ECLI:NL:RBLIM:2026:6517

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
11980724 \ CV EXPL 25-5167
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:302 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119a lid 1 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing huurachterstand en matiging contractuele boete bij beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte

Renpart verhuurde een winkelruimte aan [gedaagde], die een aanzienlijke huurachterstand had opgebouwd van €36.136,14. Na opzegging van de huurovereenkomst door [gedaagde] en overleg over een eerdere beëindiging, stemden partijen in met beëindiging per 1 oktober 2025, hoewel schriftelijke vastlegging uitbleef.

Renpart vorderde betaling van de huurachterstand, een contractuele boete, incassokosten, ontruiming van het gehuurde en proceskosten. De kantonrechter oordeelde dat Renpart Retail XV Bewaar B.V. niet-ontvankelijk was omdat zij geen partij was bij de huurovereenkomst. De verklaring voor recht dat de huurovereenkomst per 1 oktober 2025 is beëindigd werd toegewezen.

De ontruimingsvordering werd afgewezen omdat [gedaagde] de ruimte inmiddels had verlaten en opgeleverd. De huurachterstand werd toegewezen, evenals de wettelijke rente. De contractuele boete werd gematigd van €69.600 naar €4.500 vanwege de hoge huurachterstand en schuldhulpverlening van [gedaagde]. Incassokosten werden verlaagd naar het wettelijke tarief van €1.181,36. [gedaagde] werd veroordeeld tot betaling van deze bedragen en de proceskosten.

Uitkomst: De huurovereenkomst is per 1 oktober 2025 beëindigd, de huurachterstand en een gematigde boete worden toegewezen, ontruiming wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11980724 \ CV EXPL 25-5167
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van

1.RENPART RETAIL XV C.V.,

te Den Haag,
2.
RENPART RETAIL XV BEWAAR B.V.,
te Den Haag,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Renpart of afzonderlijk Renpart Retail XV C.V. of Renpart Retail XV Bewaar B.V.,
gemachtigde: mr. C.J. Luijten,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: [gemachtigde] .
De zaak in het kort
Renpart verhuurde een winkelruimte aan [gedaagde] . Er is een betalingsachterstand ontstaan voor de huur en de servicekosten van in totaal € 36.136,14. Nadat [gedaagde] de huurovereenkomst schriftelijk heeft opgezegd, zijn partijen in overleg gegaan met elkaar om afspraken te maken over een eerder beëindiging van de huurovereenkomst per 1 oktober 2025. Partijen zijn er niet in geslaagd om afspraken te maken over de inmiddels verder toegenomen huurachterstand. De kantonrechter wijst de vorderingen bij gebrek aan inhoudelijke verweer grotendeels toe. Renpart heeft echter geen meer belang bij de gevorderde ontruiming, omdat [gedaagde] inmiddels de winkelruimte heeft verlaten en opgeleverd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 12 november 2025 van Renpart,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek,
- de conclusie van dupliek,
- de aanvullende productie 15 van Renpart,
- de mondelinge behandeling van 24 juni 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] dreef een onderneming, zijnde een herenmodewinkel [naam 1] (voorheen [naam 2] ). Deze onderneming is met ingang van 28 april 2025 opgeheven.
2.2.
Ontwikkelingsmaatschappij KIBO B.V. verhuurt met ingang van 1 juli 2016 aan [gedaagde] de winkelruimte aan het [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). Deze huurovereenkomst is aangegaan voor een periode van vijf jaar en op grond van een tussen Renpart Retail XV C.V. en [gedaagde] gesloten allonge voortgezet tot en met 5 mei 2026.
2.3.
Er gelden algemene bepalingen huurovereenkomst winkelruimte.
2.4.
De huur bedraagt € 2.662,07 (inclusief btw) per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.5.
Doordat de huurbetalingen vanaf 2019 moeizaam verliepen is [gedaagde] op 12 december 2024 door Renpart gemaand om de op dat moment ontstane huurachterstand te betalen.
2.6.
[gedaagde] heeft de huurovereenkomst op 7 april 2025 opgezegd welke opzegging door Renpart op 11 april 2025 is bevestigd. Daardoor zou de huurovereenkomst eindigen op 6 mei 2026.
2.7.
Sinds medio mei 2025 heeft [gedaagde] het gehuurde verlaten en ontplooit er geen activiteiten meer.
2.8.
[gedaagde] is akkoord gegaan met een beëindiging van de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2025. Er is geprobeerd om deze afspraken schriftelijk vast te leggen, maar [gedaagde] wilde niets tekenen.
2.9.
[gedaagde] heeft een achterstand in de betaling van de huur en de servicekosten over de periode juli 2019 tot 1 oktober 2025. De ontstane betalingsachterstand bedraagt op het moment van dagvaarden € 36.136,14.
2.10.
[gedaagde] heeft begin 2025 schuldhulpverlening gevraagd bij de [gemeente] .
2.11.
Nu [gedaagde] tot dusver de huurachterstand niet heeft voldaan, is Renpart deze procedure gestart.

