ECLI:NL:RBLIM:2026:6622

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352604 / KG ZA 26-191
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • drs. Hurkens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 194 RvArt. 195 RvArt. 611a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot omzetafdracht en inzage administratie tussen vennoten vof

In deze zaak tussen vennoten van een vennootschap onder firma (vof) staat centraal dat een vennoot zijn onderneming deels exploiteert via eigen vennootschappen, zonder volledige afdracht van omzet aan de vof. De eiser, een vennoot, vordert onder meer afdracht van omzet vanaf 1 oktober 2025, inzage in administratieve en financiële stukken, en een verbod op gebruik en exploitatie van bedrijfsmiddelen zonder toestemming.

De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat de vennoot onrechtmatig handelt door omzet via eigen vennootschappen te genereren en de andere vennoot geen inzicht meer heeft in de financiële gang van zaken. De vordering tot afdracht van een bedrag van €139.843,14 wordt toegewezen, evenals de vordering tot inzage van justificatoire bescheiden. Het gevorderde gebruiks- en exploitatieverbod wordt afgewezen omdat de vof voldoende middelen heeft om verdere uitholling te voorkomen en er geen sprake is van concurrentie.

De voorzieningenrechter legt een dwangsom op voor het niet nakomen van de inzageverplichting en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en weerspiegelt de complexe verhouding tussen vennoten in een vof, waarbij redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de gedaagde vennoot tot afdracht van €139.843,14 en tot inzage in financiële stukken, maar wijst het gebruiks- en exploitatieverbod af.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352604 / KG ZA 26-191
Vonnis in kort geding van 9 juli 2026
in de zaak van

1.V.O.F. [eisende partij 1] ,

zetelend te [plaats] , gemeente Sittard-Geleen,
hierna te noemen: de vof
2.
[eisende partij 2],
hierna te noemen: [eisende partij 2]
wonend te [woonplaats 1] , gemeente Echt-Susteren,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: de vof c.s.,
advocaat: mr. G.J.J.A. van Zeijl,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonend te [woonplaats 2] , gemeente Sittard-Geleen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
zetelend te [plaats] , gemeente Sittard-Geleen,
3.
[gedaagde sub 3] B.V.,
zetelend te [plaats] , gemeente Sittard-Geleen,
gedaagde partijen,
gedaagden sub 1 tot en met 3 hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1 c.s.]
advocaat: mr. D.P. Luijckx

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 13,
- de eisvermeerdering, tevens overlegging van een productie, met productie 14,
- de conclusie van antwoord met de producties 1 tot en met 6,
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026,
- de akte van eisvermeerdering, tevens overlegging van een productie, van de vof,
- de pleitnota van de vof.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij 2] en [gedaagde sub 1] zijn op [datum] 1992 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Zij hebben drie kinderen.
2.2.
Op 1 januari 1998 is de vof opgericht. De activiteit van de vof betreft ‘exploitatie van kermisattracties’. Vennoten van de vof zijn [eisende partij 2] en [gedaagde sub 1] .
2.3.
[gedaagde sub 1] heeft op 4 september 2025 de besloten vennootschappen [gedaagde sub 2] B.V. (gedaagde sub 2) en [gedaagde sub 3] B.V (gedaagde sub 3). opgericht. [1]
2.4.
