ECLI:NL:RBLIM:2026:6521

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/03/323787 / HA ZA 23-476
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijs en aansprakelijkheid in bouwgeschil over afschot balken en inmeten dorpels

In deze bouwzaak tussen [opdrachtgever 1] c.s. en [aannemer] staat centraal of de aannemer verantwoordelijk is voor het op afschot leggen van de balken en het correct inmeten van de raamdorpels. Na uitgebreid getuigenverhoor en bewijslevering oordeelt de rechtbank dat eisers niet geslaagd zijn in het bewijs dat de aannemer deze werkzaamheden heeft uitgevoerd of correct heeft uitgevoerd.

De rechtbank weegt tegenstrijdige getuigenverklaringen af en concludeert dat de verklaringen van de aannemer en zijn getuige geloofwaardiger zijn dan die van de eisers en hun getuigen. Ook de overgelegde foto’s en app-berichten bieden onvoldoende bewijs. Hierdoor worden de vorderingen tot betaling van herstelkosten afgewezen.

Ten aanzien van de inmeting van de raamdorpels is eveneens onvoldoende bewijs geleverd dat de aannemer deze heeft verricht. De rechtbank wijst ook deze vordering af. Wel wordt de aannemer veroordeeld tot betaling van een bedrag van €10.802,95 met wettelijke rente vanaf 23 juni 2020 en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €1.068,47.

In reconventie worden de eisers veroordeeld tot betaling van twee facturen aan de aannemer, inclusief wettelijke rente vanaf 3 januari 2024. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Eisers slagen niet in bewijs dat aannemer verantwoordelijk is voor afschot balken en inmeten dorpels; aannemer veroordeeld tot betaling van €10.802,95 plus rente en incassokosten; eisers veroordeeld tot betaling van facturen aan aannemer.

Uitspraak

ECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/323787 / HA ZA 23-476
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van

1.[opdrachtgever 1] ,2. [opdrachtgever 2] ,

beiden wonende te [woonplaats 1] ,
eisers in conventie, verweerders in reconventie,
advocaat: mr. D. Dronkers;
tegen:
[aannemer] ,
handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
advocaat: mr. Z.I.B. Heuts.
Partijen zullen hierna [opdrachtgever 1] c.s. en [aannemer] genoemd worden.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024;
- de akte na tussenvonnis van [opdrachtgever 1] c.s. met productie 21;
- het proces-verbaal van enquête van 24 juni 2025;
- het proces-verbaal van contra-enquête van 15 december 2025;
- de conclusie na enquête en contra-enquête van [opdrachtgever 1] c.s.;
- de conclusie na enquête en contra-enquête van [aannemer] ;
- de antwoordconclusie na enquête en contra-enquête van [opdrachtgever 1] c.s.;
- de antwoordconclusie na enquête en contra-enquête van [aannemer] .
1.2.
Ten slotte is wederom vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

In conventie
2.1.
Bij het tussenvonnis van 18 december 2024 zijn [opdrachtgever 1] c.s. toegelaten te bewijzen dat:
  • zij met [aannemer] de afspraak hebben gemaakt dat hij de balken op afschot zou leggen;
  • [aannemer] de maten van de dorpels verkeerd heeft ingemeten met de leverancier.
2.2.
In het kader van de bewijsopdracht hebben [opdrachtgever 1] c.s. getuigen laten horen en productie 21 bij akte na tussenvonnis in het geding gebracht. Deze akte bevat foto’s, app-berichten en commentaar van [opdrachtgever 1] c.s. op een en ander.
Ten aanzien van het eerste deel van het te leveren bewijs (afschot balken)
De verklaringen van de getuigen in enquête
2.3.
