ECLI:NL:RBLIM:2026:6695

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/03/342651 / FA RK 25-1260
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Geerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:397 BWArt. 1:404 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie bij wijziging hoofdverblijf en zorgregeling in co-ouderschap

De rechtbank Limburg behandelde een verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie na een wijziging in het hoofdverblijf en de zorgregeling van twee minderjarige kinderen. De vrouw verzocht om een hogere kinderbijdrage van de man, omdat het hoofdverblijf van het oudste kind bij de man is komen te liggen en de zorgregeling is veranderd naar een co-ouderschapsmodel waarbij de kinderen om de week bij elk van de ouders verblijven.

De man stelde dat hij vanwege gezondheidsklachten minder kan werken en dat hij voor het oudste kind geen kinderbijdrage meer zou moeten betalen, omdat hij alle kosten voor dat kind draagt. De vrouw betwistte dat zij haar verdiencapaciteit kan verhogen en benadrukte de intensieve zorg die het oudste kind nodig heeft.

De rechtbank oordeelde dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden en dat de draagkracht van beide ouders en de behoefte van de kinderen zorgvuldig moeten worden berekend. De gezamenlijke draagkracht van de ouders is hoger dan de behoefte, maar de zorgkorting en het hoofdverblijf van de kinderen leiden ertoe dat de man een bijdrage van €259 voor het jongste kind en €97 voor het oudste kind aan de vrouw moet betalen.

De rechtbank wees de zelfstandige verzoeken van de man af en compenseerde de proceskosten zodat ieder zijn eigen kosten draagt. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie en legt de man een bijdrage van €259 en €97 per maand aan de vrouw op voor de kinderen.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
C/03/342651 / FA RK 25-1260Zaaknummer: C/03/342651 / FA RK 25-1260
Beschikking van 1 juli 2026 over de kinderbijdrage
in de zaak van:
[de vrouw],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. M.H.J.M. Stassen, kantoorhoudend in Valkenburg;
en
[de man],
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. Y.K. Kunze, kantoorhoudend in Kerkrade.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift, binnengekomen op 12 juni 2025;
- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, binnengekomen bij de rechtbank op
14 juli 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek, binnengekomen bij de rechtbank op 22 augustus 2025;
- het F9 formulier met bijlagen van de vrouw, binnengekomen op 2 april 2026;
- het F9 formulier met bijlagen van de man, binnengekomen op 13 april 2026;
- het F9 formulier met bijlage van de vrouw, binnengekomen op 16 april 2026;
- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 21 april 2026 en waarbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door mr. Stassen;
- de man, bijgestaan door mr. D.G.A. Rossi, waarnemend voor mr. Kunze.

2.De vaststaande feiten

2.1
Op grond van de overgelegde en niet weersproken producties gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.
2.2
Deze rechtbank heeft op [datum 1] 2021 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Die uitspraak is op [datum 2] 2021 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.3
Uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk zijn geboren de nog minderjarigen:
1. [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016;
2. [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018.
2.4
Partijen zijn een ouderschapsplan overeengekomen op 1 september 2021 dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking van [datum 1] 2021. Bij deze beschikking heeft deze rechtbank, volgens het ouderschapsplan, aan de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, verder te noemen de kinderbijdrage, opgelegd van € 175,00 per maand per kind. Vanwege wettelijke indexering bedraagt die bijdrage nu € 218,00 per maand per kind.