Bij verzoekschrift van 12 september 2025 is namens [eisende partij 2] echtscheiding
verzocht. De echtscheiding is nog niet uitgesproken.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij 2] vordert, na vermeerdering van eis, dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dat toelaat:
[gedaagde sub 1 c.s.] ieder afzonderlijk veroordeelt tot afdracht van de omzetten, gegenereerd door de vennootschappen van [gedaagde sub 1] vanaf 1 oktober 2025, zowel de gelden ontvangen per bank als per kas, met name - doch niet uitsluitend - het bedrag € 151.943,14, aan de vof en wel door middel van bijschrijving op haar bankrekening met IBAN zoals in het lichaam van de dagvaarding genoemd, en voor wat betreft de kasgelden door middel van afstorting bij de bank op diezelfde bankrekening, uiterlijk binnen één week na betekening van het in deze te wijzen vonnis;
[gedaagde sub 1 c.s.] ieder afzonderlijk te verbieden om de kermisattracties, transportmiddelen en andere roerende zaken als in het lichaam van de dagvaarding (sub 65 tot en met 69) nader omschreven - zonder schriftelijke goedkeuring c.q. toestemming van [eisende partij 2] (lees: namens de vof) - te gebruiken vanaf dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, dan wel subsidiair vanaf betekening van het in dezen te wijzen vonnis, zo nodig met inachtneming van een bepaalde termijn;
[gedaagde sub 1 c.s.] ieder afzonderlijk te verbieden om - zonder schriftelijke goedkeuring c.q. toestemming van [eisende partij 2] - kermissen en andere evenementen te exploiteren in de gemeenten, zoals in het lichaam van de dagvaarding (randnummer 88) en in de eisvermeerdering (randnummer 3) nader omschreven, en zich ook overigens dienen te onthouden van al die handelingen waardoor de vof concurrentie wordt aangedaan, direct of indirect;
[gedaagde sub 1 c.s.] ieder afzonderlijk te veroordelen om rekening en verantwoording af te leggen door middel van het overleggen van justificatoire bescheiden betreffende de exploitatie door of namens de vennootschappen van [gedaagde sub 1] , zoals met name stukken, zoals alle exploitatievergunningen ten name van [gedaagde sub 1] en diens vennootschappen, alsmede alle overeenkomsten, waaronder tevens te verstaan correspondentie, zoals bijvoorbeeld e-mailverkeer, waaruit genoegzaam blijkt welke exploitatieafspraken door hen met derden zijn gemaakt met opdrachtgevers, zoals gemeenten en hoofdaannemers, zoals ín de dagvaarding nader omschreven, alsmede overlegging van alle facturen, zowel debet als credit, kasstaten (het kasboek en de onderliggende bescheiden) en alle bankafschriften betreffende de ten name van gedaagden sub 2 en 3 gestelde bankrekeningen, ook myPOS-accounts, zoals de bankrekening met [bankrekeningnummer 1] ten name van gedaagde sub 3, [gedaagde sub 3] , alsmede de omzetbelastingaangiften, een en ander ten aanzien van de periode ingaande 1 oktober 2025, uiterlijk binnen twee (2) weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis;
Een en ander (1 tot en met 4) per overtreding of bij niet-nakoming op ver-
beurte van een dwangsom ad € 50.000,00 ineens en € 5.000,00 voor iedere op-
volgende dag of gedeelte van een dag dat zulks mocht voortduren;
6. Althans die beslissing, die termijnen en/of betekening en die dwangsom-
men, zoals u e.a. voorzieningenrechter in goede justitie meent te moeten bepalen;
[gedaagde sub 1 c.s.] ieder afzonderlijk te veroordelen in de proceskosten van dit geding.
3.2.
[gedaagde sub 1 c.s.] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aannemelijk dat de vof een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorziening. Inzet van het geschil is, kort gezegd, de stelling dat [gedaagde sub 1] onrechtmatig handelt jegens de vof, doordat hij activiteiten van de onderneming van de vof heeft overgeheveld en tracht zoveel mogelijk over te hevelen naar zijn eigen vennootschappen (gedaagden sub 2 en 3), waarbij [eisende partij 2] geen inzicht (meer) heeft in de financiële gang van zaken. Daarbij stelt [eisende partij 2] dat [gedaagde sub 1 c.s.] geldbedragen hebben onttrokken aan de vof-rekening. Onder deze omstandigheden is het spoedeisend belang voldoende gegeven en kan van de vof niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
Ten aanzien van het onder 1 gevorderde (afdracht van omzetten)
4.2.
De vof c.s. stellen dat [gedaagde sub 1 c.s.] vanaf 1 oktober 2025 onrechtmatig gebruik maken van de materiële en immateriële activa van de vof en de daarmee verbonden onderneming en dat [gedaagde sub 1] met zijn vennootschappen (gedaagden sub 2 en 3) omzet genereert die de vof behoort toe te komen. In de periode van 1 december 2025 tot en met 9 januari 2026 hebben [gedaagde sub 1 c.s.] ten onrechte een bedrag van € 151.943,14 aan omzet gegenereerd ten koste van de vof. Ter onderbouwing van hun stellingen verwijzen de vof c.s. naar een e-mail met toelichting van mr. Cremers van 3 februari 2026 met in de bijlage diverse stukken, waaruit volgens hen blijkt welke kermisattracties tot welke pinopbrengsten hebben geleid en naar welke bankrekening(en) bedoelde omzetten zijn gevloeid. [2] Er is daarbij gebruik gemaakt van het zogenaamde myPOS-account (een tussenrekening waar het geld van de pinautomaten op gestort wordt) dat weliswaar op naam van de vof staat, maar waaraan vanaf december 2025 ook de bankrekeningen van de vennootschappen van [gedaagde sub 1] gekoppeld waren. Gelet op het vorenstaande dienen [gedaagde sub 1 c.s.] te worden veroordeeld tot omzetafdracht, aldus de vof c.s.. Op het af te dragen bedrag kan € 12.100,- in mindering worden gebracht. Dit betreft een huuropbrengst voor twee attracties, die wel is afgedragen aan de vof. Inmiddels zijn alle pinautomaten – op één (ongebruikt) apparaat na – niet meer aan het myPOS-account van de vof gekoppeld [3] , waardoor de vof geen zicht meer heeft op de geldstromen.