[opdrachtgever 1] heeft zichzelf als getuige laten horen. Zakelijk weergegeven heeft hij het volgende verklaard. In een gesprek met [aannemer] , over het aanbrengen van isolatie op het dak, is met [aannemer] de afspraak zijn gemaakt dat [aannemer] de balken op afschot zou leggen, omdat [opdrachtgever 1] daarvoor de materialen niet had en [opdrachtgever 1] niet over de kennis beschikt die daarvoor nodig is. [opdrachtgever 1] heeft over het werkproces verklaard dat hij de balken gelegd heeft en dat daarna de balken op afschot gelegd moeten worden, waarbij gebruik gemaakt wordt van stempels. [aannemer] is met de balken en stempels in de weer geweest. Dat blijkt uit de foto die hij als productie 21 in het geding heeft gebracht. De steun die zichtbaar is op deze foto heeft [opdrachtgever 1] niet geplaatst en ook niemand uit zijn omgeving. Volgens [opdrachtgever 1] heeft [aannemer] destijds op een vraag van [deskundige] geantwoord dat hij de balken op afschot heeft gelegd.
2.4.
Ook [opdrachtgever 2] heeft zichzelf als getuige laten horen. Zij heeft, kort samengevat,
verklaard dat in de eerste offerte van [aannemer] afschotisolatie stond opgenomen als te gebruiken materiaal. Dat bleek echter niet te verkrijgen te zijn. Daarop hebben haar man en zij dat met [aannemer] besproken, waarop [aannemer] verklaarde dat ook gewone isolatie kan worden gebruikt en dat hij het dak dan op afschot zou leggen. In de beleving van [opdrachtgever 2] hebben partijen een duidelijke afspraak gemaakt. Verder is hierover niet meer gesproken. De balken voor het dak zijn gelegd door haar man, haar zoon en een vriend van haar zoon. [opdrachtgever 2] verklaart dat zij er niet bij was toen het dak op afschot is gelegd. Ze heeft het dak gezien toen het klaar was. Ook heeft ze stutten gezien en heeft ze gezien dat metselwerk had plaatsgevonden. Volgens [opdrachtgever 2] hebben haar man en haar zoon dat metselwerk niet uitgevoerd, omdat zij niet kunnen metselen. De stutten die zijn afgebeeld op de foto die als productie 21 in het geding is gebracht, zijn niet van [opdrachtgever 1] c.s., maar van [aannemer] .
2.5.
[getuige 1] , de zoon van [opdrachtgever 2] , heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij niet aanwezig is geweest bij de gesprekken die zijn moeder, zijn stiefvader en [aannemer] gevoerd hebben en waarbij afspraken zijn gemaakt over de bouw. Hij is dus ook niet aanwezig geweest bij afspraken over het op afschot leggen van de balken. Wel was hij aanwezig en heeft hij geholpen toen de balken van het dak op afschot werden gelegd door [persoon] , een compagnon van [aannemer] . [persoon] heeft de stutten onder de balken gezet. Daarna heeft hij horizontaal een koord gespannen om de juiste hoogte uit te kunnen meten. Vervolgens zijn de stutten omhoog gedraaid tegen de balken aan. Daarna heeft [getuige 1] de ankers en de betonblokken aangereikt. [persoon] heeft vervolgens de ankers vastgezet en de betonblokken ingemetseld. Daarmee was het werk van het op afschot leggen van de balken voltooid. Hij weet niet of [aannemer] nog langs is geweest om te controleren of het op afschot leggen goed gebeurd is. De eerste foto die is gevoegd bij productie 21 is volgens [getuige 1] gemaakt op de dag dat de balken op afschot zijn gelegd.
2.6.
[getuige 2] , partijdeskundige van [opdrachtgever 1] c.s., heeft – kort gezegd – als getuige verklaard dat hij in de voorlaatste alinea op pagina 15 van zijn partijdeskundigenbericht de discussie tussen partijen tot uitdrukking heeft willen brengen wie het platte dak op afschot gelegd heeft. Volgens hem zeiden [opdrachtgever 1] c.s. dat [aannemer] dat had gedaan, en zei [aannemer] dat [opdrachtgever 1] c.s. dat hadden gedaan. Het is volgens [getuige 2] gebleven bij een discussie op dat moment, waarop zij later niet meer zijn teruggekomen.