3.De verzoeken en het verweer

3.1
De vrouw verzoekt, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de beschikking van [datum 1] 2021, althans de tussen partijen in het ouderschapsplan overeengekomen kinderbijdrage te wijzigen en te bepalen dat de man aan de vrouw (na toelichting ter zitting), met ingang van 1 mei 2025, een bedrag van € 695,00 per maand voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te betalen, althans een dusdanig bedrag en met ingang van een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie zal bepalen, kosten rechtens.
De vrouw stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de eerdere rechterlijke uitspraak niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet en voert daartoe het volgende aan. Met ingang van 1 mei 2025 heeft [minderjarige 1] het hoofdverblijf bij de man en staat hij bij de man ingeschreven. Vanaf 1 mei 2025 is de zorgregeling veranderd in die zin dat beide kinderen één week bij de man en één week bij de vrouw verblijven. Het wisselmoment is op maandagmorgen bij school.
3.2
De man concludeert tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Hij verzoekt bij zelfstandig verzoek om voornoemde beschikking van [datum 1] 2021 te wijzigen en te bepalen dat de man voor [minderjarige 2] een kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen van
€ 118,00 per maand en dat de kinderbijdrage voor [minderjarige 1] op nihil wordt bepaald. De man stelt dat hij vanwege een auto-ongeluk en daarmee gepaard gaande langdurige klachten regelmatig zijn uren moet aanpassen en hij geen aanspraak meer maakt op de onregelmatigheidstoeslag (hierna: ORT). De man stelt dat hij voor [minderjarige 1] zijn aandeel, naast de verblijfsoverstijgende kosten, in natura betaalt. De man stelt dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij haar maximale verdiencapaciteit benut zodat van een hogere draagkracht van de vrouw dient te worden uitgegaan.
3.4.
De vrouw concludeert tot afwijzing van de zelfstandige verzoeken van de man. De vrouw stelt dat zij niet meer uren kan werken. Anders dan de man die de zorg met zijn nieuwe partner kan delen, staat de vrouw er alleen voor in de zorg voor de kinderen. [minderjarige 1] heeft bovendien intensieve begeleiding nodig. In de week dat zij de kinderen verzorgt, moet zij alle zeilen bijzetten om [minderjarige 1] te begeleiden en [minderjarige 2] van school te halen. De vrouw heeft met haar werkgever afgesproken dat zij in de week dat de kinderen bij haar verblijven zij haar werk gedurende schooltijden mag verrichten. In de week dat de kinderen bij de man verblijven, heeft ze met haar werkgever afgesproken om 32 uur te werken. De vrouw betwist dat de man geen ORT meer ontvangt. Het is haar bekend dat hij nog steeds in de avonden en gedurende nachten werkt.
3.5.
Op de verdere standpunten van partijen tijdens de mondelinge behandeling zal de rechtbank – voor zover relevant – in de beoordeling nader ingaan.

