ECLI:NL:RBLIM:2026:6680

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
12273020 \ CV EXPL 26-3199
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Kuster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 216 RvArt. 74 lid 1 RvArt. 74 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing vrijwaringszaak naar rechtbank Den Haag wegens samenhang met hoofdzaak

In deze civiele procedure heeft de kantonrechter van de rechtbank Limburg de vrijwaringszaak van eiser tegen [bedrijf 2] ambtshalve verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag. Dit volgt uit het vonnis in incident van dezelfde dag in de hoofdzaak, die reeds naar die rechtbank is verwezen.

De verwijzing is gebaseerd op artikel 216 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat voorschrijft dat hoofdzaak en vrijwaringszaak door dezelfde rechter behandeld dienen te worden. De kantonrechter wijst partijen erop dat zij na verwijzing alleen bij advocaat kunnen procederen en dat het griffierecht verschuldigd is, dat binnen vier weken na oproeping moet zijn voldaan.

De procedurele stappen voor voortzetting zijn toegelicht, waarbij een partij de andere partijen bij exploot moet oproepen en de zaak bij de aangewezen rechter aanhangig moet maken. De zaak wordt vervolgens voortgezet in de stand waarin zij zich bij verwijzing bevindt. De gedaagde partij was niet verschenen en verstek is verleend.

Uitkomst: De vrijwaringszaak wordt verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12273020 \ CV EXPL 26-3199 (vrijwaring)
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [bedrijf 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. R.J. Ottens,
tegen
[gedaagde],
h.o.d.n. [bedrijf 2],
wonende te [plaats 2] , Duitsland,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in vrijwaring van 18 april 2026 met producties 1 t/m 4,
- het tegen [bedrijf 2] verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter is ambtshalve bekend met het vonnis in incident van 15 juli 2026 in de hoofdzaak met zaaknummer 12094063 CV EXPL 26-751 waarbij die hoofdzaak is verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag.
2.2.
Gelet op de bedoeling van de wetgever dat hoofdzaak en vrijwaringszaak steeds één en dezelfde rechter behandeld dienen te worden (artikel 216 Rv Pro) zal ook de onderhavige vrijwaringszaak worden verwezen naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag.
2.3.
Op de voortzetting van de procedure is het bepaalde in artikel 74 lid 1 en Pro 3 eerste volzin van toepassing. Dat wil zeggen dat voor voortzetting vereist is dat een van de partijen de overige partijen bij exploot moet oproepen en de zaak bij de rechter naar wie verwezen is aanhangig moet maken. Vervolgens wordt de zaak bij die rechter voortgezet in de stand waarin de zaak zich bij verwijzing bevond.
2.4.
De kantonrechter wijst partijen er ook uitdrukkelijk op dat zij in het vervolg van de procedure alleen bij advocaat kunnen procederen.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de kamer voor andere zaken dan kantonzaken van de rechtbank Den Haag, locatie Den Haag,
3.2.
wijst partijen erop dat iedere partij het recht heeft de overige partij(en) bij exploot op te roepen tegen een nieuwe roldatum,
3.3.
wijst partijen erop dat zij na verwijzing dienen te procederen bij advocaat,
3.4.
wijst [bedrijf 2] erop dat na verwijzing griffierecht verschuldigd is, dat dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl en dat dit bedrag binnen vier weken na in het exploot van oproeping vermelde roldatum moet zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie zijn gestort.
Dit vonnis is gewezen door mr. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.