreken van de gedachtestreepjes voor zover deze zien op de indicatiestellingsformulieren.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1
in de periode van 1 januari 2016 tot en met 1 december 2021 te Bingelrade, telkens met het oogmerk om zich te bevoordelen door listige kunstgrepen, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (totaal € 159.129,22), door telkens
- op het formulier “Pgb verpleging en verzorging (Zvw-pgb) declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 448-469 en 470-637) een hoger aantal gewerkte/geleverde uren te vermelden dan daadwerkelijk door de zorgverlener(s) is zijn gewerkt/geleverd en
- de formulieren “Pgb verpleging en verzorging (Zvw-pgb) declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 374-385) over de periode juni 2021 tot en met november 2021 valselijk op te maken,
welke formulieren vervolgens naar [slachtoffer] werden opgestuurd, waardoor [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
feit 2 primair
in de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 december 2021 te Bingelrade,
- het formulier “Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 374-385) over de periode van juni 2021 tot en met november 2021, zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt en
- het formulier “Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 448-469 en 470-637), zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt door op het formulier “Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 448-469 en 470-637) een hoger aantal gewerkte/geleverde uren te vermelden dan daadwerkelijk door de zorgverlener is gewerkt/geleverd
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
de eendaadse samenloop van:
feit 1
oplichting, meermalen gepleegd;
en
feit 2 primair
valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat geen gevangenisstraf opgelegd dient te worden. Detentie zou gelet op de fysieke en psychische toestand van de verdachte tot verergering van die klachten leiden. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer zes jaren schuldig gemaakt aan oplichting van [slachtoffer] . In dat kader heeft zij declaratieformulieren valselijk opgemaakt en vervalst en deze vervolgens bij [slachtoffer] ingediend. Op die manier heeft zij een bedrag van bijna € 160.000,- verkregen waarop zij geen recht had. Het gaat om ernstige feiten, die gedurende een zeer lange periode en op stelselmatige wijze zijn gepleegd. De verdachte heeft zichzelf op geen enkel moment een halt toegeroepen, maar is steeds met haar frauduleuze handelen doorgegaan.
De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit recente berichtgeving in het nieuws naar voren komt dat jaarlijks voor miljarden euro’s wordt gefraudeerd met gelden die zijn bestemd voor persoonsgebonden budgetten. De verdachte heeft met haar handelen rechtstreeks aan deze omvangrijke maatschappelijke problematiek bijgedragen. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het vanuit het oogpunt van generale preventie noodzakelijk om met de op te leggen straf een duidelijk signaal af te geven dat fraude met publieke (zorg)gelden niet wordt getolereerd.
Pgb-gelden zijn geen gelden waarop iemand naar eigen inzicht aanspraak kan maken, zoals de verdachte tegenover een getuige heeft doen voorkomen. Het betreft geld dat door verzekerden en belastingbetalers wordt opgebracht om hulp en zorg te kunnen bieden aan degenen die daarop zijn aangewezen. Dit stelsel is gebaseerd op solidariteit en onderling vertrouwen: ieder draagt bij aan de zorg voor hulpbehoevenden, in de wetenschap dat ook voor hem of haar ondersteuning beschikbaar is wanneer die nodig is. Door zich ten onrechte een aanzienlijk bedrag uit deze gemeenschappelijke middelen toe te eigenen, heeft de verdachte het vertrouwen waarop dit stelsel berust geschaad en bijgedragen aan de aantasting van de maatschappelijke solidariteit. De rechtbank acht dit zeer kwalijk.
Ook de proceshouding van de verdachte weegt de rechtbank in haar nadeel mee. De verdachte heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor haar handelen. In plaats daarvan heeft zij zich beroepen op verklaringen en scenario’s die de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig acht. Uit de houding van de verdachte op zitting is op geen enkele manier gebleken van enig inzicht in het laakbare van haar handelen, van berouw over de gevolgen daarvan of van bereidheid om verantwoording af te leggen voor haar jarenlange handelen. .De rechtbank kon bij de verdachte niets bespeuren wat op een spijtbetuiging leek. Aan de ene kant verklaarde de verdachte met de nodige weifeling dat het niet had mogen gebeuren, aan de andere kant kwam zij met een scenario dat op zijn zachtst gezegd ongeloofwaardig was. Het is gebeurd, maar daar kon zij niets aan doen, was de boodschap van de verdachte. Deze houding van de verdachte werkt dan ook alleszins strafverhogend.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden passend. De rechtbank zal een gedeelte daarvan, te weten 3 maanden, voorwaardelijk opleggen en daaraan een proeftijd van 3 jaar verbinden.
De rechtbank acht dit voorwaardelijke strafdeel, in combinatie met een langere proeftijd, noodzakelijk. Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte nog steeds met financiële problemen kampt. Deze omstandigheden vergroten de kans dat zij opnieuw in de verleiding komt om soortgelijke strafbare feiten te plegen. Het voorwaardelijke strafdeel dient daarom als een stok achter de deur om haar daarvan te weerhouden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.

