ECLI:NL:RBLIM:2026:6523

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
C/03/348408/HAZA/26-3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • De Bruijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 118 RvArt. 186 RvArt. 209 RvArt. 236 lid 1 RvArt. 5:57 BW
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over gebruik en eigendomsrechten van pad en privacycamera’s tussen buren

De zaak betreft een burengeschil tussen eigenaren van aangrenzende percelen over het gebruik van een pad en het plaatsen van camera’s met geluidopnamefunctie rondom hun woningen. De eigenaren van twee percelen vorderen onder meer dat het pad niet als buurweg of noodweg wordt aangemerkt en dat de andere partij het gebruik van het pad wordt verboden. De tegenpartij vordert onder meer een erfdienstbaarheid van weg, het aanmerken van het pad als buurweg of noodweg, en verwijdering van de camera’s vanwege inbreuk op privacy.

In het incident verzochten de eigenaren van het pad de rechtbank om derden, waaronder de gemeente en een andere eigenaar, op te roepen op grond van artikel 118 Rv Pro. De rechtbank wijst dit toe omdat de belangen van deze derden bij de beoordeling van het geschil betrokken moeten worden. Een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht in reconventie wordt afgewezen omdat onvoldoende is toegelicht waarom dit voorafgaand aan de hoofdzaak noodzakelijk is.

Een vordering tot niet-ontvankelijkheid van de tegenpartij in reconventie wordt eveneens afgewezen, omdat de nieuwe vorderingen gebaseerd zijn op een andere juridische grondslag dan eerdere procedures. De rechtbank compenseert de proceskosten tussen partijen en houdt verdere beslissingen in de hoofdzaak aan. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot oproeping derden toe, wijst verzoeken tot deskundigenbericht en niet-ontvankelijkheid af, en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/348408 / HA ZA 26-3
Vonnis in incident van 8 juli 2026
in de zaak van

1.[eigenaar 1] ,

2.
[eigenares 1],
beiden te [woonplaats] ,
3.
[eigenaar 2],
4.
[eigenares 2],
beiden te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak in conventie,
verwerende partijen in de hoofdzaak in reconventie,
verwerende partijen in het incident in conventie ex artikel 118 Rv Pro,
verwerende partijen in het incident in reconventie tot het gelasten van een deskundigenbericht,
eisende partij in het incident tot niet-ontvankelijkheid in reconventie,
hierna samen te noemen: [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] ,
advocaat: mr. W.J.F. Geertsen,
tegen

1.[eigenaar 3] ,

2.
[eigenares 3],
beiden te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak in conventie,
eisende partijen in de hoofdzaak in reconventie,
eisende partijen in het incident in conventie ex artikel 118 Rv Pro,
eisende partijen in het incident in reconventie tot het gelasten van een deskundigenbericht,
verwerende partijen in het incident tot niet-ontvankelijkheid in reconventie,
hierna samen te noemen: [eigenaren perceel 3] ,
advocaat: mr. W.E. Widdershoven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 4 februari 2026,
- de akte inbrengen oproeping (herstelexploot) van [eigenaren perceel 2] ,
- de conclusie van antwoord van [eigenaren perceel 3] , tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende incident tot oproeping derden en incident tot het gelasten van een deskundigenbericht, met producties 1 t/m 53,
- de conclusie van antwoord in het incident ter zake van oproeping derden en tot het gelasten van een deskundigenbericht van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] , tevens houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid in reconventie, met producties 22 t/m 24,
- de conclusie van antwoord in het incident tot niet-ontvankelijkheid van [eigenaren perceel 3] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2.De relevante feiten

