ECLI:NL:RBLIM:2026:6382

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
C/03/351688 / KG ZA 26-148
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • dr. Van Binnebeke
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 254 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorg- en contactregeling vader en minderjarige na eenzijdige opschorting moeder

De vader vordert in kort geding dat de moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling met hun minderjarige kind, waarbij het kind wekelijks meerdere dagen en het eerste weekend van de maand bij de vader verblijft. De moeder had het contact eenzijdig stopgezet vanwege zorgen over de verslavingsproblematiek van de vader en de verzorging bij de grootouders.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de moeder onvoldoende onderbouwt waarom het contact niet kan plaatsvinden of begeleid zou moeten zijn. Hoewel de vader een terugval in zijn verslavingsproblematiek had, is hij sindsdien in behandeling en stelt hij clean te zijn. De moeder heeft geen concrete signalen aangeleverd waaruit onveiligheid voor het kind blijkt.

De rechtbank oordeelt dat het in het belang van het kind is dat de zorgregeling wordt gehandhaafd, mede omdat de Raad voor de Kinderbescherming nader onderzoek doet. De moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling. Een dwangsom wordt niet opgelegd omdat onvoldoende reden bestaat om aan te nemen dat de moeder het vonnis niet zal naleven.

Uitkomst: De moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorg- en contactregeling met het kind, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/351688 / KG ZA 26-148
Vonnis in kort geding van 24 juni 2026
in de zaak van
[de vader],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M. Bos,
tegen
[de moeder],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. E.G.W. Hendriks, gevestigd in Kerkrade.

1.De procedure

1.1
De vader heeft de moeder gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag,
10 juni 2026, heeft hij gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties en ter zitting overgelegde pleitnota nader heeft toegelicht.
1.2
De moeder heeft aan de hand van de op voorhand toegezonden conclusie van antwoord tevens eis in reconventie, verweer gevoerd tegen de vordering van de vader respectievelijk haar eis in reconventie toegelicht, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.
1.3
De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1
Uit de inmiddels beëindigde relatie van partijen is de minderjarige [minderjarige] geboren op [geboortedag] 2022 te [geboorteplaats] .
2.2
De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar
hoofdverblijfplaats bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 27 november 2023 is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de moeder bepaald. Tevens is een zorgregeling vastgesteld als volgt:
  • [minderjarige] verblijft iedere dinsdag, woensdag en donderdag (met overnachting) bij de vader, waarbij de vader [minderjarige] op dinsdag ophaalt van de opvang en de moeder [minderjarige] op donderdag om 09.00 uur ophaalt bij de vader;
  • [minderjarige] verblijft iedere zaterdag van 08.30 uur tot 17.15 uur bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige] brengt en haalt;
  • [minderjarige] verblijft ieder eerste weekend van de maand van zaterdag 08.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag naar de vader brengt en de vader [minderjarige] op zondag naar de moeder brengt;
  • de vakanties, verjaardagen en feestdagen worden in onderling overleg verdeeld.
2.4
Bij vonnis in kort geding van 18 juni 2024 is de vordering van de moeder betreffende vervangende toestemming voor een verhuizing naar Amstenrade afgewezen.
2.5
Bij beschikking van 21 november 2025 zijn de ouders, in de bodemprocedure, in de gelegenheid gesteld om deel te nemen aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Aan de Raad voor de Kinderbescherming is voorwaardelijk, indien het jeugdhulptraject niet wordt gestart of voortijdig wordt beëindigd, de opdracht gegeven onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de volgende vragen:
- is wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de vader in het belang van [minderjarige] ?
- welke mogelijkheden zijn er voor toedeling van de zorg- en opvoedingstaken voor [minderjarige] aan de ouder bij wie zij niet haar hoofdverblijfplaats heeft?
- welke basisschool is het meest passend voor [minderjarige] ?
- is het in het belang van [minderjarige] om deel te nemen aan het Rijksvaccinatie-programma?
Iedere verdere beslissing in de bodemprocedure is aangehouden.
In het kader van een voorlopige voorziening is de in het vonnis van 20 juni 2023 bepaalde kinderbijdrage gewijzigd in die zin dat de vader met ingang van 3 september 2025
voorlopig, een bijdrage van € 25,- per maand aan de moeder dient te voldoen.