3.Het geschil

3.1.
Renpart vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst tussen Renpart en [gedaagde] per 1 oktober 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd,
  • [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis het gehuurde met alle zich daarin bevindende personen en goederen te verlaten en te ontruimen en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Renpart te stellen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag tot een maximum van € 100.000,00,
  • [gedaagde] te veroordelen om aan Renpart te betalen een bedrag van € 36.136,14 aan achterstallige huur en servicekosten tot en met 1 oktober 2025, vermeerderd met de wettelijke rente,
  • [gedaagde] te veroordelen om aan Renpart te betalen de contractuele boete van
€ 69.600,00, subsidiair € 4.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente,
- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van
€ 2.217,16 aan Renpart, te vermeerderen met de wettelijke rente,
- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.
3.2.
Renpart legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde] is in haar verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. Daarom vordert Renpart niet alleen de achterstallige betalingen aan huur en servicekosten, maar ook een contractuele boete.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] stelt dat zij altijd bereid is geweest mee te werken aan de sleuteloverdracht en een correcte afwikkeling van de zaken. Echter, Renpart heeft haar die mogelijkheid ontnomen door onjuiste bedragen te noemen en onredelijke stellingen in te nemen. Had Renpart het voorstel van [gedaagde] geaccepteerd, dan waren de huurschuld en de bijkomende kosten niet zo hoog opgelopen. [gedaagde] had geen andere keuze dan akkoord te gaan met een verlenging van de huurovereenkomst, omdat er geen acceptabel alternatief werd geboden. Hoewel [gedaagde] een voorstel deed om de huurachterstand alsnog te voldoen, weigerde Renpart dit. [gedaagde] betwist de huurachterstand niet en stelde bovendien voor het naastgelegen pand te huren, wat eveneens door Renpart werd afgewezen. Door de tegenwerking van Renpart zijn de huurkosten en opgelegde boetes sterk gestegen. [gedaagde] twijfelt aan de juistheid van de contractuele boete en verzoekt de rechtbank hierover een oordeel te geven. Zij concludeert daarom tot afwijzing van de vorderingen van Renpart.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid eisende partijen
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat er twee eisende partijen zijn, te weten Renpart Retail XV C.V. en Renpart Retail XV Bewaar B.V. Tijdens de mondelinge behandeling is de heer [commercieel directeur] als commercieel directeur van beide rechtsvormen verschenen. Echter, de huurovereenkomst is gesloten tussen Ontwikkelingsmaatschappij KIBO B.V. en [gedaagde] . De allonge behorende bij de huurovereenkomst is gesloten tussen Renpart Retail XV C.V. en [gedaagde] . Nu Renpart Retail Bewaar B.V. geen partij is bij de huurovereenkomst en daarop gesloten allonge maakt dat zij niet ontvankelijk is in haar vordering.
Verklaring voor recht
4.2.
Renpart vordert voor recht te verklaren dat de huurovereenkomst tussen haar en [gedaagde] per 1 oktober 2025 is beëindigd. Daartoe bepaalt de wet dat op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon de rechter omtrent die rechtsverhouding een verklaring van recht uitspreekt. [1]
4.3.