4.De beoordeling

Het wettelijk kader
De wijziging van omstandigheden
4.1.
Artikel 1:401 lid 1 BW Pro bepaalt dat een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak kan worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens eerdere beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan. Daarbij is niet iedere wijziging van omstandigheden voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage maar zijn alleen die wijzigingen waardoor het eerder vastgestelde dan wel overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan wettelijke maatstaven, rechtens relevant.
4.2.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat er met de wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de wijziging van de zorgregeling sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden. Daarmee ligt de weg voor een hernieuwde beoordeling van het verzoek tot wijziging van de kinderbijdrage open.
De ingangsdatum
4.3.
De rechtbank zal vervolgens de ingangsdatum van de eventueel te wijzigen kinderbijdrage bespreken.
4.4.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de alimentatieverplichting. Drie data liggen als ingangsdatum het meest voor de hand: de datum waarop de omstandigheden zijn ingetreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn, de datum van het inleidend processtuk en de datum waarop de rechter beslist. De rechter dient wel behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht vast te stellen dan wel te wijzigen. Een wijziging met terugwerkende kracht kan immers tot gevolg hebben dat één van partijen zich ineens geconfronteerd ziet met een achterstand in de betaling, dan wel een verplichting tot terugbetaling.
4.5.
De vrouw heeft verzocht de ingangsdatum van de door haar verzochte wijziging in de door de man te betalen kosten van de kinderen te bepalen op 1 mei 2025, althans op een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie bepaalt. De vrouw stelt dat partijen het eens zijn over de ingangsdatum van 1 mei 2025 en verwijst daartoe naar het door haar overgelegde e-mailbericht van 12 mei 2025. De man heeft er vanaf 1 mei 2025 rekening mee kunnen houden dat de kinderbijdrage gewijzigd zou worden. De man voert verweer. Hij stelt dat de ingangsdatum primair moet worden bepaald op de datum van deze beschikking, subsidiair vanaf de datum van het verzoekschrift en meer subsidiair vanaf een datum in goede justitie te bepalen. De man heeft onbetwist gesteld dat hij, met uitzondering van de wettelijke indexering in 2026, steeds tijdig de kinderbijdrage heeft voldaan.
4.6.
De rechtbank ziet aanleiding als ingangsdatum voor de eventueel te wijzigen kinderbijdrage aan te sluiten bij de datum van deze beschikking. Anders dan door de vrouw is gesteld, zijn partijen het eerder niet eens geworden dat de datum van de eventuele wijziging op 1 mei 2025 moet worden bepaald. Uit het door de vrouw overgelegde en door haar opgestelde e-mailbericht van 12 mei 2025 kan deze afspraak ook niet worden afgeleid. De man heeft bovendien steeds de kinderbijdrage betaald. De man heeft ter zitting toegelicht dat hij per ongeluk nog steeds het naar 2025 geïndexeerde bedrag heeft overgemaakt, maar dat hij dit zal rechtzetten.
De behoefte
4.7.
Tussen partijen is de hoogte van de behoefte van de kinderen niet in geschil. De gezamenlijke behoefte is in het ouderschapsplan bepaald op € 870,00 per maand. Na indexering bedraagt de behoefte van de kinderen in 2026 € 1.084,00.
De draagkracht
4.8.
Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens artikel 1:397 lid 2 BW Pro moeten de ouders namelijk naar rato van ieders draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
4.9.
Voor de berekening van de draagkracht van de ouders maakt de rechtbank gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man en de vrouw is daarbij het uitgangspunt. Verder rekent de rechtbank met een forfaitair bedrag aan vaste lasten, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Ook rekent zij in beginsel met een budget voor wonen van 30% van het NBI. Deze twee posten vormen samen het ‘draagkrachtloos inkomen’. Na aftrek van die posten van het NBI blijft dan de ‘draagkrachtruimte’ over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie.
Draagkracht man
4.10.
De man heeft ter onderbouwing van zijn draagkracht een jaaropgave 2025, de loonstrook van december 2025 en de loonstroken voor januari en februari 2026 overgelegd. Tussen partijen staat ter discussie of de man wegens zijn nekklachten niet langer in staat is om gedurende de avonden en nachten te werken en daarom niet langer ORT ontvangt. De man heeft, na aanvankelijk te hebben gesteld dat hij geen ORT meer ontvangt, tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het voor hem oneerlijk voelt dat hij de door hem ontvangen ORT aan de vrouw ‘moet betalen’. De man ervaart pijnklachten maar werkt desondanks toch door om voor zijn gezin te kunnen zorgen en hen een goed leven te kunnen bieden. De rechtbank ziet aanleiding om, gelet op de door de man overgelegde stukken en hetgeen de man tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, voor de draagkrachtberekening uit te gaan van de jaaropgave voor 2025 inclusief ORT. Uit de door de man overgelegde financiële stukken, ook uit de salarisstroken van 2026, blijkt dat de man immers nog steeds ORT ontvangt. De man heeft voorts verzocht om rekening te houden met een tijdelijke vermindering van zijn loon in verband met kortdurend zorgverlof dat hij zal opnemen na de operatie van zijn partner in mei 2026. De rechtbank ziet echter gelet op de kortdurende aard van een aantal weken van deze geringe vermindering van het salaris geen aanleiding om hiermee rekening te houden.
4.11.
De rechtbank gaat voor de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn loon volgens de jaaropgave 2025 inclusief ORT. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de man, rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting vervolgens op € 4.099,00 per maand. Het draagkrachtloos inkomen van de vader bedraagt dan € 2.595,00. Van het NBI van de vader blijft dan een bedrag van € 1.504,00 aan draagkrachtruimte over. Daarvan is volgens de aanbevelingen in het Rapport 70% beschikbaar voor een kinderbijdrage, dus
€ 1.053,00.
Draagkracht vrouw
4.12.
