ECLI:NL:RBLIM:2026:6489

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
11896562 \ CV EXPL 25-4050
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van den Berg Jeths-van Meerwijk
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a BW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betalingsovereenkomst en facturatie bij reclameplaatsing in winkelwagens

Partijen sloten op 5 oktober 2022 een overeenkomst voor 24 maanden waarbij reclame-uitingen op cartboards in winkelwagens werden geplaatst. De overeenkomst bepaalt dat de looptijd en facturatie ingaan op de eerste dag van plaatsing of uiterlijk 30 dagen na ondertekening.

De cartboards werden geplaatst op 21 december 2022, maar de kantonrechter stelt vast dat de looptijd ingaat op 5 november 2022, dertig dagen na ondertekening. De laatste factuur betreft het vierde kwartaal van het tweede contractjaar en is daarom terecht verzonden.

Gedaagde stelde dat de factuur onterecht was omdat de overeenkomst volgens hem op 4 november 2024 eindigde en de cartboards pas later geplaatst werden. De kantonrechter oordeelt dat deze tekortkoming geen rechtsgevolg heeft omdat gedaagde zich niet op opschorting, ontbinding of schadevergoeding heeft beroepen.

De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €3.529,09 plus wettelijke rente en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot betaling van de gevorderde bedragen en proceskosten, met uitvoerbaar bij voorraad verklaring.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11896562 \ CV EXPL 25-4050
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij], H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij],
gemachtigde: Armaere Incassospecialisten & Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. L.W.J.P.F. Einig.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 4,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6,
- de brief van 22 januari 2026 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is
bepaald,
- de akte van [eisende partij] met aanvullende producties A, B en C,
- de mondelinge behandeling van 29 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 5 oktober 2022 een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eisende partij] reclame-uitingen van [gedaagde partij] op cartboards in winkelwagens van supermarkten zou verzorgen.
2.2.
In de overeenkomst is het volgende bepaald:
“De overeenkomst wordt aangegaan voor de duur van 24 maanden. Na het einde van deze periode wordt de overeenkomst telkens verlengd met eenzelfde periode, tenzij de deelnemer tenminste 3 (drie) maanden voor afloop van de looptijd van de overeenkomst schriftelijk opzegt. De Overeenkomst gaat in op de datum van ondertekening door de Deelnemer met dien verstande dat de looptijd en facturatie ingaat op de eerste dag van plaatsing van de CartBoards en uiterlijk 30 (dertig) dagen na ondertekening.”
2.3.
[eisende partij] heeft de cartboards in de winkelwagens geplaatst op 21 december 2022. [eisende partij] heeft vanaf die datum kwartaalfacturen verzonden aan [gedaagde partij] .
2.4.
Bij e-mail van 3 juli 2024 heeft [gedaagde partij] de overeenkomst schriftelijk opgezegd. In deze e-mail schrijft [gedaagde partij] het volgende:
“Hierbij wil ik u informeren dat het contract, dat verloopt op 5 oktober 2024, wil opzeggen. Conform de contractvoorwaarden en de opzegtermijn van drie maanden, stuur ik deze opzegging tijdig door.”
2.5.
Op 14 september 2024 heeft [eisende partij] een laatste factuur aan [gedaagde partij] verzonden, waarop onder meer de vermelding
“2e jaar 4de”staat.
2.6.
Tussen partijen is vervolgens een geschil ontstaan over de vraag op welke datum de overeenkomst is aangevangen en geëindigd.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van € 3.529,09 (inclusief de wettelijke handelsrente ad € 209,69 en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 415,40) vermeerderd met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom van € 2.904,00 vanaf 16 september 2025, met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure vermeerderd met de wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde partij] gehouden is de door [eisende partij] gevorderde bedragen te voldoen. Kern van het geschil is de ingangsdatum van de overeenkomst en de vraag of [eisende partij] de laatste kwartaalfactuur terecht aan [gedaagde partij] in rekening heeft gebracht.
4.2.
[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst is aangevangen op 21 december 2022, zijnde de datum waarop de cartboards zijn geplaatst. Zij stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst tot en met 20 december 2024 heeft geduurd, zodat zij het laatste kwartaal terecht aan [gedaagde partij] in rekening heeft gebracht. [gedaagde partij] stelt zich op het standpunt dat de overeenkomst uiterlijk 30 dagen na ondertekening, te weten 4 november 2022, is aangevangen en dat de overeenkomst derhalve op 4 november 2024 is geëindigd. Volgens [gedaagde partij] ziet de laatste factuur op een periode na het einde van de overeenkomst en is deze daarom niet verschuldigd.
4.3.
Bij de uitleg van contractsbepalingen komt het niet aan op 'een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het contract', maar op 'de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten'.
4.4.
In de overeenkomst is onder meer bepaald:

De Overeenkomst gaat in op de datum van ondertekening door de Deelnemer met dien verstande dat de looptijd en facturatie ingaat op de eerste dag van plaatsing van de CartBoards en uiterlijk 30 (dertig) dagen na ondertekening.”
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat uit deze bepaling volgt dat partijen hebben beoogd de overeenkomst op de datum van ondertekening tot stand te laten komen en voor de looptijd en facturatie een uiterste ingangsdatum van 30 dagen na ondertekening zijn overeengekomen. Nu de overeenkomst op 5 oktober 2022 is ondertekend, wordt uitgegaan van een ingangsdatum van de looptijd op 5 november 2022. Dat leidt echter niet tot de conclusie dat de laatste factuur niet verschuldigd is. Partijen zijn een overeenkomst aangegaan voor de duur van 24 maanden en dat is tussen partijen ook niet in geschil. Daarnaast zijn zij overeengekomen dat de vergoeding per kwartaal in rekening wordt gebracht. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeengekomen looptijd bestaat uit 8 kwartaalperioden. [eisende partij] heeft 8 kwartaalfacturen overgelegd, die telkens betrekking hebben op een opvolgende kwartaalperiode. De laatste factuur verwijst naar het vierde kwartaal van het tweede contractjaar. Deze factuur vermeldt geen concrete kalendermaanden. [gedaagde partij] heeft niet betwist dat deze factuur ziet op het achtste en laatste kwartaal van de overeengekomen contractduur. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat [eisende partij] deze kwartaalvergoeding terecht aan [gedaagde partij] in rekening heeft gebracht. De gevorderde hoofdsom is daarom toewijsbaar.
4.6.
[gedaagde partij] heeft nog aangevoerd dat, indien wordt uitgegaan van een ingangsdatum van 5 november 2022, [eisende partij] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst [1] omdat de cartboards eerst op 21 december 2022 zijn geplaatst. Aan deze gestelde tekortkoming heeft [gedaagde partij] evenwel geen rechtsgevolg verbonden. Zij heeft zich niet beroepen op opschorting van haar betalingsverplichtingen, ontbinding van de overeenkomst, vermindering van de overeengekomen vergoeding of schadevergoeding. Daar komt bij dat gesteld noch gebleken is dat [eisende partij] ter zake van de gestelde te late plaatsing in gebreke is gesteld of anderszins in verzuim is geraakt. Reeds daarom kan de gestelde tekortkoming, wat daarvan verder ook zij, niet leiden tot afwijzing van de gevorderde hoofdsom.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.7.
[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 415,40 worden toegewezen.
Proceskosten
4.8.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
506,00
(2 punten × € 253,00)
- nakosten
126,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.265,90

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 3.529,09, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 2.904,00, met ingang van 16 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.265,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Berg Jeths-van Meerwijk en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026 door mr. Van Leeuwen.

Voetnoten

1.Artikel 6:74 BW Pro