Renpart heeft gesteld dat na opzegging van de huurovereenkomst op 7 april 2025 door [gedaagde] , partijen in overleg zijn gegaan om de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen. Door de opzegging aan de kant van [gedaagde] liep deze namelijk nog door tot 6 mei 2026. [gedaagde] heeft per e-mail aangegeven dat zij wel bereid was om de sleutels in te leveren, maar wilde niets tekenen. Hoewel Renpart er de voorkeur aan gaf dat [gedaagde] schriftelijk zou bevestigen dat zij gehouden was tot betaling van zowel de huurachterstand als contractuele boete, heeft Renpart voorgesteld om de huurovereenkomst per 15 september 2025 te beëindigen. Na het uitblijven van een reactie aan de kant van [gedaagde] heeft Renpart een nieuwe datum voorgesteld, te weten 1 oktober 2025. [gedaagde] heeft daarop via haar gemachtigde per brief van 17 september 2025 bevestigd dat zij akkoord ging met een beëindiging van de huurovereenkomst per 1 oktober 2025. Er is nog getracht om de afspraken omtrent de beëindiging van de huurovereenkomst schriftelijk vast te leggen, maar [gedaagde] bleef bij haar standpunt dat zij enkel de sleutels wilde inleveren en niets wilde ondertekenen.
4.4.
De kantonrechter oordeelt dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen zoals gevorderd. [gedaagde] heeft immers niet weersproken dat de huurovereenkomst per 1 oktober 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd. Dat [gedaagde] niet bereid was om daarover schriftelijke afspraken te maken doet daar verder niets aan af.
Vordering tot ontruiming
4.5.
Op 28 maart 2026 zijn er aan de kant van Renpart aanvullende producties overlegd. Daaruit blijkt dat het gehuurde door [gedaagde] alsnog aan Renpart op 25 maart 2026 is ontruimd en opgeleverd. Daarbij is ook een proces-verbaal van oplevering overlegd. Renpart heeft hierdoor geen belang meer bij de gevorderde ontruiming. De kantonrechter zal de vordering tot ontruiming daarom afwijzen. Ook de gevorderde dwangsom wijst de kantonrechter af.
Huurachterstand
4.6.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de ontstane huurachterstand aan Renpart moet betalen. Renpart vordert een bedrag van € 36.136,14 aan achterstallige huur en servicekosten over de periode van juli 2019 tot en met 1 oktober 2025, maar overlegt daartoe een overzicht met de openstaande bedragen over de periode tot en met september 2025. De huurovereenkomst is immers per 1 oktober 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd. Daarmee heeft zij haar vordering voldoende onderbouwd en toegelicht. Aan de kant van [gedaagde] is er ook geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de ontstane huurachterstand. Weliswaar voert [gedaagde] aan dat zij de huur over de maanden januari, februari en maart tijdig heeft voldaan, maar onderbouwt dat verder niet met stukken. Het is daarmee voor de kantonrechter niet duidelijk over welke maanden in welk jaar zij de huur zou hebben betaald. Door het ontbreken van een nadere onderbouwing kan daarmee ook geen rekening worden gehouden. Ook de stellingname van [gedaagde] van het hanteren van onjuiste bedragen door Renpart, wordt nader toegelicht noch onderbouwd. Het vorenstaande leidt ertoe dat de kantonrechter de vordering tot betaling van de achterstallige huur zal toewijzen zoals gevorderd.
4.7.
Renpart vordert daarnaast de huurachterstand te vermeerderen met de wettelijke rente. De kantonrechter wijst deze gevorderde rente toe.
Contractuele boete
4.8.
Renpart vordert een contractuele boete van € 69.600,00, en voor het geval dat niet wordt toegekend, een bedrag van € 4.500,00. Volgens artikel 26.2 van de algemene bepalingen is [gedaagde] een direct opeisbare boete verschuldigd van 2% van het verschuldigde bedrag per kalendermaand, met een minimum van € 300,00 voor iedere maand dat de huur niet uiterlijk op de vervaldag is voldaan. Op de datum van de dagvaarding bedraagt de boete € 69.600,00. Mocht de kantonrechter oordelen dat de boete slechts één keer per maand kan worden opgelegd, dan vordert Renpart subsidiair een boete van € 4.500,00, gebaseerd op 15 maanden à € 300,00 per maand.
4.9.
