ECLI:NL:RBLIM:2026:6737

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352166 / KG ZA 26-170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 350 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot nakoming levering certificaten uit nalatenschap toegewezen ondanks lopend hoger beroep

In deze kort geding procedure vordert eiser, een legataris, nakoming van een eerder vonnis in de bodemprocedure waarbij certificaten van preferente aandelen aan hem zijn toebedeeld. De certificaten maken onderdeel uit van de nalatenschap van zijn moeder. Gedaagden, familieleden en mede-erfgenamen, weigeren onvoorwaardelijke medewerking aan levering vanwege een lopend hoger beroep en vorderen in voorwaardelijke reconventie aanvullende voorwaarden aan de levering.

De rechtbank stelt vast dat het vonnis van 26 maart 2025 uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dat hoger beroep de tenuitvoerlegging niet schorst. De belangenafweging volgens het Zeester-arrest leidt tot de conclusie dat het belang van eiser bij onmiddellijke levering zwaarder weegt dan het belang van gedaagden bij uitstel. Er is geen sprake van misbruik van recht.

De rechtbank wijst de primaire vordering toe tot nakoming van het vonnis door levering van de certificaten via een akte, maar wijst de vordering af die voorwaarden aan de levering wil koppelen. De subsidiaire vordering tot medewerking aan levering zonder voorwaarden wordt toegewezen onder dwangsom. De proceskosten worden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagden tot medewerking aan levering van certificaten aan eiser en wijst voorwaarden aan levering af.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/352166 / KG ZA 26-170
Vonnis in kort geding van 10 juli 2026
in de zaak van
[legataris],
wonende te [woonplaats 1] (België),
eiser in conventie,
gedaagde in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna te noemen: [legataris] ,
advocaat: mr. J.J.M.C. Huppertz te Maastricht,
tegen

