ECLI:NL:RBLIM:2026:6580

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352774
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Lafghani
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:300 BWArt. 254 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verplichting tot medewerking verkoop woning na echtscheiding en onverdeeldheid

Partijen hebben in 2006 gezamenlijk een woning gekocht en een hypothecaire geldlening afgesloten waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Sinds 2015 woont alleen de gedaagde partij in de woning en betaalt hij de lasten, maar zonder gebruiksvergoeding aan de eisende partij. Na de echtscheiding in 2016 is het aandeel van de eisende partij niet aan de gedaagde toegewezen, waardoor de woning onverdeeld bleef en de eisende partij hoofdelijk aansprakelijk bleef voor de hypotheek.

De eisende partij vordert in kort geding dat de gedaagde partij wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning via een NVM-makelaar, inclusief het verlenen van toegang, ondertekening van verkoop- en leveringsdocumenten, en ontruiming van de woning. Tevens vordert zij dat het vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de gedaagde en dat dwangsommen worden opgelegd bij niet-nakoming.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de eisende partij een spoedeisend belang heeft vanwege herhaalde betalingsachterstanden en dreigende executoriale verkoop. De gedaagde partij weigert medewerking en is financieel niet in staat het aandeel van de eisende partij over te nemen. De belangenafweging leidt tot toewijzing van de vordering tot medewerking aan verkoop, met dwangsommen voor niet-nakoming. Vorderingen over de verdeling van de verkoopopbrengst worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en ongeschiktheid voor kort geding.

De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en bepaalt een maximum dwangsom van € 25.000.

Uitkomst: De gedaagde partij wordt veroordeeld tot medewerking aan de verkoop van de woning met dwangsommen bij niet-nakoming, terwijl vorderingen over verdeling verkoopopbrengst worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352774 / KG ZA 26-197
Vonnis in kort geding van 7 juli 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. L.C. van Kasteren,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling gehouden op 23 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 3 april 2006 hebben partijen gezamenlijk de woning aan de [adres] gezamenlijk gekocht voor een koopprijs van € 186.700,00. Ter financiering van de aanschaf van de woning hebben partijen een hypothecaire geldlening afgesloten bij Argenta Spaarbank N.V. (hierna: Argenta). Partijen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de aflossing van deze geldlening.
2.2.
Sinds 2015 woont alleen [gedaagde partij] in de woning en betaalt hij de hypotheekrente en de overige eigenaarslasten. Hij betaalt geen gebruiksvergoeding aan [eisende partij] voor het gebruik van haar aandeel in de woning.
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 2016 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het is niet bekend wanneer de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in het daarvoor bestemde register van de burgerlijke stand. In de beschikking van deze rechtbank gegeven op 5 oktober 2017, naar aanleiding van een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie, is opgenomen dat partijen de intentie hebben uitgesproken (naar de voorzieningenrechter begrijpt, het aandeel van [eisende partij] in) de woning aan [gedaagde partij] toe te delen, onder de voorwaarde dat [eisende partij] niet langer hoofdelijk aansprakelijk zal zijn voor de hypotheekschuld.
2.4.
De beoogde toedeling van het aandeel van [eisende partij] in de woning aan [gedaagde partij] heeft niet plaatsgevonden. De woning is tot op heden onverdeeld gebleven en [eisende partij] is nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen die voorvloeien uit de geldleningsovereenkomst met Argenta.
2.5.
In 2019 heeft [eisende partij] een aanzegging tot betaling van € 1.939,00, in verband met een achterstand in de betaling van de hypotheekrente van de deurwaarder ontvangen.
2.6.
Op 4 september 2025 heeft Argenta [eisende partij] laten weten dat sprake is van een achterstand in de betaling van de verschuldigde hypotheekrente van € 1.577,82. [gedaagde partij] heeft in de periode vanaf mei 2025 tot oktober 2025 de hypotheekrente niet betaald.
2.7.