2.1.
[eigenaren perceel 1] zijn sinds april 2018 eigenaren van de woning aan de [adres 1] . [eigenaren perceel 2] zijn sinds februari 2000 eigenaren van de woning aan de [adres 2] .
2.2.
[eigenaren perceel 3] zijn sinds 2020 eigenaren van de woning aan de [adres 3] .
2.3.
Partijen zijn aangrenzende buren van elkaar. Hun woningen bevinden zich, samen met de woning van [eigenaren perceel 4] (hierna [eigenaren perceel 4] ) aan de [adres 4] , op een hoger gelegen talud. Op het talud loopt een pad vanaf de openbare weg langs de woningen aan de [adres 4] (van [eigenaren perceel 4] ), [adres 2] (van [eigenaren perceel 2] ) en [adres 1] (van [eigenaren perceel 1] ) en mondt uit op de inrit van de garage van de woning aan de [adres 3] (van [eigenaren perceel 3] ).
2.4.
[eigenaren perceel 1] , [eigenaren perceel 3] en [eigenaren perceel 2] zijn sinds 2020 met elkaar in geschil over (de rechten met betrekking tot) het gebruik van het pad, alsook over het gebruik van camera’s rondom de woning van partijen. Daarover zijn diverse procedures gevoerd in eerste aanleg en in hoger beroep.