De man stelt dat van de vrouw mag worden verwacht dat zij, net als de man, haar gehele verdiencapaciteit dient te benutten omdat beide partijen de zorg voor de kinderen bij helfte verdelen. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw dient daarom van een hoger, fictief, inkomen te worden uitgegaan. De vrouw heeft gemotiveerd betwist dat zij meer uren kan werken. Anders dan de man draagt alleen zij de zorg voor beide kinderen in de weken dat zij bij haar verblijven. Bovendien heeft [minderjarige 1] extra veel zorg nodig. Wanneer zij meer uren zou werken, is er bovendien kinderopvang nodig na school hetgeen ook weer extra kosten met zich meebrengt. De vrouw heeft met haar werkgever afspraken gemaakt over de verdeling van haar uren zodat zij in de weken dat de kinderen bij haar verblijven binnen de schooltijden kan werken en in de andere weken de uren inhaalt. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding om rekening te houden met een hoger, fictief, inkomen van de vrouw. Zeker nu zij, wanneer ze gebruik zou moeten maken van kinderopvang na school, daarvoor extra kosten moet maken die van invloed kunnen zijn op de behoefte en de draagkracht. Daar komt bij dat de man, anders dan de vrouw, dubbele kinderbijslag ontvangt voor [minderjarige 1] vanwege zijn hogere zorgbehoefte. De vrouw vangt de hogere zorgbehoefte van [minderjarige 1] zelf op. Voor het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van een gemiddelde van de door de vrouw overgelegde salarisstroken van januari en februari 2026. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting, het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop bedraagt het NBI van de moeder € 2.397,00 per maand. Daarvan blijft een bedrag van € 313,00 aan draagkrachtruimte waarvan vervolgens 70% beschikbaar is voor een kinderbijdrage, dus € 219,00.
Draagkrachtvergelijking
4.13.
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben om alle kosten van de kinderen te betalen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
4.14.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt (1.053 + 219 =) € 1.272,00 en is daarmee hoger dan de behoefte van de kinderen (1.084). De man kan na draagkrachtvergelijking (€ 1.053,00/€ 1.272 x 1.084,00 =) afgerond € 897,00 per maand bijdragen en de moeder (€ 219,00/€ 1.272,00 x € 1.084,00 =) afgerond € 187,00 per maand.
Zorgkorting
4.15.
Tot slot krijgt de ouder die de kinderbijdrage moet betalen korting op die alimentatie, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat het kind bij hem/haar verblijft. Dit wordt ook wel de zorgkorting genoemd.
4.16.
Partijen zijn het erover eens dat de zorgkorting gelet op de co-ouderschapsregeling 35% bedraagt. De zorgkorting bedraagt aldus (35% x € 1.084,00 =) € 190,00 per kind bedraagt. De man heeft een draagkracht van € 1.053,00. Hij kan zijn zorgkorting voor [minderjarige 2] volledig verzilveren, zodat hij voor [minderjarige 2] met ingang van de datum van deze beschikking
€ 259,00 per maand voor [minderjarige 2] aan de vrouw dient te betalen.
4.17.
De man verzoekt de kinderbijdrage voor [minderjarige 1] op nihil te stellen, omdat ayden het hoofdverblijf bij de man heeft en hij alle kosten voor [minderjarige 1] betaalt. De rechtbank overweegt als volgt. Doorgaans wordt de kinderbijdrage betaald aan de ouder bij wie een kind zijn/haar hoofdverblijfplaats heeft. Daarbij is het uitgangspunt dat de ouder waar het kind in de Basisregistratie Personen (BRP) staat ingeschreven, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder (de zogenoemde niet-verzorgende ouder) de kosten die samenhangen met het verblijf bij hem/haar (de zogenoemde zorgkosten) voor zijn/haar rekening neemt. Onder omstandigheden kan de niet-verzorgende ouder in aanmerking komen voor een bijdrage in de zorgkosten door de verzorgende ouder. Zo’n situatie doet zich bijvoorbeeld voor als de niet-verzorgende ouder onvoldoende draagkracht heeft om de zorgkosten van het kind te voldoen. De vraag of en, zo ja, in hoeverre de niet-verzorgende ouder bij wie het kind meer dan incidenteel verblijft, maar niet zijn hoofdverblijf heeft, tegenover de verzorgende ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, aanspraak kan maken op een bijdrage in de kosten die zijn gemoeid met de verzorging en opvoeding van het kind gedurende dat meer dan incidentele verblijf, moet worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven van draagkracht en behoefte (artikel 1:397 leden Pro 1 en 2 BW en artikel 1:404 lid 1 BW Pro). Voor het opleggen van een verplichting aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf heeft, om bij te dragen in de zorgkosten van de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijf heeft, is niet vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden (zie ECLI:NL:HR:2022:1924).
Het aandeel van de vrouw voor [minderjarige 1] is € 93,00. Net als bij de man voor [minderjarige 2] , zou hiervan nog de zorgkorting van € 190,00 moeten worden toegepast. De vrouw kan deze niet verzilveren vanwege haar beperkte draagkracht en beperkte aandeel. De vrouw komt dan (93 – 190) € 97,- tekort om in de kosten van [minderjarige 1] te voorzien wanneer hij bij haar verblijft. De man heeft wel voldoende draagkracht om de kosten voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] volgens zijn aandeel te voldoen en hij houdt nog draagkracht over. Hij kan daarom in staat worden geacht om het tekort voor [minderjarige 1] te voldoen. Zo wordt ervoor gezorgd dat ook tijdens het verblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw, in zijn behoefte kan worden voorzien. Dit leidt er dus toe dat, anders dan door de man betoogt, dat hij ook voor [minderjarige 1] een kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen, door de rechtbank berekend op een bedrag van € 97,00.
De zelfstandige verzoeken van de man zullen daarom worden afgewezen.
4.18.
Bij de overwegingen en berekeningen in deze beschikking, heeft de rechtbank als uitgangspunten genomen dat de vrouw kindgebonden budget, alleenstaande ouderkop en kinderbijslag ontvangt voor [minderjarige 2] en dat de man dubbele kinderbijslag voor [minderjarige 1] ontvangt. Ook wordt ervan uitgegaan dat de vrouw alle verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 2] betaalt en dat de man alle verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 1] betaalt.
De berekeningen van de rechtbank zijn in deze beschikking opgenomen (drie bijlagen).
Proceskosten
4.20.
De rechtbank acht termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren, zodanig dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
wijzigt de beschikking van deze rechtbank [datum 1] 2021 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan waarbij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding werd opgelegd ten behoeve van de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2016;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018;
in die zin dat de man met ingang van de datum van deze beschikking aan de vrouw heeft te betalen een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van € 259,00 per maand voor [minderjarige 2] en van € 97,00 voor [minderjarige 1] , voor wat betreft de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.2
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat elk van hen de eigen kosten draagt;
5.3
verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Geerman, rechter, en ter openbare civiele terechtzitting van 1 juli 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Habets, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.