Bij brief van 1 april 2026 heeft Argenta [eisende partij] (onder andere) het volgende laten weten:
“Dank voor uw mail. Zoals reeds met u besproken, zullen wij t/m mei 2026 geen gedwongen executie opstarten. Wij stellen hierbij wel als de voorwaarde dat er inderdaad een makelaar wordt ingeschakeld die uw woning in de verkoop gaat zetten.”
2.8.
Bij brief van 27 mei 2026 heeft Argenta partijen (onder andere) het volgende laten weten:
“De automatische incasso of uw overschrijving voor de lening op uw woning is niet gelukt. U heeft daardoor een achterstand van € 3.089,89.”

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I. [gedaagde partij] veroordeelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop van de woning aan de [adres] tegen een marktconforme koopprijs, zulks ter beoordeling van de aangewezen NVM-makelaar, meer in het bijzonder door:
a. akkoord te gaan met de aanwijzing van een door [eisende partij] aan te wijzen NVM- makelaar in de regio [plaats] ;
b. de makelaar onbelemmerd toegang te verlenen tot de woning voor taxatie, bezichtigingen en fotografie, op door de makelaar te bepalen tijdstippen, telkens binnen twee dagen na het eerste verzoek daartoe van de makelaar;
c. de door de makelaar ter ondertekening aangeboden opdracht tot verkoop van de woning te ondertekenen, binnen twee dagen na het eerste verzoek daartoe;
d. de overeenkomst tot verkoop van de woning ondertekenen, binnen twee dagen na het eerste verzoek daartoe;
e. mee te werken aan de notariële overdracht en de woning uiterlijk twee werkdagen voor de leveringsdatum ontruimd, bezemschoon en vrij van personen en goederen op te leveren;
II. bepaalt dat dit vonnis, voor zover [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de veroordeling onder I te voldoen, op de voet van artikel 3:300 BW Pro in de plaats treedt van iedere vereiste toestemming, medewerking, verklaring en/of handtekening van [gedaagde partij] ten behoeve van de verkoopopdracht, de koopovereenkomst en de notariële leveringsakte;
III. [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling aan [eisende partij] van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de veroordeling onder I, onderdelen b tot en met e, te voldoen, met een maximum van € 50.000,00;
IV. bepaalt dat de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [plaats] door de transportnotaris als volgt dient te worden aangewend:
a. allereerst ter voldoening van de hypothecaire geldlening bij Argenta;
b. vervolgens ter voldoening van de kosten van verkoop en levering, waaronder de kosten van de makelaar, notaris en overige ten behoeve van de verkoop ingeschakelde derden;
c. dat het daarna resterende netto-saldo (voorlopig) bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
d. dat het aandeel van [eisende partij] onmiddellijk en zonder nadere toestemming van [gedaagde partij] aan haar wordt uitgekeerd;
e. dat uit het aandeel van gedaagde met voorrang worden voldaan alvorens enig restant aan [gedaagde partij] wordt uitgekeerd:
- de bestaande hypotheekachterstanden;
- rente en kosten verband houdende met die achterstanden;
- bedragen die [eisende partij] ter zake de woning of hypothecaire geldlening heeft voldaan;
- door [eisende partij] aantoonbaar betaalde bedragen ter zake de hypothecaire geldlening, betalingsachterstanden, eigenaarslasten en daarmee verband houdende kosten;
- overige bedragen waarvoor [gedaagde partij] in de onderlinge verhouding draagplichtig is;
V. bepaalt dat [eisende partij] in de onderlinge verhouding tussen partijen wordt gevrijwaard van regres-, verreken- en/of betalingsaanspraken van [gedaagde partij] verband houdende met de hypothecaire geldlening, hypotheekachterstanden eigenaarslasten en overige lasten verbonden aan de woning.
VI. [gedaagde partij] veroordeelt in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten conform het toepasselijk liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en, voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Eiswijziging
4.1.
[eisende partij] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling haar eis gewijzigd. [gedaagde partij] heeft daartegen geen bezwaar gemaakt. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om de eiswijziging ambtshalve wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Aldus wordt de gewijzigde eis, zoals deze hiervoor onder 3.1. is weergegeven, in de beoordeling betrokken.
