ECLI:NL:RBLIM:2026:6688

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1260
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet open overheidBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake openbaarmaking documenten Wet open overheid

Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd om openbaarmaking van documenten door het college op grond van de Wet open overheid (Woo) te voorkomen. Het college had besloten de gevraagde documenten openbaar te maken, maar na bezwaar van verzoekster toegezegd dit niet te doen totdat op het bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het procesbelang ontbreekt omdat het beoogde resultaat, het niet openbaar maken van de documenten tijdens de bezwaarprocedure, reeds door het college is toegezegd. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Desondanks veroordeelt de voorzieningenrechter het college tot betaling van de proceskosten van verzoekster en vergoeding van het griffierecht, omdat het noodzakelijk was dat verzoekster het verzoek indiende om openbaarmaking te voorkomen. Tegen de uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van procesbelang, met veroordeling van het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1260

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

[verzoekster] , uit [vestigingsplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. H.B. Frenken),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nederweert

(gemachtigde: mr. M. Jaouni).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op verzoeksters verzoek om een voorlopige voorziening dat zij heeft ingediend hangende het bezwaar tegen het besluit van 21 mei 2026 inzake het verzoek van een derde partij om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo).

Procesverloop

2.Een derde heeft op grond van de Woo aan het college gevraagd om documenten die deels afkomstig zijn van verzoekster of deels aan verzoekster zijn gericht, openbaar te maken.
2.1.
Na een voornemen van het college en een zienswijze daarop van verzoekster, heeft het college met het besluit van 21 mei 2026 besloten het gevraagde document (deels geanonimiseerd) openbaar te maken.
2.2.
Verzoekster heeft tegen het besluit van 21 mei 2026 bezwaar gemaakt bij het college. Hangende dat bezwaar heeft verzoekster een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat de documenten openbaar worden gemaakt.
2.3.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
2.5.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan op het verzoek om een voorlopige voorziening.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt het college tot betaling van de proceskosten aan verzoekster tot een bedrag van € 934,-;
  • bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden.

Motivering van de beslissing

Procesbelang
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat voor het treffen van een voorlopige voorziening is vereist dat verzoekster daarbij een procesbelang heeft. Van een dergelijk belang is slechts sprake indien met de gevraagde voorziening nog een feitelijk of juridisch relevant resultaat kan worden bereikt. In dit geval is dat niet aan de orde.
3.1.
Het college heeft in het verweerschrift van 23 juni 2026 aangegeven het document niet openbaar te maken alvorens de bezwaarprocedure is doorlopen. Het verweerschrift is per post en daarnaast op vrijdagmiddag 26 juni 2026 per e-mail aan de gemachtigde van verzoekster toegezonden.
3.2.
Het door verzoekster met het verzoek beoogde resultaat, namelijk het niet openbaar maken van het document totdat op het bezwaar is beslist, is inmiddels door het college toegezegd, zodat de gevraagde voorziening geen toegevoegde waarde meer heeft. Reeds daarom ontbreekt het procesbelang en wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Proceskostenvergoeding
4. De afwijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening staat niet in de weg aan een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter ziet daartoe aanleiding. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was het voor verzoekster noodzakelijk om een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Daarmee kon worden voorkomen dat het document openbaar zou worden gemaakt. Immers, in het besluit van 21 mei 2026 staat: “
Derhalve worden de documenten niet eerder verstrekt dan twee weken na dagtekening van dit besluit. Indien binnen deze twee weken bezwaar wordt ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan, vindt verstrekking niet eerder plaats dan na de rechterlijke uitspraak.” Vervolgens heeft het college pas in het verweerschrift van
23 juni 2026 aangegeven te zullen wachten met openbaarmaking tot er op het bezwaar is beslist. Daarom bestaat aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van verzoekster.
4.1.
Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1). Voor een vergoeding voor het verschijnen ter zitting ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding, omdat de gemachtigde van verzoekster op vrijdagmiddag al kennis heeft kunnen nemen van het verweerschrift.
De gemachtigde had ervoor kunnen kiezen het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken en gelijktijdig te verzoeken om een proceskostenveroordeling. De voorzieningenrechter bepaalt verder dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet betalen.
5. De voorzieningenrechter heeft partijen tot slot nog gezegd dat tegen de uitspraak geen rechtsmiddel openstaat en dat partijen het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak binnen twee weken toegestuurd krijgen.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026 door mr. G. Leijten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Haddoumi, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 juli 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.