1.[zus legataris 1] ,

wonende te [woonplaats 2] (België),
2.
[zus legataris 2],
wonende te [woonplaats 3] ,
3.
[zus legataris 3],
wonende te [woonplaats 4] ,
4.
[neef legataris],
wonende te [woonplaats 4] ,
5.
[nicht legataris],
wonende te [woonplaats 5] ,
gedaagden in conventie,
eisers in (voorwaardelijke) reconventie,
hierna samen te noemen: [de familie] ,
advocaat: mr. J. Daniëls te Sittard, gemeente Sittard-Geleen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 5,
- de conclusie van antwoord, houdende voorwaardelijke eis in reconventie met producties
1 tot en met 9,
- de zittingsaantekeningen van [legataris] ,
- de twee spreekaantekeningen van [de familie] ,
- de mondelinge behandeling van 2 juli 2026.
1.2.
Daarna is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[legataris] en gedaagden in conventie sub 1 tot en met 3 zijn broer en zussen van elkaar. Gedaagden in conventie sub 4 en 5 zijn de kinderen van hun overleden broer. Partijen zijn allen de kinderen respectievelijk de kleinkinderen van de heer [persoon 1] en mevrouw [persoon 2] . [persoon 1] is op [datum 1] 1995 overleden en [persoon 2] op [datum 2] 2019.
2.2.
[persoon 1] heeft in zijn testament de aandelen in [bedrijf 1] B.V. en in de vennootschap naar Belgisch recht [bedrijf 2] N.V. gelegateerd aan
[legataris] . Hij heeft het legaat geaccepteerd en de waarde daarvan schuldig erkend aan de overige erfgenamen.
2.3.
Na het overlijden van [persoon 1] heeft een herstructurering plaatsgevonden. In verband daarmee zijn [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] B.V. opgericht. De aandelen in [bedrijf 3] B.V. zijn vervolgens door [legataris] verkocht aan [legataris] B.V., waardoor [legataris] een vordering kreeg op [legataris] B.V. In 1997 zijn de aandelen [legataris] B.V. gecertificeerd, waartoe [bedrijf 5] van [legataris] B.V. (verder: ‘ [bedrijf 5] ’) is opgericht. De aandelen zijn ondergebracht in [bedrijf 5] en [legataris] verkreeg 7.000 preferente en 40 gewone certificaten. Ter vermindering van zijn (overbedelings)schuld uit hoofde van het legaat uit de nalatenschap van [persoon 1] heeft [legataris] 5.000 certificaten van preferente aandelen in de vennootschap [legataris] B.V. (verder: ‘de certificaten’) aan [persoon 2] toegekend. Deze certificaten maken onderdeel uit van de nalatenschap van [persoon 2] .
2.4.
In de gerechtelijke procedure van [de familie] tegen [legataris] inzake de verdeling van de nalatenschap van [persoon 2] heeft de rechtbank Limburg, sector civiel meerdere vonnissen gewezen.
2.5.
Bij tussenvonnis van 7 juni 2023 heeft de rechtbank onder meer als volgt geoordeeld:
“(…)
4.2.
Een belangrijke vraag die partijen verdeeld houdt, is of de certificaten – conform de vordering van [de familie] – dienen te worden verdeeld, dan wel of zij – conform het verweer in conventie en de vordering in reconventie – aan [legataris] dienen te worden toegedeeld en in dat laatste geval, welke waarde daarbij door [legataris] aan de overige erfgenamen dient te worden vergoed.
(…)
4.8. (…)
Op grond van de nalatenschap van vader is het legaat geaccepteerd door [legataris] , waarmee de onderneming, conform de wens van zijn vader, naar hem is gegaan. Het was, gelet op dat legaat, nimmer de bedoeling dat de andere kinderen een eigendomspositie binnen de onderneming zouden verkrijgen. [legataris] heeft na acceptatie van het legaat de onderneming daadwerkelijk voortgezet en doet zulks thans nog steeds, met alle bijbehorende lusten en lasten. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het ook redelijk dat alle certificaten in zijn handen komen.
4.9.
[de familie] hebben nog aangevoerd dat voor hen de continuïteit van de onderneming voorop staat en zij willen dat de werkgelegenheid behouden blijft. Zij trekken de integriteit van [legataris] in twijfel en zijn van mening dat [persoon 3] geen geschikte opvolgster van hem zou zijn. Dat is echter niet nader onderbouwd aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om eraan te twijfelen dat voor [legataris] (en voor [persoon 3] ) de continuïteit van de onderneming niet voorop zou staan en ook niet dat zij niet geschikt zouden zijn voor de uitoefening van hun taak. Het verleden heeft dat immers geenszins uitgewezen.
4.10.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering van [de familie] met betrekking tot de certificaten dient te worden afgewezen. De vordering in reconventie van [legataris] tot toedeling van de certificaten zal worden toegewezen.
(…)
4.12.
De waarde van de certificaten dient naar het oordeel van de rechtbank going concern te worden bepaald op het moment van overlijden van [persoon 2] . Nu partijen twisten over de waarde van de certificaten, zal ter bepaling van die waarde een taxatie door een registeraccountant worden bevolen.
(…)”
2.6.
Bij eindvonnis heeft de rechtbank in het vonnis van 26 maart 2025 onder meer als volgt geoordeeld:
“(…)
2.8.
De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat
de certificaten aan [legataris] moeten worden toebedeeld tegen betaling van de waarde van
4000 certificaten aan [de familie] De waarde van 4000 certificaten bedraagt € 191.010. Aan
de eisers l tot en met 3 in conventie komt dan ieder een bedrag van € 47.752, 50 toe en aan
eisers 4 en 5 in conventie komt ieder een bedrag van € 23.876,25 toe.
(…)

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie
3. 1. wijst de vordering van [de familie] tot verdeling van de 5.000 certificaten [bedrijf 5]
B.V. af,
in reconventie
3. 2. deelt de 5.000 certificaten van de [bedrijf 5] toe aan [legataris]
tegen de going concernwaarde van [bedrijf 4] op de datum overlijden van
[persoon 2] van € 238.763,-,
3. 3. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 3.2 genoemde beslissing uitvoerbaar bij
voorraad,
(…)”
2.7.
Naar aanleiding van het vonnis van 26 maart 2025 heeft [legataris] [de familie] bij brief van 11 juni 2025 verzocht om mee te werken aan de levering van de certificaten. In reactie daarop hebben [de familie] laten weten dat zij hoger beroep ingesteld hebben tegen het voornoemde vonnis en dat zij slechts zullen meewerken aan de levering van de certificaten onder bepaalde voorwaarden. [legataris] heeft [de familie] vervolgens bij brief van 15 juli 2025 gesommeerd om hun onvoorwaardelijke medewerking te verlenen. Dit is geweigerd door [de familie]
2.8.
Op 24 april 2026 heeft [legataris] het vonnis van 26 maart 2025 laten betekenen aan [de familie] en heeft hij hen gesommeerd om een concept tekst van een volmacht bij de notaris te ondertekenen ten behoeve van de akte van levering van de certificaten. [de familie] hebben niet aan deze sommatie aan voldaan.
2.9.
In hoger beroep hebben [de familie] inmiddels de memorie van grieven genomen en [legataris] heeft de memorie van antwoord ingediend. Partijen zijn in afwachting van de datum van een mondelinge behandeling in hoger beroep.