Spoedeisend belang
4.2.
[eisende partij] heeft de vorderingen ingesteld in kort geding. Een voorziening in kort geding kan slechts worden getroffen indien de partij die de voorziening (de ordemaatregel) vordert, daarbij een spoedeisend belang heeft. Dit volgt uit artikel 254 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [eisende partij] zal gelet hierop feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken, die meebrengen dat de gevorderde voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed noodzakelijk is en dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening moet worden beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.
4.3.
[eisende partij] heeft in het licht van de betwisting daarvan door [gedaagde partij] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van de vordering die ertoe strekt dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n) (vordering I). Zij heeft namelijk onweersproken -en onder verwijzing van brieven van Argenta waaruit een en ander blijkt - gesteld dat [gedaagde partij] herhaaldelijk en recent opnieuw een achterstand heeft laten ontstaan in de betaling van de aan Argenta verschuldigde hypotheekrente van € 3.089,89. Ook heeft zij gesteld dat Argenta om die reden wil overgaan tot executoriale verkoop van de woning en dat Argenta enkel bereid is om pas op de plaats te maken in afwachting van de uitkomst van dit kort geding. Daarmee en in aanmerking nemend dat, zoals [eisende partij] ook onweerspoken heeft gesteld, de verkoopopbrengst bij een executoriale verkoop doorgaans lager is dan de verkoopopbrengst bij onderhandse verkoop, heeft [eisende partij] voldoende aannemelijk gemaakt dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4.4.
[gedaagde partij] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling weliswaar verklaard dat hij de achterstand inmiddels heeft voldaan (€ 2.799,00 op 2 juni en het restant op de dag van de mondelinge behandeling) en dat Argenta telefonisch heeft medegedeeld dat zij daarom afziet van een executoriale verkoop, maar dit betoog legt onvoldoende gewicht in de schaal. [eisende partij] heeft, nadat [gedaagde partij] dit tijdens de mondelinge behandeling heeft laten zien, erkend dat [gedaagde partij] de hiervoor genoemde achterstand tot een bedrag van € 2.799,00 heeft voldaan, maar zij heeft bestreden dat Argenta daarin aanleiding ziet om af te zien van een executoriale verkoop. Volgens haar houdt Argenta hieraan vast, omdat [gedaagde partij] in het verleden al vaker betalingsachterstanden heeft doen ontstaan. Dit laatste, het feit dat vaker sprake is geweest van een betalingsachterstand, heeft [gedaagde partij] erkend. Gelet hierop en op het feit dat [gedaagde partij] geen gegevens in het geding heeft gebracht waaruit blijkt dat Argenta, zoals hij heeft aangevoerd, afziet van de aangekondigde executoriale verkoop, gaat de voorzieningenrechter voorbij aan zijn betoog.
4.5.
Overigens, ook als Argenta wel zou afzien van een executoriale verkoop, geldt dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van vordering I in kort geding. Zij heeft namelijk ook onweersproken gesteld dat de woning al jaren onverdeeld is en dat zij nog steeds hoofdelijk aansprakelijk is voor de voldoening van de hypothecaire verplichting en dat [gedaagde partij] , hoewel zij herhaaldelijk daarom heeft verzocht, geen medewerking verleent aan verkoop van de woning terwijl hij, zo begrijpt de voorzieningenrechter de stelling van [eisende partij] , financieel ook niet in staat is om haar aandeel in de woning over te nemen.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft [eisende partij] een spoedeisend belang bij beoordeling in kort geding van de vordering die ertoe strekt dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de woning. Hetzelfde geldt voor de daarmee verband houdende nevenvorderingen, die ertoe strekken dat het vonnis in de plaats treedt van de door [gedaagde partij] te verlenen medewerking in het geval hij dat ondanks een veroordeling daartoe niet doet en dat ter prikkel tot nakoming dwangsommen aan een deel van het onder I gevorderde worden verbonden (vordering II en III).