De kantonrechter mag een contractuele boete alleen matigen als de toepassing ervan in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Er is sprake van een behoorlijke huurachterstand. Het doel van een boetebeding is een prikkel tot nakoming. Echter, bij gebrek aan financiële middelen en een dermate hoge huurachterstand wordt hieraan voorbijgeschoten. Uit de overlegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is namelijk gebleken dat [gedaagde] momenteel schuldhulp krijgt via de [gemeente] . Bovendien is er sprake van een wanverhouding tussen de hoogte van de boete en de gevorderde huurachterstand. Renpart heeft zelf ter zitting verklaard dat zij zichzelf verwijt dat zij de situatie te lang heeft laten doorlopen waardoor de huurschuld alleen nog maar verder is opgelopen. Daarom zal de kantonrechter het bedrag aan contractuele boete matigen tot het subsidiaire bedrag. Het bedrag van € 4.500,00 zal dan ook worden toegewezen.
4.10.
Ook zal de kantonrechter de wettelijke rente over de contractuele boete toewijzen zoals gevorderd.
Buitengerechtelijke incassokosten en rente
4.11.
Renpart maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor een bedrag van € 2.217,16 inclusief btw. Er is sprake van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a lid 1 BW die op of na 16 maart 2013 is gesloten. In dat geval zal de kantonrechter moeten beoordelen in hoeverre de gemaakte kosten redelijk zijn. De vordering moet daarom worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Renpart baseert haar vordering op artikel 33.1 van de algemene voorwaarden. Daarin staat het volgende:
Kosten, verzuim
33.1.
In alle gevallen waarin verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan huurder doet uitgeven, of in geval van procedures tegen huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of tot ontruiming te dwingen, is huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door verhuurder te betalen proceskosten – aan verhuurder te voldoen. De gemaakte kosten worden tussen partijen bij voorbaat vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door deurwaarders wordt gehanteerd.
Renpart heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat er incassowerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Nu de kantonrechter de vordering heeft verminderd naar een bedrag van in totaal € 40.636,14 (€ 36.136,14 aan hoofdsom en € 4.500,00 aan contractuele boete) zullen de buitengerechtelijke kosten worden verlaagd naar het bijbehorende wettelijke tarief. Daarom zal de kantonrechter een bedrag van € 1.181,36 toewijzen.
4.12.
De wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten vanaf 12 november 2025 zal worden toegewezen zoals gevorderd.
[gedaagde] wordt in de proceskosten veroordeeld
4.13.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Renpart worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,21
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
3.030,00
(3 punten × € 1.010,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.755,21

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen Renpart en [gedaagde] per 1 oktober 2025 met wederzijds goedvinden is beëindigd,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Renpart tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 36.136,14 aan achterstallige huur en servicekosten tot 1 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke rente over de verschuldigde huurtermijnen, telkens te rekenen vanaf de vervaldata van die huurtermijnen tot de dag van voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Renpart tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de contractuele boete van € 4.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 november 2025 tot de dag van voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Renpart een bedrag van € 1.181,36 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, vanaf 12 november 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 4.755,21 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 3:302 BW Pro.