3.Het geschil

In conventie
3.1
De vader vordert bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de moeder te veroordelen tot nakoming van de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] wekelijks van dinsdag na de opvang tot vrijdagochtend en van zaterdagochtend 9:00 uur tot zondagochtend 10:00 uur bij de vader verblijft en [minderjarige] in het eerste weekend van de maand van zaterdagochtend 9:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur bij de vader verblijft, dan wel een zodanige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter nodig acht;
de moeder te voordelen om aan de vader een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft integraal gevolg te geven aan het door de voorzieningenrechter in dezen te wijzen vonnis, met een maximum van
€ 10.000,- aan te verbeuren dwangsommen.
3.2
De moeder voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van de vader.
In reconventie
3.3
De moeder vordert om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de contactregeling tussen de vader en [minderjarige] op te schorten totdat de rechtbank hierover een nadere beslissing zal hebben genomen;
de vervangende toestemming te verlenen [minderjarige] in te schrijven bij [basisschool] te [plaats 2] .
3.4
De vader voert verweer en concludeert tot afwijzingen van de vorderingen van de moeder.
In conventie en reconventie
3.5
Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over het inschrijven van [minderjarige] op [basisschool] . Deze vordering is ingetrokken. Na afloop van de zitting is door de vader een bewijs ingediend dat hij het inschrijvingsformulier heeft ondertekend, zodat hier niet meer op hoeft te worden beslist.
3.6
Op de resterende stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en reconventie
4.1
De voorzieningenrechter is bevoegd in spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, deze te geven. [1] Spoedeisend belang heeft de eisende partij in ieder geval, indien van hem of haar niet kan worden gevergd dat zij een bodemprocedure afwacht.
4.2
De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang nu is komen vast te staan dat de moeder eenzijdig heeft besloten het contact tussen de vader en [minderjarige] stop te zetten en de vader geen omgang meer heeft gehad met [minderjarige] sinds 21 februari 2026.
Inhoudelijke beoordeling
4.3
De voorzieningenrechter stelt vast dat de ouders op tal van thema’s lijnrecht tegenover elkaar staan en niet in staat zijn het gesprek hierover aan te gaan en naar elkaar te luisteren. De spanningen blijven oplopen. Partijen zijn al langere tijd tegen elkaar aan het procederen en zijn in voornoemde bodemprocedure in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap in het kader van het Uniform Hulpaanbod. Inmiddels is gebleken dat dit traject voortijdig is beëindigd, omdat het partijen niet lukt zich te committeren aan het verbeteren van hun gezamenlijk ouderschap en onderlinge communicatie. De Raad gaat nu opnieuw onderzoek doen naar de onder 2.5. geformuleerde vragen.
4.4
Ter zitting is onweersproken komen vast te staan dat de moeder eenzijdig heeft besloten de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] , en daarmee indirect ook de omgang tussen [minderjarige] en haar grootouders, stop te zetten. De moeder vordert nu ook opschorting van de zorgregeling, waar de vader om nakoming vordert.
4.5
Als belangrijkste argument voor haar beslissing om de zorgregeling op te schorten stelt de moeder dat sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] , mede omdat bij de vader sprake is van verslavingsproblematiek. Ook stelt de moeder dat [minderjarige] niet goed verzorgd wordt bij de opa en oma thuis (waar de vader ook verblijft).
4.6
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder onvoldoende onderbouwd heeft waarom [minderjarige] geen contact kan hebben met haar vader of waarom dit contact, voor zover de moeder daar ter zitting op aanstuurt, begeleid zou moeten plaatsvinden. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe als volgt.
4.7
Onweersproken is komen vast te staan dat de vader in februari 2025 een terugval heeft gehad in zijn verslavingsproblematiek. Vanaf september 2025 is zijn drugsgebruik toegenomen. De relatie tussen de vader en zijn partner is eind 2025 beëindigd en de vader is bij zijn ouders gaan wonen en aan zichzelf gaan werken. De vader heeft in december 2025 een intake gehad bij [verslavingszorg] . Het traject bij [verslavingszorg] zou tien weken duren. De vader is vier weken lang twee dagen per week van 9:00 uur tot 17:00 uur naar [verslavingszorg] gegaan. In samenspraak met [verslavingszorg] is de vader overgestapt naar [afkickkliniek] . Daar is de vader op 22 januari 2026 aangemeld en daar staat hij nu op de wachtlijst, die naar verwachting 14 weken duurt, dus waar de vader op korte termijn kan starten. Ter overbrugging van de periode tussen de stop bij [verslavingszorg] en de start bij [afkickkliniek] gaat de vader momenteel vier keer per week naar meetings van NA (Narcotic Anonymous) in [plaats 3] . Ook heeft de vader gesprekken gevoerd met zijn psycholoog. De vader stelt dat hij al sinds 29 december 2025 clean is.