4.7.
Dit ligt anders voor de vorderingen die ertoe strekken dat de voorzieningenrechter beslissingen neemt over de (wijze van) verdeling van de verkoopopbrengst en over de interne draagplicht van partijen ten aanzien van onder andere de hypothecaire geldlening waarvoor zij hoofdelijk aansprakelijk zijn (vordering IV en V). [eisende partij] heeft, hoewel dit wel op haar weg lag, aangezien deze vorderingen niet als nevenvorderingen kwalificeren, niet gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij beoordeling van deze vorderingen in kort geding. Ook nadat de voorzieningenrechter deze kwestie tijdens de mondelinge behandeling aan de orde heeft gesteld, heeft zij hierover geen standpunt in genomen. Daarmee heeft [eisende partij] op dit punt niet aan haar stelplicht voldaan. Deze vorderingen zijn daarom niet toewijsbaar. Afgezien hiervan geldt dat deze vorderingen in de kern ertoe strekken dat de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen als deelgenoten wordt vastgesteld. Hiervoor is in een kort geding geen plaats. Vordering IV en V worden daarom afgewezen.
4.8.
Hierna zullen vorderingen I tot en met III inhoudelijk worden beoordeeld.
Inhoudelijk oordeel
Medewerking verkoop woning
4.9.
Bij beoordeling van de vordering die ertoe strekt dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het verlenen van medewerking aan de verkoop van de woning neemt de voorzieningenrechter tot uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven. Dit betekent dat het aandeel van de één in de woning (met de daaraan verbonden hypothecaire verplichting) aan de ander moet worden overgedragen of dat de woning moet worden verkocht aan een derde. Hierbij geldt dat in kort geding ook op vordering van een deelgenoot een veroordeling kan worden uitgesproken jegens een andere deelgenoot om mee te werken aan de verkoop en levering van een tot een gemeenschap behorend goed aan een derde. [1]
4.10.
Deze vordering ligt voor toewijzing gereed. Voor dit oordeel is het volgende redengevend. Zelfs als het zo is dat Argenta niet langer voornemens is om over te gaan tot een executoriale verkoop van de woning, dan geldt dat [gedaagde partij] er de afgelopen tien jaar niet in is geslaagd de overname van het aan [eisende partij] in eigendom toebehorende aandeel in de woning te financieren. Als gevolg daarvan is [eisende partij] nog steeds hoofdelijk aansprakelijk voor de voldoening van de verplichtingen die uit hoofde van de hypothecaire geldlening op partijen rusten, terwijl zij de woning al in 2015 heeft verlaten. Nog los van het feit dat van [eisende partij] sowieso niet kan worden gevergd dat zij tot in de lengte van dagen in deze onverdeeldheid blijft, geldt dat zij onweersproken heeft gesteld dat zij de afgelopen jaren herhaaldelijk is aangesproken tot voldoening van die verplichtingen, omdat [gedaagde partij] een betalingsachterstand heeft laten ontstaan. Ook als het zo is dat [gedaagde partij] uiteindelijk steeds zelf tot betaling van die achterstanden is overgegaan, kan niet van [eisende partij] worden gevergd dat deze situatie blijft voortduren.
4.11.
