ECLI:NL:RBLIM:2026:6324

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C/03/352973 / KG ZA 26-209
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Rulkens
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 256 RvArt. 6:103 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot nietigverklaring notariële akte in kort geding

In deze zaak vordert eiser dat de notaris wordt veroordeeld om een akte of notariële verklaring op te maken waarin wordt vastgesteld dat de notariële akte van 18 februari 2026 nietig is en dat het oorspronkelijke levenstestament van 6 mei 2024 onverminderd van kracht blijft. Eiser stelt dat moeder ten tijde van het passeren van de akte wilsonbekwaam was en dat de notaris niet heeft voldaan aan haar zorgplicht.

De notaris betwist de wilsonbekwaamheid en stelt dat er geen aanleiding was om het stappenplan van de Koninklijke Notariële Broederschap te volgen. De rechtbank oordeelt dat in kort geding niet met voldoende aannemelijkheid kan worden vastgesteld wie gelijk heeft en dat nadere bewijslevering nodig is, wat niet in kort geding kan plaatsvinden.

Daarnaast is het nietig verklaren van een akte een taak van de rechter en niet van de notaris, waardoor de vordering neerkomt op een verklaring voor recht die niet in kort geding kan worden gegeven. De voorzieningenrechter wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten, waarbij een verzoek tot verhoging van het liquidatietarief wordt afgewezen wegens het ontbreken van misbruik van procesrecht.

De proceskosten worden vastgesteld op €1.707,00, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering tot nietigverklaring van de notariële akte wordt afgewezen omdat dit niet in kort geding kan worden beoordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/352973 / KG ZA 26-209
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.J. Fernhout,
tegen
[gedaagde],
in haar hoedanigheid van notaris in de gemeente Echt,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
mr. M.J.G. Boender-Lamers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 juni 2026 met producties 1 tot en met 14,
- de ten behoeve van de mondelinge behandeling door [gedaagde] ingediende producties 1 en 2,
- de mondelinge behandeling van 25 juni 2026
- de pleitnota van [gedaagde] .

2.De feiten

2.1.
[eiser] is de zoon van [moeder] , geboren op [geboortedag 1] 1938 (hierna: moeder) en van [vader] , geboren op [geboortedag 2] 1934 (hierna: vader). Moeder en vader hebben ook een dochter: [dochter] .
2.2.
Vader is overleden op [datum] 2025. Vader en moeder waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.
2.3.
Vader heeft bij testament van 6 mei 2024 beschikt over zijn nalatenschap.
2.3.1.
Moeder heeft – eveneens – bij testament van 6 mei 2024 beschikt over haar nalatenschap in een zogenaamd “levenstestament”.
2.4.
Moeder verblijft sinds 23 december 2025 in een instelling als bedoeld in de Wet Zorg en Dwang (Wzd).
2.5.
Op 18 februari 2026 is ten overstaan van [gedaagde] een notariële akte met als titel “levenstestament” gepasseerd op naam van moeder. Daarin is onder meer opgenomen:

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert samengevat dat de voorzieningenrechter bij wege van voorlopige voorziening bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
- [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt om een akte of notariële verklaring op te maken inhoudende dat:
o de door haar gepasseerde, te dezen bedoelde herroeping van 18 februari 2026 nietig is en
o het oorspronkelijk op haar kantoor gepasseerde levenstestament van 6 mei 2024 onverminderd van kracht is.
het een en ander voorzien van de aanduidingen aan de hand waarvan een derde beide aktes kan identificeren;
- met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[eiser] legt kort samengevat het volgende aan deze vorderingen ten grondslag. [eiser] stelt dat [gedaagde] gelet op haar functie als notaris de notariële akte van 18 februari 2026 niet had mogen passeren, nu moeder overduidelijk wilsonbekwaam is. Haar gevorderde dementie belette haar om te komen tot een redelijke waardering van de implicaties van het intrekken van een eerder opgemaakt, afgewogen en compleet levenstestament. [gedaagde] heeft geen enkel onderzoek ingesteld naar de wilsbekwaamheid van moeder. De richtlijnen en het stappenplan van De Koninklijke Notariële Broederschap zijn niet gevolgd. [gedaagde] heeft niet gehandeld zoals van een redelijk, zorgvuldig en vakbekwaam notaris mag worden verwacht. [gedaagde] heeft onrechtmatig ten opzichte van [eiser] gehandeld die daardoor schade heeft geleden die zich op de voet van het bepaalde in artikel 6:103 BW Pro leent voor toekenning in een andere vorm dan betaling van een geldsom.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] stelt dat moeder ten tijde van het opmaken van de notariële akte op 18 februari 2026
wilsonbekwaamwas en de akte daarmee nietig is. [gedaagde] betwist dat moeder op het moment van passeren van de akte wilsonbekwaam was en stelt dat er ook geen aanleiding bestond het eerdergenoemde stappenplan te volgen. In het kader van dit kort geding valt uit de thans over en weer geponeerde stellingen niet op voorhand met de daarvoor vereiste mate van voldoende aannemelijkheid te oordelen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. Nadere bewijslevering moet uitkomst bieden, maar daar leent deze procedure zich niet voor. De voorlopige voorziening moet alleen al daarom worden geweigerd (artikel 256 Rv Pro).
4.2.
Daarbij komt dat de vordering ertoe strekt dat de notaris wordt veroordeeld om een akte of notariële verklaring op te maken inhoudende dat de notariële akte van 18 februari 2026 nietig is. Het nietig verklaren van een akte is evenwel niet aan de notaris, maar is voorbehouden aan de rechter. Daarmee komen de vorderingen de facto neer op een verklaring voor recht dat de notariële akte van 18 februari 2026 nietig is. In kort geding kan niet bij wege van een voorlopige voorziening worden geoordeeld dat de notariële akte nietig is. Een dergelijk oordeel zoals in deze zaak verzocht betreft een declaratoire uitspraak, althans schuurt daar zodanig tegen aan dat, die niet in kort geding kan worden gegeven. Aan beoordeling van de vraag of in het gegeven geval – mits voldoende aannemelijk – sprake zou kunnen zijn van onrechtmatige handelen jegens [eiser] , komt de voorzieningenrechter onder die omstandigheden niet toe.
Proceskosten
4.3.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft verzocht om het liquidatietarief in deze zaak te verhogen omdat sprake is van nodeloos gemaakte proceskosten. Een dergelijke verhoging is alleen mogelijk in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Daarvoor is vereist dat [eiser] zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de deze hoge drempel in dit geval niet gehaald wordt. De voorzieningenrechter gaat uit van het gebruikelijke forfaitaire tarief.
4.4.
De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.707,00
4.5.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
weigert de gevorderde voorzieningen,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Rulkens en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026 door mr. Dohmen.