3.Het geschil

In conventie
in de hoofdzaak
3.1.
[eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. bepaalt dat het vonnis in de plaats treedt van het gewezen vonnis in kort geding d.d. 23 mei 2023 [1] ,
II. voor recht verklaart dat het pad behorende bij [adres 1] en [adres 2] , kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] , Limburg) en respectievelijk [kadastraal nummer 2] , Limburg) niet is aan te merken als een buurweg, noch als noodweg in de zin van artikel 5:57 BW Pro noch dat is gebleken dat aan [eigenaren perceel 3] enig gebruiksrecht toekomt,
III. [eigenaren perceel 3] , alsmede ieder ander die direct of indirect onder hun verantwoordelijkheid handelt, waaronder begrepen (doch niet beperkt tot) door hen ingeschakelde derden, bezoekers, familieleden, werknemers en overige personen die in opdracht van of met toestemming van [eigenaren perceel 3] handelen, verbiedt om de percelen [adres 1] en [adres 2] , te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere keer dat zij dit verbod overtreden, met een maximum van € 50.000,00,
IV. beveelt dat [eigenaren perceel 3] , alsmede ieder ander die direct of indirect onder hun verantwoordelijkheid handelt, waaronder begrepen (doch niet beperkt tot) door hen ingeschakelde derden, bezoekers, familieleden, werknemers en overige personen die in opdracht van of met toestemming van [eigenaren perceel 3] handelen, instrueert dat deze op generlei wijze gebruik mogen maken van het pad gelegen op het perceel [adres 1] en [adres 2] , op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere overtreding van dit verbod met een maximum van € 50.000,00,
V. bepaalt dat [eigenaren perceel 1] bevoegd zijn om de erfgrens tussen de percelen van partijen op eigen kosten een erfafsluiting te plaatsen,
VI. [eigenaren perceel 3] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente indien deze niet binnen veertien dagen na dagtekening vonnis worden voldaan.
3.2.
[eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] leggen – verkort weergegeven – aan hun vorderingen ten grondslag dat geen sprake is en was van een buurweg zodat die bestemming niet aan het pad kan worden gegeven. Evenmin is volgens hen sprake van een noodweg en/of enige situatie waaruit zou blijken dat [eigenaren perceel 3] behoefte heeft aan een aangewezen noodweg. Het afsluiten van het pad is volgens [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] in overeenstemming met de uitoefening van hun eigendomsrecht en levert ook geen misbruik van recht op nu [eigenaren perceel 3] hun woning kunnen bereiken via de trap bij de hoofdingang.
3.3.
[eigenaren perceel 3] voeren verweer.
in het incident ex artikel 118 Rv Pro
3.4.
Volgens [eigenaren perceel 3] maakt het pad successievelijk deel uit van vier kadastrale percelen en heeft het pad dus vier eigenaren, te weten: [gemeente] ( [perceel] ), [eigenaren perceel 4] ( [adres 4] ), [eigenaren perceel 2] en [eigenaren perceel 1] . De door [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] gevorderde verklaring voor recht raakt dan ook rechtstreeks de rechtsposities van de gemeente en [eigenaren perceel 4] , aldus [eigenaren perceel 3] [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] hadden daarom ook de gemeente en [eigenaren perceel 4] bij deze procedure moeten betrekken. [eigenaren perceel 3] verwijzen naar het tussenarrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 4 juni 2024 en twee uitspraken van deze rechtbank waarin is geoordeeld dat ook de overige eigenaren van het pad op de voet van artikel 118 Rv Pro opgeroepen dienden te worden. [2] [eigenaren perceel 3] verzoeken de rechtbank daarom om [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] in de gelegenheid te stellen de gemeente en [eigenaren perceel 4] op de voet van artikel 118 Rv Pro op te roepen om in deze procedure te verschijnen.
3.5.
[eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] voeren verweer. Volgens hen hebben [eigenaren perceel 3] onvoldoende gesteld dat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding als bedoeld in artikel 118 Rv Pro. De verwijzing door [eigenaren perceel 3] naar de genoemde uitspraken van het hof en de rechtbank Limburg maken dat niet anders, aldus [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2]
3.6.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, nader worden ingegaan.
In reconventie
in de hoofdzaak
-
ten aanzien van het pad
3.7.
[eigenaren perceel 3] vorderen – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat (primair) op het pad een erfdienstbaarheid van weg rust onder oud BW, dan wel (subsidiair) dat het pad een buurweg is, dan wel (meer subsidiair) het pad aan te wijzen als een noodweg, dan wel (nog meer subsidiair) dat [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] misbruik maken van recht door [eigenaren perceel 3] de toegang tot het pad te ontzeggen en dat tussen [eigenaren perceel 1] , [eigenaren perceel 2] en [eigenaren perceel 3] een bruikleenovereenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] dienen te dulden dat [eigenaren perceel 3] van het pad gebruik maken, dan wel (uiterst subsidiair) dat [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] op grond van de kwalitatieve verplichting dienen te dulden dat [eigenaren perceel 3] gebruik maken van het perceel van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] en dat [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] in alle gevallen dienen te dulden dat [eigenaren perceel 3] van het pad gebruik maken.