Daar komt bij dat vast staat - want [eisende partij] heeft dat onweersproken gesteld en dit blijkt bovendien uit de door haar in het geding gebrachte correspondentie - dat [gedaagde partij] hoewel [eisende partij] daarom heeft gevraagd, weigert medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, terwijl de voorzieningenrechter geen enkel aanknopingspunt heeft om te veronderstellen dat [gedaagde partij] in staat is of op zeer korte termijn in staat zal zijn alsnog de overname van het aandeel van [eisende partij] in de woning te financieren. [gedaagde partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling, toen de voorzieningenrechter hierover vragen stelde, namelijk verklaard dat zijn financiële situatie de afgelopen maanden “een ramp” was, dat het nu iets beter gaat, omdat hij weer een inkomen heeft, maar dat “willen en kunnen” waar het gaat om het overnemen van het aandeel van [eisende partij] in de woning twee verschillende dingen zijn. Bij deze stand van zaken kan de voorzieningenrechter niets anders concluderen dan dat het niet ondenkbaar is dat opnieuw achterstanden ontstaan in de betaling van de hypotheekrente. Bovendien ligt het bij deze stand van zaken niet in de rede dat [gedaagde partij] alsnog op korte termijn in staat zal zijn de overname van het aandeel van [eisende partij] te financieren en ervoor te zorgen dat zij niet meer hoofdelijk aansprakelijk is voor de voldoening van de hypothecaire verplichtingen. Dit alles betekent dat [eisende partij] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in een bodemprocedure, als wijze van verdeling, de verkoop van de woning zal worden gelast. Daarmee ligt vordering onder I in de kern voor toewijzing gereed.
4.12.
De in het kader van dit kort geding te maken belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de voorzieningenrechter begrip heeft voor de wens van [gedaagde partij] om in de woning te kunnen blijven wonen, prevaleert het belang van [eisende partij] om tien jaar na de echtscheiding te kunnen beschikken over de waarde van haar aandeel in de woning en om niet langer hoofdelijk aansprakelijk te zijn voor de hypothecaire verplichtingen boven het belang van [gedaagde partij] om te kunnen blijven wonen.
4.13.
Aan de in het petitum van de dagvaarding onder I geformuleerde hoofdvordering, heeft [eisende partij] onder a tot en met e nog een aantal sub-vorderingen geformuleerd. Hiervoor geldt dat [eisende partij] ten aanzien van sub a heeft verklaard dat zij aan Damen Makelaardij opdracht wil geven voor het ter hand nemen van de verkoop van de woning. [gedaagde partij] heeft zich daarmee akkoord verklaard, zodat de voorzieningenrechter in lijn hiermee zal beslissen. Voor het geval Damen Makelaardij de opdracht niet aanvaardt, zal de voorzieningenrechter tevens aansluiten bij het door [eisende partij] geformuleerde petitum. [gedaagde partij] heeft ook voor het overige geen verweer gevoerd tegen de geformuleerde sub-vorderingen. Deze liggen daarom eveneens voor toewijzing gereed. Toewijzing volgt op de manier zoals hierna in het dictum is bepaald.
In de plaats treden vonnis en dwangsommen
4.14.
[eisende partij] vordert verder om, voor het geval dat [gedaagde partij] niet voldoet aan de veroordeling om medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning aan (een) derde(n), te bepalen dat dit vonnis in de plaats treedt aan van de door [gedaagde partij] te verlenen medewerking aan het geven van de verkoopopdracht aan de makelaar, de totstandkoming van de koopovereenkomst en de levering van de woning. Daarnaast vordert zij dat, voor het geval [gedaagde partij] niet hieraan voldoet, aan sub-vordering b tot en met e dwangsommen te verbinden als prikkel tot nakoming.
4.15.
[gedaagde partij] heeft geen verweer gevoerd tegen deze vorderingen. Deze vordering zullen daarom worden toegewezen. Het is weliswaar zo dat bij de gebruikmaking van de bevoegdheid om te bepalen dat het vonnis in de plaats treedt van de door [gedaagde partij] te verlenen medewerking voorzichtigheid is geboden, maar [eisende partij] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat ook deze vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Uit de in het geding gebrachte correspondentie blijkt namelijk dat [gedaagde partij] aanvankelijk wel heeft toegezegd medewerking te verlenen aan de verkoop van de woning, maar ook blijkt hieruit dat hij die toezegging vervolgens niet is nagekomen. Daarbij geldt wel dat nu de vordering die ertoe strekt dat dit vonnis in de plaats treedt van de door [gedaagde partij] te verlenen medewerking aan de verkoop en levering van de woning, wordt toegewezen geen belang bestaat om aan sub-vordering c tot en met e voor zover e ziet op het verlenen van medewerking aan de levering van de woning, nog een dwangsom te verbinden. Dit ligt anders voor sub-vordering b en voor sub-vordering e voor zover deze ziet op het ontruimen en bezemschoon opleveren van de woning.
