ECLI:NL:RBLIM:2026:6375

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
12156659 \ CV EXPL 26-1426
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:265 lid 1 BWRichtlijn 93/13/EEGArtikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand met bescherming minderjarige kinderen

Woonwenz verhuurt sinds februari 2023 een woning aan de huurder, die een huurachterstand heeft opgebouwd over mei, oktober en november 2025, met een totaal van € 2.010,88. Woonwenz vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, alsmede betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente, gebruiksvergoeding en incassokosten.

De huurder erkent de achterstand maar wijst op beslaglegging op zijn salaris en stelt dat de achterstand in twee termijnen kan worden voldaan. De kantonrechter toetst de algemene voorwaarden aan het consumentenrecht en constateert dat de huurachterstand en het regelmatig te laat betalen een ernstige tekortkoming vormen die ontbinding rechtvaardigt.

Gezien de aanwezigheid van drie minderjarige kinderen in de woning wordt de ontruimingstermijn op twee maanden gesteld. De ontbinding wordt voorwaardelijk uitgesproken: indien binnen drie jaar opnieuw een huurachterstand van drie maanden ontstaat, kan Woonwenz zonder nieuwe procedure ontruiming vorderen.

De huurder wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur, wettelijke rente, gebruiksvergoeding vanaf april 2026, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden wegens huurachterstand, met een ontruimingstermijn van twee maanden en een voorwaarde voor ontruiming bij nieuwe achterstand binnen drie jaar.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12156659 \ CV EXPL 26-1426
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
STICHTING WOONWENZ,
te Venlo,
eisende partij,
hierna te noemen: Woonwenz,
gemachtigde: Zuyd Groep,
tegen