Daarnaast zijn er volgens de vof c.s. aanzienlijke kasgelden: volgens de kasboekadministra-tie van 1 oktober 2025 hield [gedaagde sub 1] op dat moment € 226.730,- aan kasgeld. Ook dit moet worden afgedragen aan de vof, aldus de vof c.s.. De vof c.s. wijzen er bij het voorgaande op – onder verwijzing naar bankafschriften over de periode van 30 november 2025 tot en met 30 april 2026 – dat, terwijl [gedaagde sub 1 c.s.] de vruchten van de exploitatie plukken, de kosten daarvan ten laste van de vof komen.
4.3.
[gedaagde sub 1 c.s.] hebben hiertegen naar voren gebracht dat in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 13 juni 2026 wel degelijk inkomsten naar de vof zijn gevloeid. Zij wijzen erop dat in de periode van 1 oktober 2025 tot en met 8 juni 2026 in totaal (afgerond) € 110.000,- aan inkomsten op de vof-rekening is bijgeschreven. Deze inkomsten bestaan uit pinomzetten (via het myPOS-account), contante afstortingen via Rabobank SmartPay, huurpenningen van derden en vergoedingen van gemeenten en instellingen. Daarnaast zijn een bedrag van ruim € 40.000,- aan onderhouds- en exploitatiekosten en hotelovernachtingen voor kermissen van de vof niet bij de vof in rekening gebracht. [gedaagde sub 1] beoogde zijn arbeid vanaf 2 november 2025 niet meer in de vof in te brengen. Omdat partijen niet tot een regeling kwamen hebben [gedaagde sub 1 c.s.] de huur voor het gebruik van de vof-attracties niet meer aan de vof vergoed; [gedaagde sub 1] heeft in plaats daarvan (als bestuurder van zijn vennootschappen) zijn arbeid alsnog volledig ten behoeve van de vof ingebracht voor de kermissen van de vof, zonder daarvoor enige vergoeding te hebben ontvangen.
De stelling dat [gedaagde sub 1 c.s.] geld zouden hebben weggesluisd, wordt betwist en is door de vof ook niet onderbouwd. In dit verband verwijzen [gedaagde sub 1 c.s.] naar de bankafschriften van de vof-rekening over de periode van 1 oktober 2025 tot en met 11 juni 2026 [4] . Er zijn pinautomaten waarmee per attractie inzichtelijk is wat er via pin wordt omgezet, deze zijn volgens [gedaagde sub 1 c.s.] door de vof zelf in te zien. Daarnaast is volgens [gedaagde sub 1 c.s.] geen sprake van concurrentie, want standplaatsen op kermissen zijn geen eigendom.
4.4.
De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van de vof c.s. tot afdracht van de omzetten vanaf 1 oktober 2025 aldus dat zowel afdracht wordt gevorderd van reeds gerealiseerde omzet als (na dit vonnis) nog te realiseren omzet. In dat verband stelt de voorzieningenrechter voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.
4.5.
Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling staat voorop – dit is niet in geschil – dat de vof nog bestaat. Dat betekent dat de rechtsverhouding tussen [eisende partij 2] en [gedaagde sub 1] , als vennoten van de vof, wordt beheerst door hetgeen zij zijn overeengekomen, de wettelijke regeling van de personenvennootschap, almede de eisen van redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen vennoten verder inkleuren. De verplichting tot samenwerking vloeit voort uit de aard van de overeenkomst en de inhoud van deze verplichting wordt, behalve door de contractsbepalingen, mede ingevuld door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Uit de redelijkheid en billijkheid vloeit de verplichting voort voor de vennoot om bij zijn handelen niet alleen rekening te houden met zijn eigen belang, doch dit belang af te wegen tegen het belang van zijn medevennoten, of het belang van het samenwerkingsverband als geheel, en deze laatste belangen zo nodig te doen overwegen. Dit betekent onder meer dat vennoten jegens elkaar volledige openheid van zaken behoren te geven omtrent de financiële gang van zaken binnen de onderneming en zich dienen te onthouden van gedragingen die de belangen van de vennootschap of van hun medevennoten schaden. Uit die verhouding vloeit tevens voort dat een vennoot gehouden is gelden, opbrengsten en zakelijke kansen die de vennootschap toekomen aan de vennootschap af te dragen en zich gedurende het bestaan van de vennootschap te onthouden van concurrerende activiteiten ten nadele van de onderneming, tenzij de overige vennoten daarmee hebben ingestemd. Tegen deze achtergrond dient het handelen van [gedaagde sub 1] te worden beoordeeld. Bij het voorgaande geldt verder dat iedere vennoot ten behoeve van de vennootschap de naleving van de verplichting tot inbreng kan vorderen. Ook de vennootschap zelf kan dat.
4.6.
Op basis van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, acht de voorzieningenrechter het voorshands voldoende aannemelijk dat [gedaagde sub 1] ten onrechte omzet heeft gegenereerd binnen zijn eigen vennootschappen zonder deze aan de vof ten goede te laten komen. De voorzieningenrechter overweegt daartoe als volgt. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij zijn nieuwe vennootschappen (gedaagden sub 2 en 3) heeft opgericht om fiscale redenen. Om dezelfde redenen heeft hij, hoewel de vof nog bestaat, de kermissen alvast een beetje verdeeld tussen de vof en zijn vennootschappen. Een aantal kermissen loopt dus nog via de vof (de exploitatievergunning en eventuele contracten staan op naam van de vof) en een aantal andere kermissen verloopt inmiddels via [gedaagde sub 3] (gedaagde sub 3). Ook is er inmiddels een nieuw myPOS-account dat is gekoppeld aan de rekeningen van de vennootschap(pen). [gedaagde sub 1] heeft dit niet in overleg met [eisende partij 2] gedaan, omdat hij de beslissingen met betrekking tot de exploitatie altijd al zelf nam. Wel had hij de plannen voor oprichting van de vennootschappen met haar besproken; daartegen had zij geen bezwaar. Het bedrag van € 151.943,14 dat in deze procedure wordt gevorderd heeft betrekking op de omzet van bedrijfsactiviteiten die normaal gesproken voor de vof zouden zijn uitgevoerd, maar die [gedaagde sub 1] nu binnen zijn eigen vennootschappen heeft uitgevoerd.
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagde sub 1] de onderneming van de vof (zonder instemming van [eisende partij 2] ) vanaf 1 oktober 2025 deels heeft voortgezet in zijn eigen vennootschappen, waarbij de omzet voor het ‘overgehevelde’ deel naar die vennootschappen is gevloeid. Door het gebruik van het nieuwe myPOS-account heeft [eisende partij 2] als medevennoot geen zicht meer op de gegenereerde omzet. Daarmee heeft [gedaagde sub 1] gehandeld in strijd met zijn verplichting om de aan de vof toekomende opbrengsten af te dragen en inzicht te geven in de financiële gang van zaken. Dat geldt te meer nu voor de exploitatie ten behoeve van de eigen vennootschappen van [gedaagde sub 1] gebruik wordt gemaakt van de bedrijfsmiddelen (kermisattracties, voertuigen etc.) van de vof. Dat [eisende partij 2] mogelijk ook onrechtmatige onttrekkingen aan het vermogen van de vof heeft gedaan doet hieraan niet af. Het gegeven dat de vergunningen en overeenkomsten niet via de vof maar via de nieuwe vennootschappen lopen, zoals namens [gedaagde sub 1] ter mondeling behandeling naar voren is gebracht, maakt het vorenstaande evenmin anders. Immers, uit de hiervoor uiteen gezette rechtsverhouding vloeit voort dat een vennoot is gehouden de aan de vennootschap toekomende omzet en opbrengsten af te dragen en zich te onthouden van concurrerende activiteiten ten nadele van de vof. De voorzieningenrechter acht het dan ook aannemelijk dat [gedaagde sub 1] concurrerende werkzaamheden heeft verricht via zijn eigen vennootschappen en daarmee de vof heeft benadeeld.