4.8
Eveneens is onweersproken komen vast te staan dat de moeder tijdens carnaval via de ex-partner van de vader heeft vernomen van zijn terugval. Dat is ook het moment geweest dat de moeder de zorgregeling heeft stopgezet.
4.9
De voorzieningenrechter constateert dat tijdens de periode dat sprake was van een terugval in drugsgebruik, de moeder geen signalen heeft ontvangen dat [minderjarige] niet veilig zou zijn geweest bij haar vader. De moeder heeft ook onvoldoende onderbouwd waaruit zou moeten blijken dat [minderjarige] nu niet veilig zou zijn bij haar vader. De door de moeder gestelde zorgen over de vader zijn drugsgebruik zijn door de moeder niet onderbouwd en door de vader gemotiveerd betwist. Dat het vertrouwen van de moeder geschaad is doordat de vader, en zijn ouders, niet eerlijk zijn geweest over de situatie naar de moeder toe is voor de voorzieningenrechter begrijpelijk. Dat is echter geen gegronde reden om nu de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] op te schorten. Ook het standpunt van de moeder dat [minderjarige] bij de grootouders, waar de vader momenteel verblijft, niet goed wordt verzorgd, is naar oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Ook deze zorgen zijn met name gebaseerd op verhalen van de ex-partner van de vader die zou hebben gezegd dat [minderjarige] twee magnums zou hebben gegeten. De vader heeft dit ter zitting gemotiveerd betwist. Ook zou sprake zijn geweest van onenigheid tussen de grootouders en de vader, maar ook dat incident wordt door de vader anders uitgelegd. Anders dan dat de moeder, wellicht gegronde, zorgen heeft over dat [minderjarige] mogelijk te veel wordt verwend door haar grootouders en dat het fijn zou zijn als de grootouders wat meer rekening zouden houden met haar wensen voor wat betreft de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , is niet gebleken dat er ernstige signalen zijn waaruit zou blijken dat [minderjarige] niet veilig zou zijn bij haar grootouders of niet goed verzorgd zou worden.
4.1
Wat betreft het standpunt van de moeder dat de omgang enkel onder begeleiding kan plaatsvinden is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook dit standpunt onvoldoende onderbouwd is. Nog daargelaten dat de moeder geen begeleide omgangsregeling heeft verzocht, heeft zij ook niet onderbouwd waarom er volgens haar enkel onder begeleiding omgang kan zijn en waar de moeder precies bang voor is. Er zijn geen concrete signalen waaruit blijkt dat [minderjarige] niet veilig is als zij alleen bij de vader zou zijn. Daar komt bij dat de vader bij zijn ouders verblijft waardoor eigenlijk altijd sprake is van extra toezicht. De moeder heeft ook nagelaten te onderbouwen waarom dat ook niet veilig zou zijn voor [minderjarige] .
4.11
Wel is duidelijk geworden dat de spanningen tussen de ouders de afgelopen tijd toenemen en dat helpt niet in deze situatie. Er hebben diverse incidenten plaatsgevonden. Zo is sprake geweest van een Veilig Thuis melding op 15 januari 2026. Deze melding is echter niet overgelegd en wordt door de vader betwist. Volgens de vader zou zelfs sprake zijn van een Veilig Thuis melding over een situatie bij de moeder thuis en betreft het een gewelds-incident tussen de moeder en haar ex-partner. Daarnaast is er een Veilig Thuis melding geweest op 2 februari 2026 over een incident bij de grootouders thuis. De vader stelt dat dit betrekking heeft op een incident op 1 februari 2026 waarbij de vader, buiten bijzijn van [minderjarige] , een forse woordenwisseling heeft gehad met zijn moeder waarbij over en weer is geschreeuwd en gescholden. De vader en zijn moeder waren boven terwijl [minderjarige] bij haar grootvader beneden was. Dat is ook de avond geweest dat de vader heeft besloten met [minderjarige] bij kasteel Erenstein in [plaats 2] te overnachten om de situatie te de-escaleren. De vader en zijn moeder hebben het weer goedgepraat en er zijn geen incidenten meer geweest. Ook is het onjuist dat de vader meerdere keren met [minderjarige] zou hebben overnacht in een hotel.
4.12
De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook uit voornoemde Veilig Thuis meldingen niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een dermate onveilige situatie bij de vader, dan wel de grootouders, dat de zorgregeling moet worden opgeschort. De moeder heeft nagelaten het rapport van Veilig Thuis te overleggen waardoor de meldingen niet zijn onderbouwd. Bovendien hebben de meldingen niet enkel betrekking op de vader gehad, maar ook op een situatie bij de moeder. De vader stelt verder dat hij niet op de hoogte is geweest van een vermeende triagetafel van 4 maart 2026 en hetgeen daar zou zijn besproken wordt dan ook door de vader betwist. Ook de inhoud van dit gesprek is niet nader onderbouwd.
4.13
