ECLI:NL:RBLIM:2026:6532

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
12173184 \ CV EXPL 26-1640
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Piëtte
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 BWArt. 6:96 BWArt. 6:265 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst garageboxen wegens huurachterstand en ontruiming

De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurder van drie garageboxen, waarbij de huurder een aanzienlijke huurachterstand heeft opgebouwd. De verhuurder vordert ontbinding van de huurovereenkomst, ontruiming van het gehuurde, betaling van de huurachterstand inclusief buitengerechtelijke kosten en een maandelijkse gebruiksvergoeding tot ontruiming.

De huurder erkent de huurachterstand maar stelt dat een budgetbeheerder namens hem een regeling zou treffen, wat niet is gebeurd. Hij is bereid tot een regeling en ontruiming mits een redelijke termijn wordt gegeven. De kantonrechter oordeelt dat de huurovereenkomst niet met een consument is gesloten en dat de huurachterstand ernstig genoeg is om ontbinding te rechtvaardigen.

De kantonrechter wijst de ontbinding toe, veroordeelt de huurder tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis en tot betaling van een huurachterstand van €8.838,59 met wettelijke rente, plus een maandelijkse gebruiksvergoeding van €380,03 vanaf juni 2026 tot ontruiming. Tevens worden de proceskosten aan de huurder opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden wegens huurachterstand en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen en betaling van achterstallige huur met rente en gebruiksvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12173184 \ CV EXPL 26 -1640
Vonnis van 8 juli 2026
in de zaak van
[bedrijf] B.V., H.O.D.N. [eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: Zuyd Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord
- de conclusie van repliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] verhuurt met ingang van 11 september 2021 aan [gedaagde partij] een aantal garageboxen aan het [adres] te [plaats 3] , genummerd [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] (hierna: het gehuurde). De totale huurprijs bedraagt momenteel € 380,03 per maand en is bij vooruitbetaling verschuldigd.
2.2.
[gedaagde partij] heeft (een deel van) de huur niet betaald. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] aangemaand op 30 augustus 2024 om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - zoals bij conclusie van repliek vermeerderd en kort samengevat-;
1. ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van het vonnis,
2. betaling van € 10.118,59 aan huurachterstand tot en met mei 2026, inclusief buitengerechtelijke kosten,
3. betaling van een bedrag van € 380,03 per maand vanaf 1 juni 2026 tot aan de dag van ontruiming.
3.2.
[eisende partij] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten, door niet (volledig) aan zijn betalingsver-plichting te voldoen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eisende partij] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] erkent de bij dagvaarding gevorderde huurachterstand, maar voert aan dat zijn budgetbeheerder (Budgetforyou) namens hem een regeling zou treffen, wat blijkbaar niet is gebeurd. [gedaagde partij] is bereid alsnog een regeling te treffen voor de huurachterstand en de garages leeg te halen, als hij daarvoor een redelijke termijn krijgt. [gedaagde partij] voert verder aan dat hij een eigen bedrijf heeft, maar momenteel niet kan werken vanwege rugproblemen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Bewind
4.1.
De kantonrechter overweegt allereerst dat uit de niet weersproken stellingen van [eisende partij] volgt dat de goederen van [gedaagde partij] onder bewind hebben gestaan, doch het bewind op 10 januari 2025 is opgeheven. Dat betekent dat op het moment van dagvaarden er geen sprake meer was van onderbewindstelling (productie 6 van [eisende partij] ).
Ambtshalve toetsing
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat, aan de hand van de gestelde feiten dat [gedaagde partij] een drietal garageboxen heeft gehuurd en hij een eigen bedrijf heeft en verder uit de overgelegde huurovereenkomst is op te maken dat [gedaagde partij] de huurovereenkomst is aangegaan onder vermelding van zijn zakelijke e-mailadres ( [e-mailadres] ), geconcludeerd kan worden dat de huurovereenkomst niet is gesloten met een consument. Daarom kan ambtshalve toetsing aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht achterwege blijven.
Huurachterstand
4.3.