4.7.
Gelet op het vorenstaande is de vordering tot betaling van € 151.943,14 in beginsel toewijsbaar. Een afweging van de wederzijdse belangen staat niet aan toewijzing van het gevorderde bedrag in de weg. Daarbij weegt mee dat de vordering in een eventuele bodemprocedure naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopen op die uitkomst gerechtvaardigd is. Verder is onvoldoende gebleken van feiten of omstandigheden die aanleiding geven te veronderstellen dat terugbetaling onmogelijk zal zijn indien de vordering in een bodemprocedure alsnog wordt afgewezen. Het restitutierisico staat daarom niet aan toewijzing van de vordering in de weg.
4.8.
De stelling van de vof c.s. dat [gedaagde sub 1 c.s.] bovendien zouden beschikken over een bedrag van € 226.730,- aan kasgeld – althans daarover op 1 oktober 2025 beschikten – is door [gedaagde sub 1 c.s.] betwist. Voor een beslissing op dit punt zal het aankomen op nadere bewijslevering, waarvoor deze kort gedingprocedure zich niet leent. De vordering onder 1 zal daarom in zoverre worden afgewezen.
4.9.
Het gevorderde bedrag van € 151.943,14 zal worden toegewezen, met dien verstande dat daarop in mindering zal worden gebracht het bedrag van € 12.100,- dat reeds is afgedragen (zie rov. 4.2), zodat een bedrag resteert van € 139.843,14. Daarbij zal, in afwijking van het gevorderde, aan [gedaagde sub 1] een betalingstermijn van twee weken worden verleend. Ook zullen [gedaagde sub 1 c.s.] worden veroordeeld tot afdracht van de na betekening van dit vonnis gegenereerde omzetten door exploitatie van de onderneming die is (dan wel voorheen was) verbonden aan de vof (waaronder wordt verstaan de omzet uit de attracties die voorheen werden geëxploiteerd door de vof), binnen een maand na ontvangst van de bedragen.
4.10.
De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog het volgende. [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij ten behoeve van de exploitatie voor de vof kosten maakt (onder meer voor brandstof, onderhoud en personeel). Hoewel [gedaagde sub 1 c.s.] daaraan geen vordering in reconventie heeft verbonden wijst de voorzieningenrechter de vof c.s. erop dat zij op grond van de redelijkheid en billijkheid die de relatie tussen de vennoten beheerst, zijn gehouden de kosten die worden gemaakt ten behoeve van de exploitatie voor de vof op eerste (voldoende onderbouwd en gespecificeerd) verzoek onverwijld te voldoen.
Ten aanzien van het onder 4 gevorderde (afschrift van bescheiden)
4.11.
De vof c.s. vorderen tevens dat [gedaagde sub 1 c.s.] uit hoofde van de onderlinge rechtsbetrekking die de vof meebrengt rekening en verantwoording dienen af te leggen. De vof c.s. vorderen op grond van artikel 194 Rv Pro dat justificatoire bescheiden worden overgelegd betreffende de exploitatie door of namens de vennootschappen van [gedaagde sub 1] vanaf 1 oktober 2025, zoals alle exploitatievergunningen, overeenkomsten (dan wel correspondentie waaruit exploitatieafspraken blijken), facturen, kasstaten, bankafschriften, myPOS-accounts en omzetbelastingaangiften.
4.12.
[gedaagde sub 1 c.s.] hebben aangevoerd dat [eisende partij 2] het kasboek over 2025 achterhoudt. Gelet daarop is een bevel tot eenzijdige overlegging disproportioneel, aldus [gedaagde sub 1 c.s.] . Daarnaast gaat volgens hen inzage in de B.V.-administratie de grenzen van een kort geding te buiten.
4.13.
De voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat op de voet van artikel 194 jo Pro. 195 Rv afschriften van de in de vordering onder 4 genoemde bescheiden worden gevorderd. Voor het in deze artikelen genoemde recht op inzage, afschrift of uittreksel moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan: degene die informatie van een ander verlangt moet partij zijn bij een rechtsbetrekking, de verlangde informatie voldoende bepaald zijn, de partij moet voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en degene van wie inzage wordt verlangd moet over de gevraagde informatie beschikken.
4.14.