-
ten aanzien van de camera’s
3.8.
[eigenaren perceel 3] vorderen – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] beveelt de camera’s rondom hun woning met geluidopnamefunctie binnen 48 uur te verwijderen en verwijderd te houden en om alle geluidopnames van [eigenaren perceel 3] binnen 72 uur aan [eigenaren perceel 3] te overhandigen, althans te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder vorderen zij dat de rechtbank [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] verbiedt om heimelijke geluidopnames van [eigenaren perceel 3] te maken, te houden en/of op te slaan en/of te delen met derden, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
3.9.
Aan deze vorderingen leggen [eigenaren perceel 3] ten grondslag dat [eigenaren perceel 1] gedurende meer dan twee jaar [eigenaren perceel 3] hebben geobserveerd en opgenomen en dat de geluidopnames zijn gedeeld met [eigenaren perceel 2] Daarmee maken [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] inbreuk op het recht van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [eigenaren perceel 3] en handelen zij onrechtmatig, aldus [eigenaren perceel 3]
in het incident tot het gelasten van een deskundigenbericht
3.10.
[eigenaren perceel 3] vorderen dat de rechtbank een deskundigenonderzoek beveelt door een door de rechtbank te benoemen deskundige ter beantwoording van de onder randnummer 25.8 van de conclusie van antwoord van [eigenaren perceel 3] geformuleerde vragen. [eigenaren perceel 3] vorderen daarbij de hoofdzaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van het deskundigenbericht.
3.11.
Daartoe stellen [eigenaren perceel 3] dat zij reeds in eerdere procedures verwijdering van de camera’s van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] gevorderd hebben. Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 13 juni 2024 zijn die vorderingen afgewezen. [3] In hoger beroep oordeelde het hof dat het aan [eigenaren perceel 3] is om voldoende aannemelijk te maken dat het bereik van de camera’s van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] zodanig is dat zij daarmee in staat zijn om privégesprekken op het perceel van [eigenaren perceel 3] op te nemen. [eigenaren perceel 3] beroepen zich immers op het rechtsgevolg daarvan, namelijk dat [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] daarmee onrechtmatig handelen jegens [eigenaren perceel 3] zijn volgens het hof niet in de bewijslevering daarvan geslaagd en voor een nadere bewijslevering was binnen het bestek van de kort geding procedure geen plaats zodat ook in hoger beroep de vorderingen van [eigenaren perceel 3] zijn afgewezen. [4] [eigenaren perceel 3] hebben vervolgens aan deze rechtbank het verzoek gedaan tot het gelasten van een voorlopige plaatsopneming en bezichtiging, welke verzoek bij beschikking van 7 augustus 2025 is afgewezen op de grond dat een voorlopig deskundigenbericht een meer geschikt middel is om het verlangde bewijs te verkrijgen. [5]
3.12.
[eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] voeren verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.
in het incident tot niet-ontvankelijkheid
3.13.
[eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] stellen zich op het standpunt dat [eigenaren perceel 3] niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen in reconventie ten aanzien van het pad (de vorderingen van [eigenaren perceel 3] onder V) nu deze vordering reeds door partijen aan verscheidene rechters is voorgelegd en waarover het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een arrest heeft gewezen. [6] In haar arrest van 1 juli 2025 heeft het hof in rechtsoverweging 10.3.14 geoordeeld dat geen sprake is van een erfdienstbaarheid. [eigenaren perceel 3] zijn niet in cassatie gegaan zodat het arrest kracht van gewijsde heeft gekregen.
3.14.
[eigenaren perceel 3] voeren verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie
in het incident ex artikel 118 Rv Pro
4.1.
Artikel 118 Rv Pro heeft betrekking op gevallen waarin derden in het geding moeten worden betrokken. Daarvoor kan aanleiding bestaan als sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding, maar ook op basis van een uitdrukkelijke wetsbepaling of op basis van de juridische verhouding tussen (één van) partijen en die derde. Het moet gaan om een geschil waarin de belangen van die derde rechtstreeks worden geraakt en waarover niet zinvol kan worden beslist zonder de positie van de derde daarin te betrekken.