De verklaringen van de getuigen in contra-enquête
2.7.
[getuige 3] , die in loondienst is bij [aannemer] , heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij niet betrokken is geweest bij het sluiten van de overeenkomst tussen partijen. Hij was ook niet aanwezig toen partijen afspraken maakten over het dak. Wat hij weet over de afspraken die gemaakt zijn, heeft hij gehoord van [aannemer] . In eerste instantie zou het dak worden gerealiseerd met afschotisolatie. Daarvan is afgezien, omdat het te duur was. [opdrachtgever 1] c.s. wilden het dak vervolgens zelf maken. [getuige 3] heeft verklaard dat hij stutten heeft moeten plaatsen voor de balken, in verband met de muur die nog niet gemetseld was. Hij heeft niet geholpen met het op afschot leggen van het dak. Wel heeft hij geholpen met het naar boven brengen van de dakplaten. Hij heeft ze er, uit goede wil, los opgelegd.
[getuige 3] heeft verder verklaard dat hij de werkzaamheden die zijn vermeld in de tweede alinea van het proces-verbaal van het verhoor van [getuige 1] , inderdaad verricht heeft. Met het verrichten van die werkzaamheden heeft hij het dak echter niet op afschot gelegd. De werkzaamheden die hij verricht heeft, waren nodig voor het realiseren van het dak. De werkzaamheden van het aanreiken van ankers en betonbokken door [getuige 1] , zagen volgens [getuige 3] niet op de balken van het dak. [getuige 3] heeft verklaard dat hij alleen ankers moest monteren en betonblokken tussen de balken moest aanmetselen. Het afschot kon na die werkzaamheden gerealiseerd worden aan de andere muur. De balken lagen nog los. Met de andere muur heeft hij zich niet bemoeid, evenmin als met het op afschot leggen. Hij was er niet bij toen het dak op afschot is gelegd. Hij heeft ook niet gehoord wie het dak uiteindelijk op afschot heeft gelegd. Om het dak op afschot te kunnen leggen, zijn geen speciale gereedschappen nodig. Wel is de juiste maatvoering nodig. [getuige 3]
[getuige 3] weet niet of en van wie [opdrachtgever 1] c.s. de juiste maatvoering hebben vernomen. [opdrachtgever 1] c.s., noch [getuige 1] hebben hem later om hulp gevraagd bij het op afschot leggen van het dak. Met [opdrachtgever 1] heeft [getuige 3] alleen contact gehad over de wijze waarop [opdrachtgever 1] de balken moest leggen. Hij heeft [opdrachtgever 1] de beste methode uitgelegd en hij heeft daarbij gesproken over 61 cm. Dat ziet op maatvoering die betrekking heeft op de balken, maar ziet niet op het afschot. Volgens [getuige 3] zou hij de muren aanmetselen tussen de balklagen en dat is ook gebeurd.
2.8.
[aannemer] heeft als getuige – kort weergegeven – het volgende verklaard. [opdrachtgever 1] c.s. wilden aanvankelijk een andere partij het dak laten maken. Toen die de balkenlaag niet wilde leggen, maar alleen branden, hebben [opdrachtgever 1] c.s. besloten om het dak zelf te maken. [opdrachtgever 1] heeft vervolgens bij getuige [aannemer] de maten van de balken, de aantallen etc. gevraagd. Getuige [aannemer] heeft dat voor [opdrachtgever 1] uitgerekend en de resultaten aan [opdrachtgever 1] doorgegeven. Verder heeft hij [opdrachtgever 1] mondeling uitgelegd hoeveel het afschot moest zijn en hoeveel hout hij onder de balken moest leggen. Nadat hij [opdrachtgever 1] had uitgelegd wat hij moest doen, was het volgens getuige [aannemer] voor [opdrachtgever 1] duidelijk wat hij moest doen.