De vof c.s. hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een rechtmatig belang hebben bij het opvragen van de gevraagde bescheiden. Zoals reeds overwogen brengen de redelijkheid en billijkheid die de rechtsverhouding tussen vennoten in een vof beheersen mee dat vennoten jegens elkaar volledige openheid van zaken behoren te geven omtrent de financiële gang van zaken binnen de onderneming en zich dienen te onthouden van gedragingen die de belangen van de vennootschap of van hun medevennoten schaden. Meer in het algemeen heeft iedere vennoot recht op de inlichtingen en bewijsstukken die hij redelijkerwijze nodig heeft om zich een oordeel over de omvang van een gemaakte winst en daarmee van het hem toekomende bedrag te vormen. Zoals ook reeds overwogen hebben de vof c.s. thans in het geheel geen zicht op de door de vennootschappen uitgevoerde exploitatie en de daarmee gegenereerde omzet. De door de vof c.s. gevorderde afschriften zijn daarom van belang voor de vaststelling van de door de vof gerealiseerde omzet, de omvang van de afdrachtverplichtingen en de verdere financiële afwikkeling tussen partijen. Dat het in dit geval niet volstaat om enkel stukken betreffende de vof te delen, maar het ook noodzakelijk is dat stukken betreffende de vennootschappen van [gedaagde sub 1] worden gedeeld, is aan [gedaagde sub 1] zelf te wijten. Dit is immers het rechtstreekse gevolg van zijn keuze om de onderneming van de vof deels onder te brengen in zijn eigen vennootschappen en (onder meer door gebruik van een nieuw myPOS-account) aan het zicht van de vof c.s. te onttrekken. De voorzieningenrechter volgt [gedaagde sub 1 c.s.] niet in hun standpunt dat inzage in de B.V.-administratie de grenzen van een kort geding te buiten zou gaan; [gedaagde sub 1 c.s.] hebben overigens ook niet toegelicht waarom dat het geval zou zijn.
4.15.
De gevorderde bescheiden zijn voldoende bepaald omschreven en zien op de tussen [eisende partij 2] en [gedaagde sub 1] bestaande rechtsverhouding als vennoten van de vof. Ook is voldoende aannemelijk dat de gevraagde bescheiden in het bezit van [gedaagde sub 1] zijn dan wel te zijner beschikking staan. Het betreft immers stukken die betrekking hebben op door [gedaagde sub 1] verrichte werkzaamheden, ontvangen betalingen, opdrachten, facturatie en overige bedrijfsactiviteiten met zijn vennootschappen waarvan voorshands aannemelijk is – dit is ook niet betwist – dat [gedaagde sub 1] daarover beschikt of redelijkerwijs de beschikking kan verkrijgen. Tegen de concreet gevorderde bescheiden is geen verweer gevoerd.
4.16.
Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van gewichtige redenen die zich tegen verstrekking van de gevraagde bescheiden verzetten. Evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van deze gegevens is gewaarborgd.
4.17.
Nu aan de vereisten voor toewijzing is voldaan, zal de vordering worden toegewezen op de wijze als hierna in het dictum vermeld. Daarbij zal de voorzieningen-rechter de termijn het verstrekken van de afschriften, ook voor toekomstige bescheiden, bepalen op vier weken.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 gevorderde
4.18.
De vof c.s. vorderen naast het voorgaande een rechterlijk verbod, inhoudende dat het [gedaagde sub 1 c.s.] verboden zal zijn om aan de vof, [eisende partij 2] en de vader van [eisende partij 2] in eigendom toebehorende goederen te gebruiken zonder expliciete toestemming van [eisende partij 2] . Ter motivering van die vordering voeren de vof c.s. aan dat de stok die [eisende partij 2] in het wiel van [gedaagde sub 1 c.s.] wenst te (doen) steken dik genoeg zal moeten zijn, zodat [gedaagde sub 1 c.s.] een halt kan worden toegeroepen. Daarnaast vorderen de vof c.s. een exploitatieverbod – behoudens schriftelijke toestemming van [eisende partij 2] – ten aanzien van kermissen en andere evenementen in een (groot) aantal met name genoemde gemeenten, alsmede (naar de voorzieningenrechter begrijpt) een gebod zich te onthouden van handelingen waardoor de vof direct of indirect concurrentie wordt aangedaan.
4.19.