4.2.
In het tussenarrest van 4 juni 2024 [7] en later bij eindarrest van 1 juli 2025 [8] tussen [eigenaren perceel 3] als appellanten en [eigenaren perceel 1] als geïntimeerden overweegt het hof dat het in hoger beroep gaat om de vraag of [eigenaren perceel 3] recht hebben om te voet of met de auto over het pad op het perceel van [eigenaren perceel 1] naar de openbare weg te komen en te gaan, primair op grond van een erfdienstbaarheid, subsidiair op grond van een noodweg, dan wel een buurweg (meer subsidiair), dan wel een persoonlijk gebruiksrecht (uiterst subsidiair). Omdat de belangen van [eigenaren perceel 2] , [eigenaren perceel 4] en de gemeente een rol kunnen spelen bij de beoordeling van de vorderingen van [eigenaren perceel 3] heeft het hof in het tussenarrest van 4 juni 2024 [eigenaren perceel 3] in de gelegenheid gesteld om [eigenaren perceel 2] , [eigenaren perceel 4] en de gemeente als partij in het geding te betrekken door oproeping ex artikel 118 Rv Pro. Anders dan [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] stellen, hebben [eigenaren perceel 3] van die gelegenheid gebruik gemaakt. [eigenaren perceel 3] hebben daarbij ook zelfstandige vorderingen ingesteld jegens [eigenaren perceel 2] , [eigenaren perceel 4] en de gemeente. Het hof heeft [eigenaren perceel 3] niet-ontvankelijk verklaard in die vorderingen nu de werking van artikel 118 Rv Pro niet zover gaat dat [eigenaren perceel 3] ook zelfstandige vorderingen kunnen instellen tegen derden die op de voet van dat artikel in het geding worden betrokken. [9]
Het hof heeft verder onder r.o. 9.1.5. van het arrest van 1 juli 2025 overwogen dat het in het belang is van alle betrokkenen dat over de kwestie ter zake van het pad wordt beslist in een procedure waarin alle betrokkenen van meet af aan als partij zijn betrokken. De rechtbank overweegt als volgt.
4.3.
De vorderingen van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] in conventie zijn gericht tegen [eigenaren perceel 3] en hebben op het eerste gezicht niet direct betrekking op de rechtsposities van [eigenaren perceel 4] en de gemeente. De vorderingen van [eigenaren perceel 3] in reconventie hebben dat daarentegen wel. De rechtbank acht het, in lijn met het oordeel van het hof, van belang dat bij een beslissing over de gehele kwestie rondom het pad en het gebruik daarvan wordt beslist in een procedure waarin alle betrokkenen betrokken zijn. Om die reden zal de vordering in het incident worden toegewezen, in die zin dat de mogelijkheid zal worden geboden om [eigenaren perceel 4] en de gemeente op de voet van artikel 118 Rv Pro in deze procedure op te roepen als nader in het dictum is bepaald. Omdat de vorderingen van [eigenaren perceel 3] zelf nopen tot het oproepen van deze partijen, zullen zij daartoe in de gelegenheid worden gesteld.
in reconventie
in het incident tot het gelasten van een deskundigenbericht
4.4.
[eigenaren perceel 3] vorderen dat de rechtbank bij vonnis in incident een deskundigenbericht op grond van artikel 186 Rv Pro zal gelasten. De rechtbank begrijpt die vordering aldus dat [eigenaren perceel 3] de resultaten van het deskundigenonderzoek willen gebruiken voor de nadere onderbouwing van hun vorderingen ten aanzien van de camera’s van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] De rechtbank oordeelt als volgt.
4.5.
Artikel 209 Rv Pro bepaalt dat op een incidentele vordering, indien de zaak dat meebrengt, eerst en vooraf wordt beslist. Een incidentele vordering tot benoeming van een deskundige is niet bij wet geregeld. Dat neemt niet weg dat ook andere dan uitdrukkelijk in de wet genoemde incidenten naar voren kunnen worden gebracht. Of voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn moet worden beoordeeld aan de hand van de aard en de inhoud van de vordering, de belangen van partijen en het belang van een doelmatige procesvoering (HR 2 maart 2012, ECLI:NR:HR:2012:BU8176).
4.6.
Op grond van artikel 186 Rv Pro kan de rechter op verzoek van een partij een bericht of een verhoor van deskundigen bevelen. De rechter is vrij al dan niet het deskundigenbericht te bevelen (HR 6 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8457). De vraag of een deskundigenbericht noodzakelijk is, moet in beginsel in de hoofdzaak worden beantwoord. [eigenaren perceel 3] hebben niet, althans onvoldoende toegelicht waarom de benoeming van een deskundige nu, voorafgaande aan de (mondelinge) behandeling in de hoofdzaak, noodzakelijk is. Voor zover [eigenaren perceel 3] met de vordering een doelmatige procesvoering voor ogen hebben gehad in die zin dat de procedure daarmee niet onnodig zal worden vertraagd, levert dat naar het oordeel van de rechtbank ook geen grond op om daarop bij vonnis in incident te beslissen. Daarbij is van belang dat [eigenaren perceel 3] reeds voorafgaand aan de onderhavige procedure (mede gelet op het oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de beschikking van 7 augustus 2025 [10] ) een verzoek tot het gelasten van een
