Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[V.O.F.] ,
2.
[B.V. 1],
3.
[B.V. 2],
1.De procedure
- de brief van 25 juni 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
2.De feiten
‘Beglazing’(pag. 5 van 20 van de TO) is onder het derde opsommingsteken/bolletje neergelegd:
3.Het geschil
4.De beoordeling
pacta sunt servanda”, [10] het enkele feit dat géén triple glas is toegepast sprake is van een tekortkoming van de zijde van [gedaagde] in de nakoming van de overeenkomst. [11] Datzelfde geldt immers ook voor het door [gedaagde] ingeroepen artikel 6 van Pro de toepasselijke algemene voorwaarden van [gedaagde] (zie hiervoor onder 2.5). Ook dát hebben partijen met elkaar afgesproken en ook daarvoor geldt het beginsel
pacta sunt servanda, te weten dat [gedaagde] wijzigingen in het bouwplan mag aanbrengen, mits noodzakelijk, en die wijzigingen geen afbreuk doen aan een aantal (hiervoor genoemde) eigenschappen van het gebouw. Het beeld is derhalve genuanceerd. Beide bepalingen maken deel uit van de overeenkomst en op voorhand kan niet worden gezegd dat de ene bepaling vóórgaat op de andere. Nu zij schijnbaar wel conflicteren, dient nader te worden ingezoomd op wat partijen met elkaar hebben afgesproken. Dit gebeurt niet alleen naar de letterlijke tekst van de bepalingen, maar ook naar de zin die partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en wat zij in dat licht redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
carte blanchevoor de aannemer om naar eigen goeddunken wijzigingen in het bouwplan tot stand te brengen. Dit klemt temeer, nu partijen in de onderhavige zaak in de TO (óók) specifieke en gedetailleerde afspraken hebben gemaakt over de (bouwtechnische) wijze waarop het appartementencomplex verwezenlijkt wordt, zoals over de hoogteligging en maatvoering, grondwerk, riolering, terreinverhardingen
et ceteravan het gebouw, waaronder ook afspraken over de toe te passen beglazing. Gezien de inbreuk die de afwijkingsclausule maakt op deze afspraken, dient deze met het oog op de rechtszekerheid – in beginsel had [eiser] er immers op mogen vertrouwen dat HR+++ isolerende triple beglazing conform BENG-berekening zou worden toegepast – restrictief te worden uitgelegd, in die zin dat heel precies moet worden beoordeeld of voldaan is aan (1) de noodzaak tot afwijking en – cumulatief – (2) of met de afwijking geen afbreuk wordt gedaan aan de in artikel 6 van Pro de algemene voorwaarden genoemde eigenschappen van het gebouw (zie hiervoor onder 2.5). Daarnaast moet worden voldaan aan (3) de in genoemd artikel neergelegde informatieplicht, welk thema door partijen niet in het door hen gevoerde debat is betrokken, zodat de rechtbank zich daar verder niet over behoeft uit te laten.
wordt niet exact omschreven welke breedte Triple beglazing er diende te worden toegepast inclusief de geluidswerende folies in de originele setting.
resumé(zie hiervoor onder 4.6) daar nog aan toevoegt:
qua afmetingentriple glas had kunnen worden toegepast (zie hiervoor onder 4.6), waarmee deze deskundige zijn oordeel beperkt tot enkel de afmetingen van de ranke kozijnen en andere omstandigheden niet in de beoordeling heeft betrokken. Bij brief van 28 juli 2023 van [aannemer] aan [eiser] werd hier reeds aan gerefereerd. Na eerst te hebben aangevoerd dat triple beglazing een dusdanige dikte heeft dat deze niet in het ranke aluminium raamprofiel past – dit argument neemt de rechtbank dus niet over – schrijft [aannemer] :
bij de toepassing van HR++ glas in plaats van triple glas is sprake van 4% meer
“lapmiddel”zijn of dat hij een Fiat Panda heeft gekregen terwijl hem een Jaguar was voorgehouden, zoals gesteld door [eiser] op zitting van 27 november 2025, is een stelling die vanuit het perspectief van [eiser] wellicht begrijpelijk is, maar in de context van de onderdelen die integraal deel uitmaken van wat partijen met elkaar zijn overeengekomen (zie al het voorgaande), mank gaat. Hetzelfde geldt voor het standpunt van [eiser] dat als de terugleveringskosten oplopen, hij moet gaan betalen voor de zonnepanelen. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd weerlegd door te beargumenteren dat de opgewekte energie volledig kan worden gebruikt door de warmtepomp, zodat teruglevering niet aan de orde is. Ook het verwijt dat [gedaagde] met de wijziging uit was op een kostenbesparing kan als enerzijds niet onderbouwd en anderzijds onbetwist weersproken niet worden onderschreven.
in casugeleverde kogelkranen een terugslagklep noodzakelijk was – in bepaalde gevallen kan dat aan de orde zijn – en uit het voorgaande niet blijkt dat ook een terugslagklep tot het overeengekomen meerwerk hoort, is de op deze grond gebaseerde vordering naar het oordeel van de rechtbank niet voor toewijzing vatbaar.
i.e.[gedaagde] – heeft verzuimd hemelwaterafvoeren voor de balkons te realiseren. Die stelling kan niet anders worden begrepen dan dat überhaupt géén hemelwaterafvoer is verwezenlijkt. [gedaagde] stelt hiertegenover dat zulks wél is gebeurd in de vorm van een spuwer, waarmee, aldus [gedaagde] , wordt voldaan aan de overeenkomst. Volgens [eiser] is een spuwer echter geen hemelwaterafvoer. Het doel van hemelwaterafvoer is immers het voorkomen van wateroverlast en schade aan gebouwen door het gecontroleerd afvoeren van hemelwater, wat bij een spuwer niet het geval is, aldus [eiser] . [gedaagde] bestrijdt dit en stelt dat volgens de TO een hemelwaterafvoer zou worden gerealiseerd, hetgeen [gedaagde] heeft gedaan in de vorm van een spuwer.