[gedaagde sub 1 c.s.] hebben onder meer als verweer gevoerd dat een algeheel gebruiksverbod exploitatie onmogelijk maakt, dat daardoor alle geldstromen naar de vof zullen stoppen en dat dit zal leiden tot contractuele schadeclaims van gemeenten en organisatoren, omdat [gedaagde sub 1 c.s.] de overeenkomsten dan niet zullen kunnen nakomen. Als gevolg hiervan – alsmede door de reputatieschade die dit zal opleveren – zal de gehele onderneming, zowel van de vof als van de vennootschappen van [gedaagde sub 1] om zeep geholpen worden. Hetzelfde geldt voor een exploitatieverbod: een dergelijk verbod in twintig gemeenten midden in het zomerseizoen is onomkeerbaar en leidt tot directe contractuele schade, aldus [gedaagde sub 1 c.s.] .
4.20.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Gelet op de motivering van de vof c.s. dient het gebruiks- en exploitatieverbod – net als de andere vorderingen – ertoe verdere ‘uitholling’ van de vof door de vennootschappen van [gedaagde sub 1] te voorkomen. Nu de vorderingen onder 1 en 4 zullen worden toegewezen, hebben de vof c.s. naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belang bij toewijzing van het onder 2 en 3 gevorderde, aangezien de vof c.s. op grond daarvan voldoende middelen in handen hebben om te voorkomen dat de vof verder wordt uitgehold. Bovendien is tegen deze achtergrond geen sprake van concurrentie met de vof: de inkomsten van de exploitatie worden immers aan haar afgedragen. Dat een deel van de exploitatie niet op naam van de vof, maar op naam van de vennootschappen van [gedaagde sub 1] geschiedt maakt dit niet anders. Dit zou tot concurrentie kunnen leiden als de vof op termijn naast de vennootschappen zou blijven voortbestaan, maar daarvan is geen sprake. Tijdens de mondelinge behandeling is immers gebleken dat het de bedoeling van partijen is dat [gedaagde sub 1] (en vervolgens de kinderen) uiteindelijk de onderneming zal voortzetten: [eisende partij 2] heeft in dat verband ter mondelinge behandeling verklaard dat zij de aan de vof verbonden onderneming aan [gedaagde sub 1] wil laten en dat zij zelf niet in staat is tot exploitatie daarvan. Ook is gebleken dat [eisende partij 2] er in beginsel geen bezwaar tegen heeft dat de onderneming (op termijn) wordt ondergebracht in de vennootschappen van [gedaagde sub 1] . Feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat [gedaagde sub 1 c.s.] de vof op andere wijze concurrentie aandoen – bijvoorbeeld door het exploiteren van kermisattracties die niet tot de onderneming van de vof behoren en waarvoor zij geen omzet afdragen – zijn niet gesteld of gebleken, zodat ook op die grond de vorderingen niet kunnen worden toegewezen.
4.21.
Bij het voorgaande weegt de voorzieningenrechter mee dat de attracties een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsuitoefening van de vof vormen en de basis zijn voor het genereren van omzet en behoud van de marktpositie van de onderneming. Het niet kunnen exploiteren leidt naar zijn aard tot omzetverlies en kan afbreuk doen aan de continuïteit van de onderneming. Ook een belangenafweging leidt derhalve tot het oordeel dat de onder 2 en 3 gevraagde voorzieningen moeten worden afgewezen. Dit geldt temeer nu het gebruik en de exploitatie van de attracties mede – zo niet met name – in het belang van de vof zijn. [eisende partij 2] dient zich als vennoot te richten naar het belang van de vof.
4.22.
Door de vof zijn – mede gelet op de toewijzing van de vorderingen onder 1 en 4 – geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden naar voren gebracht die de conclusie rechtvaardigen dat het voortgezet gebruik en exploitatie van de attracties strijdig zou zijn met het belang van de vof. Evenmin is gebleken van zwaarwegende belangen die zich tegen een dergelijk gebruik en exploitatie verzetten. Daarenboven staat tussen partijen vast dat [gedaagde sub 1] altijd (zelfstandig) zorg heeft gedragen voor de exploitatie van kermissen en andere evenementen, zodat zonder nadere uitleg, die niet is gegeven, niet kan worden ingezien waarom [gedaagde sub 1] zich thans – zonder expliciete toestemming van [eisende partij 2] – zou dienen te onthouden van al die handelingen. Deze vorderingen zullen in het kader van deze voorlopige voorziening dan ook worden afgewezen.
