Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2026
- de pleitnota van [gedaagde] .
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
wilsonbekwaamwas en de akte daarmee nietig is. [gedaagde] betwist dat moeder op het moment van passeren van de akte wilsonbekwaam was en stelt dat er ook geen aanleiding bestond het eerdergenoemde stappenplan te volgen. In het kader van dit kort geding valt uit de thans over en weer geponeerde stellingen niet op voorhand met de daarvoor vereiste mate van voldoende aannemelijkheid te oordelen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Nadere bewijslevering moet uitkomst bieden, maar daar leent deze procedure zich niet voor. De voorlopige voorziening moet alleen al daarom worden geweigerd (artikel 256 Rv Pro).