Ter zitting is gebleken dat er nog een incident heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026 waarbij de ouders elkaar zijn tegengekomen en waarbij de vader met de grootvader achter de moeder aan is gereden. De moeder is daarbij in een doodlopende straat gereden waar zij moest omdraaien en de vader is daarbij uitgestapt en naar haar toegelopen. De moeder heeft zich in deze situatie angstig gevoeld en heeft aangifte gedaan tegen de vader. De vader stelt dat hij geen kwaad in de zin had en enkel [minderjarige] even wilde zien. Het mag duidelijk zijn dat, hoewel het begrijpelijk is dat de vader [minderjarige] mist en graag wil zien, dit geen slimme zet is geweest van de vader. Hij kan de situatie milder proberen te omschrijven door te zeggen dat het geen achtervolgen maar volgen was, en dat [minderjarige] sliep, terwijl dat door de moeder wordt betwist, maar de voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader en de grootvader in deze situatie niet in het belang van [minderjarige] hebben gehandeld. Zij heeft ongetwijfeld de angst en spanning van de moeder meegekregen en de voorzieningenrechter kan zich goed voorstellen dat de moeder de hele situatie als beangstigend heeft ervaren. Wat daarbij ook niet helpt is dat de vader op zitting lijkt te dreigen met dat hij aangifte tegen de moeder wil doen voor het op hem inrijden, tenzij zij nu ter zitting instemt met contactherstel. Desalniettemin is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook hierbij sprake is van een incident waaruit vooral duidelijk wordt dat de spanningen tussen de ouders oplopen en de situatie lijkt te escaleren. De voorzieningenrechter ziet in dit incident geen ernstig signaal dat [minderjarige] onveilig zou zijn bij de vader.
4.14
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen concrete signalen zijn waaruit zou blijken dat [minderjarige] niet veilig is bij de vader of dat nog steeds sprake is van een ernstige drugsverslaving bij de vader waardoor de zorgregeling opgeschort moet worden. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in overweging dat als de zorgen van de moeder echt zo groot waren, het op haar weg had gelegen om zelf een vordering tot opschorting in te dienen hetgeen zij pas heeft gedaan nadat door de vader nakoming is gevorderd. Het is voor de sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige] kwalijk dat haar contact met haar vader en ook met haar grootouders eenzijdig door de moeder is gestopt en naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet dit zo snel mogelijk hersteld worden. De voorzieningenrechter neemt daarbij ook in overweging dat de Raad voor de Kinderbescherming op dit moment nader onderzoek gaat doen onder andere naar de vraag welke zorgregeling in het belang van [minderjarige] wordt geacht. Om dit onderzoek goed te kunnen uitvoeren is het van belang dat de zorgregeling wordt gehandhaafd zoals de ouders het laatst zijn overeengekomen. Zo kan de Raad ook beter zicht krijgen op de thuissituatie van beide ouders en een gedegen advies geven over wat nu in het belang is van [minderjarige] .
4.15
De vader heeft onweersproken gesteld dat partijen niet langer uitvoering geven aan de bij beschikking van 27 november 2023 bepaalde zorgregeling maar dat de reguliere zorgregeling inmiddels als volgt is overeengekomen:
- [minderjarige] verblijft wekelijks van dinsdag na de opvang tot vrijdagochtend en van zaterdagochtend 9:00 uur tot zondagochtend 10:00 uur bij de vader en [minderjarige] verblijft in het eerste weekend van de maand van zaterdagochtend 9:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur bij de vader.
De voorzieningenrechter zal daarom de moeder veroordelen tot nakoming van deze zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] .
4.16
Wat betreft de vordering tot het opleggen van een dwangsom is de voorzieningen-rechter van oordeel dat hier op dit moment nog geen gegronde reden voor is. Hoewel de moeder wel eenzijdig de zorgregeling heeft stopgezet en zich daarmee niet aan een beschikking heeft gehouden, is voor de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat de moeder ook dit vonnis niet zou nakomen. De moeder heeft ook voorstellen gedaan tot videocontact omdat zij het wel in het belang van [minderjarige] acht dat er contact is met de vader. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat beide partijen het beste met [minderjarige] voor hebben en dat zij zich zullen houden aan dit vonnis.
4.17
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie en reconventie
5.1
veroordeelt de moeder tot nakoming van de zorg- en contactregeling tussen de vader en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] wekelijks van dinsdag na de opvang tot vrijdagochtend en van zaterdagochtend 9:00 uur tot zondagochtend 10:00 uur bij de vader verblijft en [minderjarige] in het eerste weekend van de maand van zaterdagochtend 9:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur bij de vader verblijft;
5.2
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3
was het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Van Binnebeke en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.

Voetnoten

1.Artikel 254 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).