ECLI:NL:RBLIM:2026:6374

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1230
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 4:84 AwbArt. 5.1 OwArt. 16.79 OwArt. 22.8 Ow
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening geschorst omgevingsvergunning kap beschermde zomereik wegens onvoldoende belangenafweging

Verzoeker, wonende naast een perceel met een beschermde zomereik, verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen tegen de omgevingsvergunning die het college aan vergunninghouder had verleend voor het kappen van deze boom. Het college verleende de vergunning ondanks een ambtelijk advies om deze te weigeren op grond van het gemeentelijke bomenbeleid.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft omdat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van het bomenbeleid afwijkt en welke belangen zwaarder wegen dan het behoud van de boom. Het college had onvoldoende onderzocht of alternatieven mogelijk waren en had de belangen van verzoeker onvoldoende betrokken in de belangenafweging.

Gezien het spoedeisend belang van verzoeker en het risico op onomkeerbare gevolgen bij uitvoering van de vergunning, werd de voorlopige voorziening toegewezen. De omgevingsvergunning is geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar, waardoor het kappen van de boom voorlopig wordt voorkomen.

Het college is tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht aan verzoeker. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de omgevingsvergunning voor het kappen van de zomereik wordt geschorst wegens onvoldoende gemotiveerde belangenafweging.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1230

uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit Haelen, verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leudal, het college

(gemachtigden: mr. A. Knops en mr. M. van Nisselroij).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [naam] uit Herten (vergunninghouder).