3.Het geschil in conventie

3.1.
[legataris] vordert dat de voorzieningenrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
1. het vonnis geheel in de plaats laat treden van een akte van vastgestelde verdeling en levering, welke akte is te kennen uit productie 2 bij de dagvaarding, waarbij de inhoud van dit vonnis gelijkluidend is aan productie 2, althans in de plaats laat treden van de voor die akte vereiste wilsverklaring, medewerking en handtekening van ieder der gedaagden, indien [de familie] niet binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis meewerken aan de levering van de certificaten aan [legataris] door middel van het tekenen van de notariële akte;
Subsidiair
2. [de familie] zal veroordelen - ieder voor zich - om volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de uitvoering van de vastgestelde verdeling en dus levering van de certificaten aan [legataris] door middel van ondertekening van de notariële akte zoals te kennen uit productie 2 van de dagvaarding op straffe van een dwangsom van € 5.000,- (zegge: vijfduizend euro) per persoon en per dag dat ieder van hen na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 200.000,- (zegge: tweehonderdduizend euro) per persoon;
In alle gevallen
3. [de familie] hoofdelijk zal veroordelen in de kosten van deze procedure; alsmede ieder van gedaagden voor zich wat betreft de betekeningen van het vonnis zal veroordelen in de kosten van de betekening van het vonnis ad € 165,- voor gedaagde sub l en € 166,50 voor ieder van de gedaagden sub 2 tot en met 5.
3.2.
[de familie] voeren verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.Het geschil in voorwaardelijke reconventie

4.1.
[de familie] vorderen dat, voor het geval dat de vordering van [legataris] in conventie wordt toegewezen, de voorzieningenrechter in kort geding bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
zal bepalen dat voor de duur van de hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof te
's-Hertogenbosch in de bodemzaak het [legataris] verboden is de certificaten van de [bedrijf 5] te decertificeren, goederen te verkopen met name bedrijfspanden, onroerend goed en landbouwgronden alsook [legataris] zal verplichten de certificaten van de [bedrijf 5] retour te leveren mocht het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch [de familie] in het gelijk stellen en tot pondspondsgewijze verdeling overgaan, op straffe van verbeurte van een dwangsom groot € 1.000.000,- voor iedere overtreding van deze verboden.
4.2.
[legataris] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

