Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 15 en 16;
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
189,00(plus de verhoging zoals
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een geschil tussen een bestuurder en een stichting over de rechtsgeldigheid van een vaststellingsovereenkomst en de betaling van achterstallig loon en beëindigingsvergoeding.
De Raad van Toezicht had namens de stichting een vaststellingsovereenkomst gesloten met de bestuurder, maar de rechtbank oordeelt dat deze Raad niet bevoegd was tot het sluiten van deze overeenkomst, omdat het bestuur daartoe het vertegenwoordigingsorgaan is. Hierdoor is er geen bindende overeenkomst tot stand gekomen. Wel is het besluit tot verlening van decharge aan de bestuurder door de Raad van Toezicht rechtsgeldig.
De arbeidsovereenkomst eindigde rechtsgeldig per 1 maart 2024 na een opzegging met inachtneming van de opzegtermijn. De stichting betaalde na november 2023 geen loon meer, terwijl de bestuurder bereid en in staat was werkzaamheden te verrichten. De rechtbank wijst het achterstallige loon over december 2023 tot en met februari 2024 toe, inclusief IZZ-premies. De gevorderde beëindigingsvergoeding wordt afgewezen omdat het ontslag met instemming van de bestuurder plaatsvond.
De wettelijke verhoging wegens te late betaling wordt gematigd tot 10% vanwege het niet-willekeurige karakter van de niet-nakoming. De rechtbank veroordeelt de stichting tot betaling van de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, en wijst de proceskosten toe aan de zijde van de bestuurder. De reconventionele vorderingen van de stichting worden afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de loonvordering en wettelijke verhoging toe met matiging, bevestigt de dechargeverlening en wijst de beëindigingsvergoeding af.