Procesverloop

1. Verzoeker woont aan de [adres] in Haelen. Vergunninghouder is eigenaar van het naastgelegen perceel aan de [adres] . Op de perceelsgrens tussen de beide percelen staat een beschermde boom (een zomereik). Met het bestreden besluit van 11 mei 2026 heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning voor het kappen van deze boom verleend. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat de boom kan worden gekapt.
2. Het college heeft op het verzoek met een verweerschrift gereageerd.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigden van het college en vergunninghouder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de fase van bezwaar is in beginsel alleen aanleiding als het besluit waartegen bezwaar is gemaakt zodanig gebrekkig is dat het in heroverweging naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet of niet volledig in stand kan blijven. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen daarom als eerste of de bezwaargronden van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft en tot herroeping van de omgevingsvergunning kan leiden. Vervolgens weegt de voorzieningenrechter de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college en vergunninghouder die pleiten tegen het treffen daarvan. Hoe zekerder de voorzieningenrechter is dat het besluit waartegen bezwaar is gemaakt in stand kan blijven, hoe minder ruimte er bij deze belangenafweging is voor de belangen van verzoekers.
Spoedeisend belang
6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht.
6.1.
Op grond van artikel 16.79, vierde lid, van de Omgevingswet (Ow) heeft het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker opschortende werking van het bestreden besluit, omdat dat verzoek binnen de in dat artikel genoemde termijn is ingediend. Dat betekent dat de vergunde activiteiten nog niet mogen worden verricht totdat door de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.
6.2.
Zodra de omgevingsvergunning in werking treedt, mag de boom gekapt worden. Vergunninghouder heeft zowel in zijn e-mail van 28 mei 2026 als ter zitting aangegeven dat hij niet bereid is te wachten met het kappen van de zomereik totdat op het bezwaar van verzoeker is beslist. Verzoeker wil dit voorkomen. Gelet hierop heeft verzoeker naar het oordeel van de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij zijn verzoek.
Het toetsingskader
7. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
8. Op grond van artikel 22.8 van de Ow geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod geldt om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow.
9. Op grond van artikel 3.7.3.1, eerste lid, van de Algemene verordening gemeente Leudal is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te (laten) vellen die staan vermeld op de door het college vastgestelde bomenlijst. Op grond van het tweede lid kan, in aanvulling op de artikelen 1.1.8 en 1.1.9 van deze verordening de vergunning worden geweigerd op grond van de:
a. natuurwaarde van de houtopstand;
b. landschappelijke waarde van de houtopstand;
c. waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;
d. beeldbepalende waarde van de houtopstand;
e. cultuurhistorische waarde van de houtopstand, of
f. waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.
Het standpunt van verzoeker
10. Verzoeker voert aan dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze omgevingsvergunning aan vergunninghouder is verleend. Daartoe stelt verzoeker dat het college jarenlang het beleid had om de waardevolle zomereik te behouden en dat dit beleid ervoor heeft gezorgd dat verzoeker, als eigenaar van het naastgelegen perceel, met de zomereik rekening moest houden bij de bouw van zijn woning. Nu wordt, anders dan het ambtelijk advies van 27 januari 2026 (hierna: het ambtelijk advies), een ander standpunt over de zomereik ingenomen zonder dat dit goed wordt gemotiveerd. Daarnaast voert verzoeker aan dat vergunninghouder over het kappen van de zomereik heeft gesteld dat dit nodig is vanwege de omstandigheid dat het perceel niet verkocht kan worden, maar het college heeft dit verder niet onderbouwd. Door het college is niet onderzocht of alternatieven mogelijk zijn zoals het snoeien van de boom of het aanpassen van het bouwplan. Over het behoud van de zomereik voert verzoeker verder nog aan dat in de zomereik diverse vogels en eekhoorns verblijven en dat de zomereik ook zorgt voor schaduw van zijn perceel. Het kappen van die zomereik zorgt voor een aantasting van zijn woongenot en de (mogelijke) verzakking van zijn perceel en dit heeft financiële gevolgen. Volgens verzoeker zijn deze belangen onvoldoende bij de belangenafweging betrokken. Verzoeker is van mening dat het belang van het behoud van de zomereik zwaarder moet wegen dan het economisch belang van vergunninghouder om zijn perceel te verkopen.
Het oordeel van de voorzieningenrechter
11. Niet in geschil is dat de zomereik op de door het college vastgestelde bomenlijst staat. Daarbij is aangegeven dat de boom esthetisch waardevol is, omdat de boom beeldbepalend solitair is. Ook is de boom cultuurhistorisch waardevol vanwege de karakteristieke beplanting op een (oude) perceelsgrens.
12. Verder staat vast dat uit het ambtelijk advies volgt dat de omgevingsvergunning voor de kap van de boom moet worden geweigerd. Op zitting heeft het college erkend dat de Beleidsnotitie kappen gemeentebomen van de gemeente Leudal (zoals door het college vastgesteld op 20 augustus 2019 (hierna: het bomenbeleid) van toepassing is en dat - zoals ook uit het ambtelijk advies volgt - op grond daarvan de omgevingsvergunning voor het kappen van de boom moet worden geweigerd.
13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college in het bestreden besluit onvoldoende toegelicht dat naar het bomenbeleid is gekeken, dat op grond daarvan de omgevingsvergunning moet worden geweigerd - zoals dat ook uit het ambtelijk advies volgt - maar dat toch aanleiding wordt gezien om van het bomenbeleid af te wijken. Zo is onduidelijk gebleven op welke grondslag het college van het bomenbeleid is afgeweken waardoor ook niet duidelijk is geworden of het college een belangenafweging op grond van het bomenbeleid zelf of op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb heeft gemaakt. Daarnaast heeft het college naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gemotiveerd welke belangen (en van wie) zwaarder moeten wegen dan het belang van behoud van de boom. Het college heeft enkel aangevoerd dat vergunninghouder al drie jaar lang het bouwperceel niet heeft kunnen verkopen en/of het vergunde bouwplan niet heeft uitgevoerd omdat potentiële kopers een grotere woning op het bouwperceel willen realiseren zonder daarbij rekening te hoeven houden met de boom. Volgens het college weegt daardoor het woonbelang en het realiseren van de woningvoorraad zwaarder dan het belang van behoud van de zomereik. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college dit echter, gelet op zijn eigen bomenbeleid, onvoldoende gemotiveerd. Daarvoor acht de voorzieningenrechter van belang dat het college bij de belangenafweging niet heeft betrokken dat op het perceel een woonbestemming rust en dat op 7 oktober 2022 aan vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een woning op het bouwperceel. Bij deze omgevingsvergunning is ook een boomeffectanalyse van
15 maart 2022 gevoegd en daaruit blijkt dat het mogelijk is om met het behoud van de waardevolle boom een woning op het bouwperceel te realiseren. Bovendien heeft ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de kap van de boom op 14 januari 2026 een visuele boomveiligheidscontrole plaatsgevonden waaruit volgt dat de boom, met wat monitoring en onderhoud, een levensverwachting heeft van meer dan 20 jaar.
Gelet op de omstandigheid dat de omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning is verleend waarbij rekening is gehouden met het behoud de boom (wat overigens in overeenstemming is met het bomenbeleid) en dat op het naastgelegen perceel van verzoeker ook een woning is gebouwd waarbij ook rekening is gehouden met de zomereik en in dat verband het bouwplan is aangepast, mag van het college worden verlangd dat hij zijn belangenafweging deugdelijk motiveert. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat het college op zitting heeft verklaard dat ook rekening zal moeten worden gehouden met de belangen van verzoeker en ook dit nu niet kenbaar in de belangenafweging is betrokken. De voorzieningenrechter is dan ook voorlopig van oordeel dat het college in het nu voorliggende besluit de belangenafweging niet deugdelijk heeft gemotiveerd en dat het bezwaar daarom een redelijke kans van slagen heeft.
14. Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening zwaarder weegt dan het belang van het college en vergunninghouder om geen voorlopige voorziening te treffen. Op het moment dat uitvoering wordt gegeven aan de omgevingsvergunning en de boom wordt gekapt, heeft een heroverweging in bezwaar ook geen zin meer. Verzoeker heeft daarom belang bij het treffen van een voorlopige voorziening om onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

Conclusie en gevolgen

15. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Dat betekent dat vergunninghouder de boom tot die tijd niet mag kappen.
16. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Kloos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 1 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 1 juli 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.