4.16.
Hoewel [gedaagde partij] heeft verklaard ook overigens medewerking te verlenen aan hetgeen in het kader van de verkoop van de woning nodig is, ziet de voorzieningenrechter toch aanleiding om een eventuele dwangsom te verbinden aan de veroordeling daartoe. De voorzieningenrechter verwijst naar hetgeen hiervoor onder 4.15. is overwogen over hetgeen uit de gedingstukken blijkt. Een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom acht de voorzieningenrechter daarom aangewezen. Wel ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het maximaal aan dwangsommen te verbeuren bedrag te beperken tot € 25.000,00.
Proceskosten
4.17.
Het uitgangspunt in zaken tussen ex-echtgenoten is dat de proceskosten worden gecompenseerd. Dit betekent dat iedere partij de eigen proceskosten moet betalen. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van deze zaak geen aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. De proceskosten worden dus gecompenseerd.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om binnen twee weken na betekening van dit vonnis alle medewerking te verlenen aan de onderhandse verkoop van de woning aan de [adres] tegen een
marktconforme koopprijs, zulks ter beoordeling van de NVM-makelaar die de verkoop van de woning ter hand neemt, meer in het bijzonder door:
a. akkoord te gaan met het geven van een opdracht tot verkoop aan Damen Makelaardij, dan wel in het geval Damen Makelaardij deze opdracht niet aanvaardt, aan een door [eisende partij] aan te wijzen NVM-makelaar in de regio [plaats] ;
b. de makelaar onbelemmerd toegang te verlenen tot de woning voor taxatie, bezichtigingen en fotografie, op in overleg met de makelaar te bepalen tijdstippen, waarbij de respectieve afspraken telkens binnen twee dagen na het eerste verzoek daartoe van de makelaar dienen te zijn gemaakt,
c. de door de makelaar ter ondertekening aan te bieden overeenkomst van opdracht tot verkoop te ondertekenen, binnen twee dagen na het eerste verzoek, dat dient te zijn vergezeld van de overeenkomst, daartoe;
d. de door de makelaar aan te bieden koopovereenkomst te ondertekenen, binnen twee dagen na het eerste verzoek, dat dient te zijn vergezeld van de overeenkomst, daartoe, indien een potentiële koper bereid is een naar de mening van de makelaar marktconforme koopprijs te betalen en een koopovereenkomst te sluiten onder de overigens gebruikelijke condities;
e. medewerking te verlenen aan de notariële overdracht van de woning, nadat een koopovereenkomst als hiervoor onder d genoemd tot stand is gekomen, in die zin dat binnen twee dagen na het eerste verzoek daartoe van de notaris de leveringsafspraak dient te zijn gemaakt, alwaar [gedaagde partij] dient te verschijnen, en de woning uiterlijk twee werkdagen voor de leveringsdatum ontruimd, bezemschoon en vrij van personen en goederen op te leveren;
5.2.
bepaalt dat dit vonnis, in het geval [gedaagde partij] in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1. aanhef en sub a, c, d en e -voor zover e ziet op het verlenen van medewerking aan de levering van de woning - te voldoen, in de plaats treedt van iedere vereiste toestemming, medewerking, wilsverklaring en / of handtekening van [gedaagde partij] ten behoeve van het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar, de totstandkoming van de koopovereenkomst en de totstandkoming van de notariële akte van levering van de woning aan (een) derde(n);
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling aan [eisende partij] van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat hij na betekening van dit vonnis in gebreke blijft te voldoen aan de hiervoor onder 5.1. als sub b en e - voor zover e ziet op het ontruimd, bezemschoon en vrij van personen en goederen opleveren - uitgesproken veroordeling, met een maximum van € 25.000;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Lafghani en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:499, r.o. 3.4