in conventie en in voorwaardelijke reconventie
Inleiding
5.1.
De vorderingen in conventie en in voorwaardelijk reconventie hangen met elkaar samen en zullen daarom gezamenlijk besproken worden.
5.2.
Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing is nodig dat partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vorderingen aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorzieningen worden verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
De kern van het geschil
5.3.
Onderwerp van dit kort geding is een geschil tussen partijen over de levering van de certificaten. Vast staat dat bij vonnis van 26 maart 2025 voornoemde certificaten aan
[legataris] zijn toebedeeld, dat dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard [1] en dat er niet is voldaan aan de sommatie van [legataris] tot onvoorwaardelijke levering van de certificaten. [2] [legataris] vordert alsnog levering van de certificaten op grond van het vonnis van 26 maart 2025.
Het spoedeisend belang in conventie
5.4.
[legataris] stelt dat het spoedeisend belang voortvloeit uit de aard van zijn vordering. [de familie] betwisten dit.
5.5.
Vooropgesteld wordt dat in de door partijen gevoerde bodemprocedure op
26 maart 2025 vonnis is gewezen waarbij de rechtbank de verdeling van de nalatenschap van [persoon 2] heeft vastgesteld. De verdeling van een nalatenschap is onder het huidige recht een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen die tot levering verplicht. [3] Uit voornoemd vonnis vloeit dus voor [de familie] een leveringsverplichting van de certificaten voort. [legataris] heeft belang bij spoedige nakoming van die leveringsverplichting.
Is er sprake van misbruik van recht?
5.6.
[de familie] voeren verweer tegen de onvoorwaardelijke levering van de certificaten aan [legataris] . Zij menen dat geen uitvoering gegeven mag worden aan het vonnis van
26 maart 2025, ondanks dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, vanwege het lopende hoger beroep. [de familie] zijn het niet eens met de wijze van verdeling in eerste aanleg en zij hopen dat in hoger beroep een pondspondsgewijze verdeling van de certificaten wordt toegewezen. De vrees van [de familie] is dat indien [legataris] nu de certificaten verkrijgt hij deze zou kunnen decertificeren en dit zou leiden tot een onomkeerbare situatie. [legataris] heeft geen belang bij onmiddellijke levering. Als het vonnis ten uitvoer wordt gelegd, is er volgens [de familie] sprake van misbruik van recht.
5.7.
De voorzieningenrechter overweegt dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis ten uitvoer kan worden gelegd zolang de tenuitvoerlegging niet is geschorst dan wel verboden. Hoger beroep schorst de tenuitvoerlegging niet. [4] [de familie] hebben in reconventie niet gevorderd de executie van het vonnis te schorsen. Gelet op de inhoud van het verweer van [de familie] zal de voorzieningenrechter dit verweer beoordelen met in achtneming van de maatstaf die geldt blijkens het arrest ‘Hotel-Restaurant De Zeester’ van de Hoge Raad van 20 december 2019 (verder: ‘het Zeester-arrest’). [5] Het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden. Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de rechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag. Indien de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen uitspraak is gemotiveerd moet de eiser, afgezien van het geval dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, aan zijn vordering feiten en omstandigheden ten grondslag leggen die bij het nemen van deze beslissing niet in aanmerking konden worden genomen, doordat zij zich eerst na de betrokken uitspraak hebben voorgedaan én die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.
5.8.
De voorzieningenrechter stelt vast dat in het vonnis van 26 maart 2025 de beslissing om het vonnis uitvoer bij voorraad te verklaren niet is gemotiveerd. In dat geval dient alsnog een belangenafweging gemaakt te worden tussen enerzijds het belang bij behoud van de bestaande toestand en anderzijds het belang bij onmiddellijke tenuitvoerlegging, waarbij onmiddellijke tenuitvoerlegging blijkens voornoemd arrest van de Hoge Raad het uitgangspunt is. Overwogen wordt dat de rechtbank in tussenvonnis van 7 juni 2023 duidelijk heeft gemotiveerd waarom de certificaten zijn toebedeeld aan [legataris] . [6] De rechtbank heeft aan die toedeling geen voorwaarden of zekerheidsstelling gekoppeld. De argumenten die in dit kort geding door [de familie] zijn aangedragen, zijn al meegewogen bij de beoordeling in de bodemprocedure. Gelet op de weloverwogen beslissing van de rechtbank over de toedeling van de certificaten en het feit dat [legataris] belang heeft bij executie van het vonnis, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de levering van de certificaten uit te stellen of te beperken. Van misbruik van recht is geen sprake.
Levering
5.9.
De volgende vraag die voorligt, is hoe de levering van de certificaten gerealiseerd moet worden: via een vonnis dat (deels) in de plaats treedt van een akte (primaire vordering) of via een dwangsomveroordeling (subsidiaire vordering). [legataris] heeft zowel de primaire als de subsidiaire vordering gebaseerd op de inhoud van de concept akte die als productie 2 gehecht is aan de dagvaarding. [de familie] maken bezwaar tegen deze concept akte en de volmacht, waarnaar verwezen wordt in die akte. De tekst van de volmacht (van iedere afzonderlijke gedaagde aan personen werkzaam bij de notaris om de akte te tekenen) blijkt uit producties 4a tot en met 4e van de dagvaarding.
5.10.
Wat betreft de concept akte voeren [de familie] allereerst aan dat levering van de certificaten via een notariële akte niet nodig is.