[aannemer] heeft alleen de balken aangemetseld, en de storm- en balkankers bevestigd. De rest van de werkzaamheden aan het dak heeft getuige [aannemer] aan de [opdrachtgever 1] overgelaten. De verklaring van [getuige 1] luidende: “daarmee was het op afschot leggen van de balken voltooid.” is volgens getuige [aannemer] niet juist. Het op afschot leggen moest nog gebeuren. Het op afschot leggen ontstaat door de balken vanaf de stalen balk te laten lopen naar de muur aan de andere kant. Die muur aan de andere kant was echter nog niet op hoogte gemetseld. Daarom zijn stutten geplaatst om de balken te dragen. Later, bij het afmaken van de muur, kunnen de balken op de goede hoogte gelegd worden. De muur is op hoogte gemetseld conform de bouwtekening. Daarna heeft getuige [aannemer] de balklaag aangemetseld. Getuige
[aannemer] heeft niet gecontroleerd of [opdrachtgever 1] de balken op voldoende afschot heeft gelegd. Dat deel van het werk was volgens de getuige immers uit de opdracht gehaald.
Ten aanzien van het tweede deel van het te leveren bewijs (maten dorpels)
De verklaringen van de getuigen in enquête
2.9.
[opdrachtgever 1] heeft als getuige – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard.
Toen hij en zijn partner op vakantie waren, kreeg hij een WhatsApp-bericht van [aannemer] met de vraag wie leverancier van de raamdorpels was. Hij heeft de gegevens van de leverancier aan [aannemer] doorgegeven. Volgens [opdrachtgever 1] was de bedoeling dat de leverancier zou komen en dat de raamdorpels ingemeten zouden worden. Hij weet niet wanneer de raamdorpels ingemeten zijn. Toen [opdrachtgever 1] c.s. terugkwamen van vakantie waren de raamdorpels er. Voordat zij op vakantie gingen, was er geen leverancier langs geweest.
2.10.
[opdrachtgever 2] heeft als getuige – kort samengevat – verklaard dat voordat zij en haar man in maart, een paar jaar geleden, op vakantie gingen, de raamdorpels, voor zover zij zich kan herinneren, nog niet ingemeten waren. Zij weet niet of tijdens de vakantie contact is geweest tussen haar man en [aannemer] over de raamdorpels. Toen ze terugkwamen van vakantie lagen de raamdorpels er.
2.11.
[getuige 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij niet aanwezig was toen de dorpels werden ingemeten. Wel weet hij wanneer de dorpels zijn geplaatst, omdat hij daarbij aanwezig was. Hij weet niet wie de dorpels zou inmeten, maar hij wist wel van welke leveranciers de dorpels zouden komen. Met de leverancier heeft hij niet gesproken over het inmeten van de dorpels.
2.12.
[getuige 4] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij honderd procent zeker weet dat hij zelf langs is gegaan voor de meting. Hij kan zich niet meer herinneren of [opdrachtgever 1] daarbij aanwezig was. In zijn herinnering was er wel iemand aanwezig bij de inmeting, maar hij weet niet meer of dat [opdrachtgever 1] , [aannemer] of iemand anders was. Gebruikelijk is dat bij het opnemen of de opdrachtgever of de aannemer aanwezig is.
2.13.
[getuige 2] heeft verklaard – zakelijk weergegeven – dat de kern van de discussie over het opmeten van de raamdorpels vermeld staat op pagina 16 van zijn rapport; in de alinea boven de onderste drie foto’s.
De verklaringen van de getuigen in contra-enquête
2.14.
[getuige 3] heeft verklaard – kort gezegd – dat hij niet aanwezig was bij het opmeten van de natuurstenen raamdorpels voor de patio.
2.15.
[aannemer] heeft als getuige verklaard – kort samengevat – dat noch hijzelf, noch zijn werknemer de heer [getuige 3] , noch iemand anders van zijn bedrijf aanwezig was bij het inmeten van de raamdorpels. Volgens hem heeft [opdrachtgever 1] hem verteld dat hij het zelf gedaan heeft in de avonduren met de steenleverancier.