[gedaagde partij] heeft de bij dagvaarding gevorderde huurachterstand erkend.
[eisende partij] heeft bij conclusie van repliek haar huurvordering vermeerderd met de huur over de maanden maart 2026 tot en met mei 2026.
Nu [gedaagde partij] niet heeft gedupliceerd, heeft hij de vermeerdering van eis niet weersproken. Zodoende staat vast dat [gedaagde partij] de huurpenningen tot en met mei 2026 (deels) niet heeft betaald en verschuldigd is.
4.4.
De kantonrechter oordeelt verder als volg. Bij dagvaarding is vermeld dat de zuivere huurachterstand tot en met februari 2026 € 8.221,54 bedraagt. Vervolgens wordt hier (naast de buitengerechtelijke incassokosten) een bedrag van € 1.280,00 aan tussentijdse afdrachten deurwaarder bij opgeteld. Tot slot wordt een bedrag van € 1.050,00 in mindering gebracht als zijnde al betaald bij de deurwaarder.
De kantonrechter kan het bedrag van € 1.280,00 niet plaatsen. Dit betreft ook geen huurachterstand. Dat betekent dat op het moment van dagvaarden, uitgegaan wordt van een zuivere huurachterstand tot en met februari 2026 van € 8.221,54. Daarna is huurachterstand opgelopen met (drie keer € 380,03 =) € 1.140,09 en bedraagt deze (zonder aftrek van betalingen) tot en met mei 2026 € 9.361,61.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.5.
De verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitenge-rechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 526,96 inclusief btw ( [eisende partij] kan geen btw verrekenen) is overeenkomstig het in het Besluit bepaalde tarief en ligt voor toewijzing gereed.
Betalingen na dagvaarding
4.6.
[gedaagde partij] heeft na dagvaarding een bedrag van € 1.050,00 in mindering gebracht. Op grond van artikel 6:44 BW Pro dient dit bedrag eerst in mindering te worden gebracht op de buitengerechtelijke kosten. Dat betekent dat toegewezen wordt een bedrag van € 9.361,61 plus € 526,96 minus € 1.050,00 is € 8.838,59 aan huurachterstand tot en met mei 2026.
De wettelijke rente hierover is toewijsbaar vanaf de dag van dagvaarding.
Betalingsregeling
4.7.
[gedaagde partij] heeft om een betalingsregeling verzocht. [eisende partij] heeft aangegeven dat partijen eerder een regeling via de bewindvoerder zijn overeengekomen die niet correct werd nagekomen, doch dat een nieuwe betalingsregeling nog steeds tot de mogelijkheden behoort. Omdat de kantonrechter een dergelijke regeling niet dwingend aan partijen kan opleggen, dient [gedaagde partij] hiervoor contact op te nemen met (de gemachtigde van) [eisende partij] .
Ontbinding en ontruiming
4.8.
Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. De huurder is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1] De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen. [2]
4.9.
Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand, ondanks dat er een bedrag van € 1.050,00 in der minne is betaald, ruim meer dan drie maanden. Daarna is de huurachterstand verder opgelopen en wordt de lopende huur ook niet betaald. [gedaagde partij] heeft bovendien zelf aangegeven de garageboxen te willen ontruimen.
De huurachterstand is daarom ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden.
4.10.
De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal op grond van het voorgaande worden toegewezen. [gedaagde partij] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
Betaling van € 380,03 per maand tot aan de ontruiming
4.11.
[eisende partij] wil ook dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijks bedrag van € 380,03, te rekenen vanaf 1 juni 2026 tot het moment dat [gedaagde partij] het gehuurde ontruimt. Dit is de huurprijs per maand en na het ontbinden van de huurovereenkomst is dit een gebruiksvergoeding voor de tijd dat [gedaagde partij] nog in het gehuurde verblijft. Deze vordering zal worden toegewezen.
Proceskosten
4.12.
[gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
127,08
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.550,08

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres] te [plaats 3] , genummerd [nummer 1] , [nummer 2] en [nummer 3] ,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisende partij] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisende partij] ,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan [eisende partij] :
- € 8.838,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige voldoening,
- € 380,03 per maand vanaf 1 juni 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.550,08, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Piëtte en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 6:265 BW Pro.
2.HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.