7.Het beslag

De rechtbank zal de twee in beslag genomen ordners conform de vordering van de officier van justitie teruggeven aan de beslagene.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 3 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
Beslag
-
gelast de teruggavevan de volgende in beslag genomen voorwerpen aan de beslagene, [verdachte] :
  • een ordner (goednummer G1733714);
  • een ordner (goednummer G1733717).
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. dr. M.M. Koevoets en mr. D. Osmić, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.H.R.G. van Kerkhof, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 29 juni 2026.
Mr. Van Kerkhof is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1
zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 december 2021 te Bingelrade in elk geval de gemeente Onderbanken of in de gemeente Beekdaelen (sedert 1-1-2019), in elk geval in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van één of meer geldbedrag(en) (totaal €159129,22), in elk geval enig goed, door (telkens)
- op het formulier “Pgb verpleging en verzorging (Zvw-pgb) declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 448-457 en 470-637) een hoger aantal gewerkte/geleverde uren te vermelden dan daadwerkelijk door de zorgverlener(s) is zijn gewerkt/geleverd en/of
- de formulieren “Pgb verpleging en verzorging (Zvw-pgb) declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 374-385) over de periode juni 2021 tot en met november 2021 te vervalsen/valselijk op te maken en/of
- het “Aanvraagformulier Persoonsgebonden Budget deel 1 verpleging en verzorging (Zvw-pgb)” te vervalsen/valselijk op te maken (pag. 317-372),
welk(e) formulier(en) (vervolgens) naar/aan [slachtoffer] werden opgestuurd/overhandigd, waardoor [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;
feit 2 primair
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 december 2021 te Bingelrade in elk geval in de gemeente Onderbanken of in de gemeente Beekdaelen (sedert 1-1-2019), in elk geval in Nederland,
- het formulier “Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 374-385) over der periode van juni 2021 tot en met november 2021
(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt en/of
- het formulier “Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 448-457 en 470-637) en/of
-het “Aanvraagformulier Persoonsgebonden Budget deel 1 verpleging en verzorging (Zvw-pgb)””
(elk) zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft opgemaakt door (telkens)
- op het formulier Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” (pag. 448-457 en 470-637) een hoger aantal gewerkte/geleverde uren te vermelden dan daadwerkelijk door de zorgverlener(s) is zijn gewerkt/geleverd en/of
- op het “Aanvraagformulier Persoonsgebonden Budget deel 1 verpleging en verzorging (Zvw-pgb)” (pag. 326-346 en/of 347-372) het aantal uren zorgbehoefte aan verpleging en/of verzorging gemiddeld per week noodzakelijk voor het Zvw-pgb te verhogen/veranderen en/of de datum ingang indicatie en/of datum einde indicatie (tot en met) te wijzigen ten opzichte van het origineel aanvraagformulier (pag. 317-324);
feit 2 subsidiair
zij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 1 december 2021 (Bingelrade ontbreekt hier) in elk geval in de gemeente Onderbanken of in de gemeente Beekdaelen (sedert 1-1-2019), in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte en/of vervalste geschriften die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen te weten
- het formulier “Pgb verpleging en verzorging declaratieformulier formele zorgverlener” en/of
- het “Aanvraagformulier Persoonsgebonden Budget deel 1 verpleging en verzorging (Zvw-pgb)”
als ware deze/het echt en onvervalst, door voornoemd(e) formulier(en) op te sturen/ te overhandigen aan [slachtoffer] Zorgverzekering N.V.
( art 225 lid 2 Wetboek Pro van Strafrecht

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie eenheid Limburg, districtsrecherche Parkstad-Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2022042357, gesloten op 29 augustus 2024, digitaal doorgenummerd van pagina 1 t/m 355 (deel I) en van pagina 1 t/m 306 (deel II).
2.Dossierpagina’s 21 t/m 118 en 323 t/m 355 (deel I) en 1 t/m 288 (deel II).
3.Dossierpagina’s 119-123 (deel II).
4.Dossierpagina’s 142 t/m 148 (deel I).
5.Dossierpagina’s 273 tot en met 315 (deel II).
6.Dossierpagina’s 175 t/m 178 (deel I).