Ten aanzien van de onder 5 gevorderde dwangsommen
4.23.
De vof c.s. vorderen oplegging van dwangsommen voor (voor zover thans nog van belang) zowel de onder 1 gevorderde afdracht van omzetten als de onder 4 gevorderde afschriften van bescheiden.
De gevorderde afdracht van omzetten komt neer op een vordering tot betaling van een geldsom; voor een dergelijke veroordeling is oplegging van een dwangsom niet mogelijk (art. 611a lid 1 Rv), zodat de gevorderde dwangsommen met betrekking tot die vordering zullen worden afgewezen.
Ten aanzien van de gevorderde verstrekking van afschriften ziet de voorzieningenrechter, gelet op de verhouding tussen partijen, reden voor het opleggen van een dwangsom. Gelet op de verklaring van [gedaagde sub 1] ter mondelinge behandeling dat hij vrijwillig medewerking zal verlenen aan een eventuele veroordeling, zal de voorzieningenrechter de gevorderde dwangsom echter matigen tot € 100,- per dag of dagdeel dat [gedaagde sub 1 c.s.] niet aan de veroordeling voldoen, met een maximum van € 25.000,-.
Proceskosten
4.24.
[gedaagde sub 1 c.s.] hebben gevorderd dat niet de vof, maar [eisende partij 2] in persoon in de proceskosten wordt veroordeeld, waarbij de veroordeling de reële proceskosten zou moeten betreffen.
4.25.
Voor een veroordeling in de reële proceskosten is slechts plaats onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig procederen. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Het verzoek tot vergoeding van de reële proceskosten wordt daarom afgewezen.
4.26.
Hoewel dit geschil formeel de vof betreft, speelt het zich af tegen de achtergrond van de lopende echtscheiding tussen partijen. Gelet daarop zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] tot afdracht aan de vof van een bedrag ter hoogte van € 139.843,14 door middel van bijschrijving op de bankrekening van de vof ( [bankrekeningnummer 2] ), uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] tot afdracht aan de vof van de omzetten gegenereerd door de vennootschappen van [gedaagde sub 1] uit de exploitatie van de onderneming die is (dan wel voorheen was) verbonden aan de vof (waaronder wordt verstaan de omzet uit de attracties die voorheen werden geëxploiteerd door de vof), vanaf betekening van dit vonnis tot het moment van beëindiging van de vof, zowel de gelden ontvangen per bank als per kas, door middel van bijschrijving op de bankrekening van de vof ( [bankrekeningnummer 2] ), dan wel, voor wat betreft de kasgelden, door middel van afstorting bij de bank op diezelfde bankrekening uiterlijk binnen een maand (dertig dagen) na ontvangst van de bedragen door [gedaagde sub 1] of zijn vennootschappen,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] ieder afzonderlijk om rekening en verantwoording af te leggen door middel van het overleggen van justificatoire bescheiden betreffende de exploitatie door of namens de vennootschappen van [gedaagde sub 1] , zoals met name stukken, zoals alle exploitatievergunningen ten name van [gedaagde sub 1] en diens vennootschappen, alsmede alle overeenkomsten, waaronder tevens te verstaan correspondentie, zoals bijvoorbeeld e-mailverkeer, waaruit genoegzaam blijkt welke exploitatieafspraken door hen met derden zijn gemaakt met opdrachtgevers, zoals gemeenten en hoofdaannemers, zo-
als ín het lichaam dezes nader omschreven, alsmede overlegging van alle facturen, zowel debet als credit, kasstaten (het kasboek en de onderliggende bescheiden) en alle bankafschriften betreffende de ten name van gedaagden sub 2 en 3 gestelde bankrekeningen, en myPOS-accounts, zoals de bankrekening met [bankrekeningnummer 1] ten name van gedaagde sub 3, [gedaagde sub 3] , alsmede de omzetbelastingaangiften, een en ander ten aanzien van de periode ingaande 1 oktober 2025, uiterlijk binnen vier
weken na betekening van dit vonnis voor reeds bestaande bescheiden en uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming van de bescheiden voor bescheiden die na betekening van dit vonnis tot stand komen,
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1 c.s.] om aan de vof c.s. een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet voldoen aan de veroordeling onder 5.3, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op
9 juli 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding
2.Productie 8 bij dagvaarding
3.Pleitnotitie mr. Van Zeijl, randnr. 50.
4.Productie 3 bij conclusie van antwoord