1.[huurder] ,

te [woonplaats] ,
2.
[huurster],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [de huurder] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 23 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Woonwenz verhuurt met ingang van 28 februari 2023 aan [de huurder] de woning aan het [adres] in [woonplaats] (hierna: het gehuurde). De huur bedraagt € 670,96 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd. Op de huurovereenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing. Er wonen 3 minderjarige kinderen in de woning.
2.2.
[de huurder] heeft de huur over mei, oktober en november 2025 niet betaald. De achterstand bedraagt op het moment van dagvaarden € 2.010,88.
2.3.
Woonwenz heeft [de huurder] op 29 september 2025 bij de gemeente aangemeld in het kader van vroegsignalering. Daarnaast heeft Woonwenz in verband met de aanwezigheid van minderjarige kinderen in de woning een RIS melding gedaan, contact gehad met het Zorgnetwerk en met de gemachtigde minnelijk traject.
2.4.
Woonwenz heeft [de huurder] aangemaand op 5 november 2025 om aan de betalingsverplichtingen te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
Woonwenz vordert – samengevat –
De huurovereenkomst te ontbinden en [de huurder] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis het gehuurde met al de zijnen en alles wat van hem/haar is te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Woonwenz te stellen;
[de huurder] hoofdelijk te veroordelen om de verschuldigde som van € 2.254,08 vermeerderd met wettelijke rente over de huurvordering van € 2.010,88, vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling, benevens een bedrag van € 670,96 per maand vanaf 1 april 2026 voor iedere maand, welke er zal verstrijken tot aan de dag van de daadwerkelijke ontruiming;
[de huurder] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Woonwenz legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [de huurder] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsverplichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens Woonwenz de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[de huurder] erkent de vordering maar voert aan dat er niet kon worden betaald omdat er beslag was gelegd op het salaris. De achterstand kan in 2 extra betalingen op 23 en 30 april 2026 worden voldaan. De gemeente gaat helpen om te voorkomen dat er nogmaals een dergelijke situatie ontstaat.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De huurovereenkomst is gesloten met een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13/EEG (de Richtlijn oneerlijke bedingen).
4.2.
De voor de vordering relevante bedingen in artikel 13 van Pro de algemene voorwaarden is getoetst en niet oneerlijk bevonden.
Er is sprake van een huurachterstand
4.3.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft Woonwenz de actuele hoogte van de huurachterstand gespecificeerd en overgelegd. De actuele huurachterstand is tijdens de mondelinge behandeling besproken. Over de periode mei t/m november 2025 is een huurachterstand ontstaan van € 2.010,88. [de huurder] heeft dit niet weersproken. Op het moment van de mondelinge behandeling is er nog een achterstand van € 147,59.
4.4.
De kantonrechter wijst het gevorderde bedrag aan huurachterstand toe. De wettelijke rente is niet weersproken en de stellingen van Woonwenz kunnen deze vordering dragen. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen zoals omschreven in de beslissing.
4.5.
Na het moment van dagvaarden betaalde bedragen zullen op de voet van artikel 6:44 BW Pro door Woonwenz in mindering moeten worden gebracht op het totaal van de vordering, inclusief rente en kosten.
Er is sprake van een tekortkoming
4.6.
Woonwenz heeft een ontbinding van de huurovereenkomst met een daaraan gekoppelde ontruiming gevorderd. Woonwenz legt aan deze vordering ten grondslag dat 3 maanden huur niet zijn betaald. Daarnaast brengt Woonwenz ook naar voren dat [de huurder] niet altijd conform de afspraak voor of op de 1e van de maand de huur betaalt, maar vaak later betaalt. Ook in het verleden heeft [de huurder] achterstanden gehad in het betalen van de huur. [de huurder] is niet ter zitting verschenen en ook niet op de afspraak die [de huurder] had met de schuldhulpverlener. Dit baart Woonwenz zorgen voor de toekomst. De kantonrechter begrijpt hieruit dat Woonwenz haar vordering tot ontbinding en ontruiming baseert op zowel de ontstane achterstand op het moment van dagvaarden, als ook op het betaalgedrag van [de huurder] in het verleden.
4.7.
Op grond van artikel 6:265 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
4.8.
In de rechtspraak wordt een huurachterstand van drie maanden als een dusdanig ernstige tekortkoming aangemerkt dat toewijzing van een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst gerechtvaardigd is. Op het moment van dagvaarden bedroeg de achterstand 3 maanden. [de huurder] heeft niet weersproken regelmatig niet of te laat de huur te betalen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de met regelmaat te late betaling van de huurpenningen in combinatie met de huurachterstand op het moment van dagvaarden een ernstige tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst die de ontbinding van de huurovereenkomst en de daarmee gepaard gaande ontruiming in beginsel rechtvaardigt.
Belangen minderjarige kinderen
4.9.
Er wonen drie minderjarige kinderen in de woning. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind de belangen van kinderen een eerste overweging moeten vormen. Dat betekent niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind niet mag worden ontbonden. De ouders van een minderjarig kind zijn in principe verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Er bestaat de mogelijkheid om, indien daarbij hulp nodig is, hulpverlenende instanties in te schakelen. Als er toch een noodsituatie dreigt, bijvoorbeeld omdat het kind letterlijk op straat komt te staan, dan kan dat – mede afhankelijk van de overige omstandigheden – een belemmering voor ontruiming zijn.
4.10.
Nu Woonwenz in de dagvaarding en ook ter zitting heeft verklaard alvorens tot ontruiming over te gaan met het Zorgnetwerk te overleggen en Veilig Thuis in te schakelen, voorziet de kantonrechter op dit moment geen noodtoestand. De kantonrechter zal, gelet op de belangen van de kinderen, de ontruimingstermijn bepalen op twee maanden.
De huurovereenkomst wordt voorwaardelijk ontbonden
4.11.
In de omstandigheid dat [de huurder] het grootste deel van de achterstand op het moment van de mondelinge behandeling heeft ingelopen ziet de kantonrechter aanleiding om [de huurder] nog een laatste kans te bieden in die zin dat de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde worden toegewezen, onder de voorwaarde dat ontbinding en ontruiming pas aan de orde zijn als er in de komende drie jaar opnieuw een huurachterstand van drie of meer maanden ontstaat. Als er dus op enig moment in die drie jaar wél een huurachterstand van minimaal drie maanden is, mag Woonwenz overgaan tot ontruiming van het gehuurde, zonder dat een nieuwe procedure nodig is.
[de huurder] moet de lopende huur betalen
4.12.
Woonwenz wil ook dat [de huurder] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 670,49, te rekenen vanaf de maand april 2026 tot het moment dat [de huurder] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [de huurder] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
[de huurder] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
4.13.
Woonwenz vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [de huurder] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Woonwenz heeft aan [de huurder] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. Woonwenz heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Woonwenz een van btw vrijgestelde prestatie heeft verricht, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 301,48 worden toegewezen.
[de huurder] moet proceskosten betalen
4.14.
[de huurder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonwenz worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
154,10
- griffierecht
397,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.093,60

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de huurovereenkomst tussen Woonwenz en [de huurder] betreffende de woning gelegen aan [adres] in [woonplaats] en veroordeelt [de huurder] om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van zijn kant in het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Woonwenz te stellen,
indien en zodra aan de volgende voorwaarde wordt voldaan:
- binnen drie jaar na de datum van dit vonnis bestaat een huurachterstand van minimaal drie maanden,
5.2.
veroordeelt [de huurder] hoofdelijk om te betalen aan Woonwenz:
- € 2.010,88 aan achterstallige huur tot het moment van dagvaarden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening,
- € 670,96 per maand vanaf april 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.3.
verstaat dat de door [de huurder] na het moment van dagvaarden betaalde bedragen op de voet van artikel 6:44 BW Pro door Woonwenz in mindering worden gebracht op het totaal van de vordering, inclusief rente en kosten,
5.4.
veroordeelt [de huurder] hoofdelijk om aan Woonwenz te betalen een bedrag van € 301,48 aan buitengerechtelijke kosten,
5.5.
veroordeelt [de huurder] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.093,60, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [de huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de hierin uitgesproken veroordelingen.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.