Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.V.O.F. [eisende partij 1] ,
2.
[eisende partij 2],
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
3.
[gedaagde sub 3] B.V.,
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 18 juni 2026,
Rechtbank Limburg
In deze zaak tussen vennoten van een vennootschap onder firma (vof) staat centraal dat een vennoot zijn onderneming deels exploiteert via eigen vennootschappen, zonder volledige afdracht van omzet aan de vof. De eiser, een vennoot, vordert onder meer afdracht van omzet vanaf 1 oktober 2025, inzage in administratieve en financiële stukken, en een verbod op gebruik en exploitatie van bedrijfsmiddelen zonder toestemming.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat de vennoot onrechtmatig handelt door omzet via eigen vennootschappen te genereren en de andere vennoot geen inzicht meer heeft in de financiële gang van zaken. De vordering tot afdracht van een bedrag van €139.843,14 wordt toegewezen, evenals de vordering tot inzage van justificatoire bescheiden. Het gevorderde gebruiks- en exploitatieverbod wordt afgewezen omdat de vof voldoende middelen heeft om verdere uitholling te voorkomen en er geen sprake is van concurrentie.
De voorzieningenrechter legt een dwangsom op voor het niet nakomen van de inzageverplichting en compenseert de proceskosten tussen partijen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en weerspiegelt de complexe verhouding tussen vennoten in een vof, waarbij redelijkheid en billijkheid een belangrijke rol spelen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de gedaagde vennoot tot afdracht van €139.843,14 en tot inzage in financiële stukken, maar wijst het gebruiks- en exploitatieverbod af.