Het standpunt [opdrachtgever 1] c.s. na het horen van de getuigen
2.16.
In hun conclusie na enquête voeren [opdrachtgever 1] c.s. aan dat [aannemer] zich op grond van zijn offerte contractueel verbonden heeft tot het coördineren en aansturen van de bouwwerkzaamheden. Daaronder is ook begrepen het plaatsen van de stalen balken. Met het in rekening brengen van kosten van regie en coördinatie is duidelijk dat [aannemer] niet alleen derden zou aansturen, maar dat hij ook verantwoordelijk is voor de juiste volgorde en afstemming van werkzaamheden. Dat geldt volgens [opdrachtgever 1] c.s. ook voor het coördineren van werkzaamheden van de opdrachtgever zelf. Juist omdat [opdrachtgever 1] c.s. regiekosten hebben betaald, mochten zij erop vertrouwen dat [aannemer] de bouwkundige keuzes, waaronder het realiseren van het afschot, op deskundige wijze zou voorbereiden, uitvoeren en controleren.
Het standpunt van [aannemer] na het horen van de getuigen
2.17.
[aannemer] betwist dat hij zich contractueel verbonden heeft tot het coördineren en het aansturen van het bouwproces. Dit volgt niet uit de offerte en de overige stukken, en het is ook niet afgesproken. Er zijn volgens [aannemer] geen coördinatiekosten in rekening gebracht; er was sprake van een regieovereenkomst.
Het oordeel van de rechtbank
2.18.
[opdrachtgever 1] c.s. hebben (pas) bij conclusie na enquête het standpunt ingenomen dat
[aannemer] zich contractueel verbonden heeft tot het coördineren en aansturen van het bouwproces als geheel. [opdrachtgever 1] c.s. willen daarmee klaarblijkelijk betogen dat, daargelaten wie van partijen verantwoordelijk is voor het op afschot leggen van het dak, [aannemer] in ieder geval verantwoordelijk is voor de controle of dat op afschot leggen ook correct is gebeurd. Voor de onderbouwing van het standpunt dat [aannemer] de bedoelde coördinerende werkzaamheden op zich zou hebben genomen, verwijzen [opdrachtgever 1] c.s. naar post 00-023 van de offerte. [1] In die offerte wordt die post als volgt omschreven: “Coördinatie directie leveringen.” Blijkens de verdere informatie bij deze post ziet het op werkzaamheden gedurende een twintigtal weken. Het gebruik van het woord “leveringen” doet vermoeden dat de bedoelde werkzaamheden enkel zien op de coördinatie van
leveringenen dus niet op de coördinatie van
werkzaamheden. [opdrachtgever 1] c.s. hebben anderszins niet aannemelijk gemaakt dat die coördinerende werkzaamheden zagen op werkzaamheden die zijzelf uitgevoerd hebben of hebben laten uitvoeren door derden. De rechtbank verwerpt daarom dit standpunt.
2.19.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn [opdrachtgever 1] c.s. niet geslaagd in het eerste deel van het bewijs (op afschot leggen van de balken) waartoe zij zijn toegelaten. Tegenover de verklaringen van [opdrachtgever 1] , [opdrachtgever 2] en [getuige 1] , dat [aannemer] het dak op afschot heeft gelegd, staan de verklaringen van [getuige 3] en [aannemer] , dat dat door [opdrachtgever 1] c.s. is gebeurd. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de verklaringen van [opdrachtgever 1] ,
[opdrachtgever 2] en [getuige 1] geloofwaardiger zijn dan de verklaringen van [getuige 3] en [aannemer] . De rechtbank kan het bewijs evenmin afleiden uit de inhoud van productie 21 van [opdrachtgever 1] c.s. en de productie die zij gehecht hebben aan de conclusie na enquête. De slotsom is dat de vorderingen die strekken tot betaling van de kosten van het herstel en van het verwijderen en later opnieuw monteren van de zonnepanelen op het dak moeten worden afgewezen.