voorlopigdeskundigenbericht hadden kunnen doen. Daarnaast vragen [eigenaren perceel 3] de hoofdzaak aan te houden zodat uiteindelijk daarmee ook niet meer tijd gewonnen wordt dan wanneer de onderhavige vordering in de hoofdzaak beoordeeld wordt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om eerst en vooraf te beslissen over het gelasten van een deskundigenbericht. De vordering wordt daarom afgewezen.
in het incident tot niet-ontvankelijkheid
4.7.
[eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] vorderen om [eigenaren perceel 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen in reconventie voor zover die betrekking hebben op het pad (de vorderingen onder sub V bij eis in reconventie) vanwege het feit dat daarover reeds eerder een oordeel is gegeven bij arrest van het hof Den Bosch van 1 juli 2025 [11] en die uitspraak bindende kracht heeft tussen partijen op grond van artikel 236 lid 1 Rv Pro.
4.8.
[eigenaren perceel 3] voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de incidentele vordering. Kort gezegd betogen zij dat niet-ontvankelijkverklaring alleen kan volgen als sprake is van schending van een zuiver processuele regel (de formele grond), waarvan geen sprake is, dan wel wanneer in het geding eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als waarover in een eerder geding is beslist (de materiële grond). Het hof heeft echter de vordering van [eigenaren perceel 3] met de grondslag recht van overpad uitsluitend beoordeeld onder
nieuw BWen niet onder oud BW, aldus [eigenaren perceel 3] De rechtbank oordeelt als volgt.
4.9.
In artikel 236 lid 1 Rv Pro staat dat beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht hebben. Het inroepen van gezag van gewijsde staat er echter niet aan in de weg dat in een ander geding dezelfde of soortgelijke vordering wordt ingesteld op basis van een andere grondslag, waarover de rechter zich nog niet heeft uitgelaten. Dit geldt ongeacht of deze andere grondslag ook al in het eerdere geding had kunnen worden aangevoerd (Hoge Raad 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099). Met de zinsnede
andere grondslagwordt een andere juridische grondslag bedoeld en niet een andere feitelijke grondslag.
4.10.
Hoewel aan [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] kan worden toegegeven dat [eigenaren perceel 3] in de hoofdzaak hetzelfde vorderen als in de procedure die diende bij het hof, beroepen [eigenaren perceel 3] zich daarvoor op dit moment op een andere juridische grondslag. Zij leggen immers aan hun vorderingen in reconventie ten grondslag dat op het pad een erfdienstbaarheid van weg onder
oudBW is ontstaan op uiterlijk 31 december 1991. Het hof en de kantonrechter van deze rechtbank hebben die vordering enkel beoordeeld op basis van de regels van het
huidigeBW. Het gezag van gewijsde van het arrest van het hof van 1 juli 2025 staat dan ook niet in de weg aan de vorderingen van [eigenaren perceel 3] in de hoofdzaak in reconventie.
4.11.
De conclusie is dat de vordering van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] in het incident om [eigenaren perceel 3] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering (onder V) in de hoofdzaak in reconventie wordt afgewezen.
in de incidenten in conventie en reconventie
4.12.
Omdat beide partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie
in het incident ex artikel 118 Rv Pro
5.1.
stelt [eigenaren perceel 3] in de gelegenheid om op eigen kosten de eigenaar van [adres 4] en de gemeente als partij in het geding te betrekken door oproeping ex artikel 118 Rv Pro en om te verschijnen op de rolzitting van
woensdag 5 augustus 2026,
in reconventie
in het incident tot het gelasten van een deskundigenbericht
5.2.
wijst het gevorderde af,
in het incident tot niet-ontvankelijk
5.3.
wijst het gevorderde af,
in alle incidenten in conventie en in reconventie
5.4.
compenseert de kosten van de incidenten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
in conventie
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
5.6.
verwijst de zaak naar de rol van
woensdag 19 augustus 2026voor conclusie van antwoord in reconventie aan de zijde van [eigenaren perceel 1] en [eigenaren perceel 2] ,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. De Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Zaaknummer 10297943 \ CV EXPL 23-288, productie 10 dagvaarding.
2.Productie 32 bij antwoord (arrest Hof Den Bosch 4 juni 2024) en Rechtbank Limburg 23 oktober 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:8180 en Rechtbank Limburg 4 februari 2026, C/03/337246/ HA ZA 24-572 (niet gepubliceerd).
3.Productie 49 bij antwoord.
4.Productie 51 bij antwoord.
5.Productie 53 bij antwoord.
6.Zie productie 30 bij antwoord.
7.Productie 32 bij antwoord.
8.Productie 30 bij antwoord.
9.r.o. 11.1 van het arrest van 1 juli 2025.
10.Productie 53 bij antwoord.
11.Productie 15 dagvaarding en productie 30 bij antwoord.