5.11.
De voorzieningenrechter overweegt dat een certificaat van aandeel overeenkomstig het bepaalde in artikel 3:94 BW Pro geleverd moet worden bij onderhandse akte. Ook artikel 5 van Pro de administratievoorwaarden van [bedrijf 5] schrijft voor dat een akte van levering moet worden opgemaakt. [7] Een akte is voor de levering van de certificaten dus verplicht, maar dit hoeft geen notariële akte te zijn. Dat [legataris] er voor kiest om op zijn kosten de onderhandse akte door een notaris te laten opstellen, is als zodanig geen reden om niet aan de levering van de certificaten mee te willen werken.
5.12.
[de familie] maken verder, vanwege het lopende hoger beroep, bezwaar tegen een aantal tekstblokken in de concept akte en in de tekst van de volmacht:
- ‘ ‘
V. Bepaling’ onder 2:
Vanaf [datum 2] 2019 komen de comparant [legataris] de baten ten goede, zijn de lasten voor zijn rekening en draagt hij het risico van het toebedeelde. [8] ;
- ‘ ‘
VI. Slotbepalingen’ onder a:
Partijen verlenen elkaar terzake van deze levering finale kwijting. [9]
Omdat [de familie] van mening zijn dat de certificaten meer waard zijn dan het bedrag dat [legataris] moet betalen op grond van het vonnis van de rechtbank van 26 maart 2025, begrijpt de voorzieningenrechter dat zij ook bezwaar hebben tegen het volgende tekstblok:
- de laatste zin van het kopje ‘
IV. Overbedelingsuitkering’:
Namens de in de comparitie sub 1 genoemde volmachtgevers wordt reeds nu voor alsdan kwijting verleend voor de betaling van de overbedelingsuitkering.
5.13.
Het gevolg van het vonnis van 26 maart 2025 is de [de familie] gehouden zijn om mee te werken aan de levering van de aandelen vanwege de toedeling van de certificaten door de rechtbank aan [legataris] tegen de door de rechtbank vastgestelde waarde. De in rov. 5.12 geciteerde bepalingen strekken verder dan de ‘kale’ leveringsverplichting van [de familie] en de daarmee samenhangende betalingsverplichting van [legataris] , en vloeien niet rechtstreeks voort uit het vonnis van 26 maart 2025.
5.14.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staan niet alleen deze drie tekstblokken in de weg aan toewijzing van de primaire vordering, maar ook andere tekstblokken in de concept akte. Een vonnis kan een akte tot levering vervangen, maar niet uitlatingen als genoemd in
V. Bepalingenonder 1:
De deelgenoten staan ervoor in dat zij bevoegd zijn de levering tot stand te brengen en dat de certificaten vrij zijn van beslagen.en in
VI. Slotbepalingenonder b:
Partijen kiezen ter uitvoering dezer, ook voor fiscale gevolgen, woonplaats ten kantore van de bewaarder van deze akte. Verder wordt in productie 2 op diverse plekken verwezen naar de tekst van de volmacht. Een vonnis kan niet in de plaats komen van die volmacht, waarvoor overigens geldt dat in die volmacht de tekst van de akte integraal is opgenomen, waaraan voornoemde bezwaren kleven.
5.15.
De door [de familie] geformuleerde subsidiaire vordering is evenmin toewijsbaar, omdat die formulering eveneens verwijst naar productie 2 van de dagvaarding. De ‘mindere variant’ van de subsidiaire vordering, namelijk een veroordeling tot medewerking enkel aan de levering van de certificaten (in welk kader [legataris] dan gelijktijdig de overbedelingsuitkeringen zal moeten voldoen) is wel toewijsbaar. Deze veroordeling zal worden uitgesproken op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per persoon per dag met een maximum van € 40.000,00 per persoon.
De voorwaardelijke reconventionele vordering
5.16.
In voorwaardelijke reconventie hebben [de familie] gevorderd dat bij toewijzing van de conventionele vordering van [legataris] , bepaalde voorwaarden worden verbonden aan de overdracht van de certificaten voor de duur van de hoger beroepsprocedure. Nu uit de beoordeling in conventie volgt dat een veroordeling tot medewerking aan de levering van de certificaten zal worden toegewezen, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de voorwaardelijke eis in reconventie
5.17.
Omdat de reconventie voortvloeit uit de conventie is het spoedeisend belang van de vordering in reconventie eveneens gegeven.
5.18.
Omdat de certificaten onvoorwaardelijk aan [legataris] zijn toebedeeld, ziet de voorzieningenrechter geen grond om aanvullende voorwaarden aan deze levering te verbinden. De door [de familie] aangedragen argumenten leiden, gelet op de oordelen in conventie, niet tot een ander oordeel. De vordering in reconventie zal dan ook worden afgewezen.
Proceskosten
5.19.
Gelet op de familierelatie zullen de proceskosten in conventie en in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
6.1.
veroordeelt [de familie] , ieder voor zich, om binnen vier weken na betekening van het vonnis medewerking te verlenen enkel aan de levering van de certificaten aan
[legataris] via een daartoe bestemde akte, ter uitvoering van de verdeling zoals vastgesteld door de rechtbank in het vonnis van 26 maart 2025 in de zaak tussen partijen met zaaknummer C/03/294542 / HA ZA 21-377, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per persoon per dag met een maximum van € 40.000,00 per persoon;
6.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in (voorwaardelijke) reconventie
6.5.
wijst het gevorderde af;
6.6.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026.

Voetnoten

1.Zie rov. 2.6.
2.Zie rov. 2.7.
3.Vgl. Hoge Raad 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, rov. 3.4.2.
4.Artikel 350 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering.
5.Vgl. Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026.
6.Zie rov. 2.5.
7.Zie productie 8 van [de familie]
8.Zie pagina 4 van productie 2 van [legataris] .
9.Zie pagina 4 van productie 2 van [legataris] .