2.20.
Ten aanzien van het tweede deel van het door [opdrachtgever 1] c.s. te leveren bewijs (maten dorpels) is rechtbank eveneens van oordeel dat [opdrachtgever 1] c.s. niet geslaagd zijn in het bewijs waartoe zij zijn toegelaten. Uit de verklaringen van [opdrachtgever 1] , [opdrachtgever 2] en [getuige 1] blijkt niet dat [aannemer] de dorpels heeft ingemeten. De leverancier van de dorpels, [getuige 4] , weet niet meer wie aanwezig was bij het inmeten. Dat betekent dat de vordering tot betaling van de herstelkosten van het gebrek betreffende de dorpels moet worden afgewezen.
2.21.
Op grond van hetgeen in het tussenvonnis van 18 december 2024 en thans in dit vonnis wordt overwogen, komen de volgende schadeposten voor vergoeding in aanmerking:
De wettelijke rente over € 10.802,95 zal worden toegewezen vanaf de gevorderde en
onbetwiste datum 23 juni 2020.
De buitengerechtelijke incassokosten
2.22.
[opdrachtgever 1] c.s. vorderen vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [aannemer] heeft hiertegen geen verweer gevoerd.
2.23.
De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [opdrachtgever 1] c.s. hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [opdrachtgever 1] c.s. hebben daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 1.068,47 worden toegewezen.
De proceskosten
2.24.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In reconventie
2.25.
Met betrekking tot de vorderingen in reconventie verwijst de rechtbank naar de oordelen in rov. 4.34. tot en met 4.40. van het tussenvonnis van 18 december 2024.
2.26.
In rov. 4.36. tot en met 4.38. heeft de rechtbank het oordeel over de factuur met [factuurnummer] van € 12.100,00 inclusief btw aangehouden in afwachting van de bewijslevering in conventie. Inmiddels is in conventie duidelijk geworden welke schadevergoeding [aannemer] aan [opdrachtgever 1] c.s. moet betalen. Dat betekent dat de reden voor opschorting van de betalingsverplichting van voornoemde factuur is komen te vervallen. [opdrachtgever 1] c.s. zullen veroordeeld worden om vanwege voornoemde factuur € 12.100,00 inclusief btw aan [aannemer] te betalen. De hierover gevorderde rente zal worden toegewezen met ingang van de dag van het instellen van de vordering in reconventie (3 januari 2024), omdat niet is gesteld of gebleken waarom [opdrachtgever 1] c.s. die rente verschuldigd zouden zijn vanaf het moment van de dagvaarding.
2.27.
In rov. 4.40. van het tussenvonnis heeft de rechtbank al geoordeeld dat in verband met de meerwerkfactuur met nummer 2020-10 een bedrag van € 2.260,11 inclusief btw toewijsbaar is. De hierover gevorderde rente zal worden toegewezen met ingang van de dag van het instellen van de vordering in reconventie (3 januari 2024), omdat niet is gesteld of gebleken waarom [opdrachtgever 1] c.s. die rente verschuldigd zouden zijn vanaf het moment van de dagvaarding.
De proceskosten
2.28.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank:
in conventie
3.1.
veroordeelt [aannemer] om aan [opdrachtgever 1] c.s. te betalen een bedrag van € 10.802,95, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van
23 juni 2020, tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt [aannemer] om aan [opdrachtgever 1] c.s. te betalen een bedrag van € 1.068,47 aan buitengerechtelijke kosten;
3.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
3.6.
veroordeelt [opdrachtgever 1] c.s. om aan [aannemer] te betalen een bedrag van € 12.100,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 3 januari 2024, tot de dag van volledige betaling;
3.7.
veroordeelt [opdrachtgever 1] c.s. om aan [aannemer] te betalen een bedrag van € 2.260,11 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 3 januari 2024, tot de dag van volledige betaling;
3.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
3.9.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman, rechter, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.Productie 2 bij de dagvaarding.