ECLI:NL:RBLIM:2026:677

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
ROE 23/2121
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 6:22 AwbArt. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ingangsdatum Wajong-uitkering bij herhaalde aanvraag en redelijke termijn

Eiser heeft meerdere keren een Wajong-uitkering aangevraagd, waarvan de eerste aanvraag in 2009 werd afgewezen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na diverse procedures en een vernietiging van een eerder besluit door de rechtbank, heeft het UWV uiteindelijk een Wajong-uitkering toegekend met ingang van 29 maart 2020, één jaar voor de laatste aanvraag.

Eiser betwist deze ingangsdatum en stelt dat de uitkering terugwerkende kracht moet krijgen tot zijn 18e verjaardag in 2009, mede op grond van een nieuwe diagnose en financiële omstandigheden. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of evidente onredelijkheid die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.

Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar en beroep is overschreden, waardoor de rechtbank het UWV en de Staat veroordeelt tot een schadevergoeding. Ook worden proceskosten toegekend aan eiser wegens meerdere hoorzittingen en de overschrijding van de redelijke termijn.

Het beroep tegen het oorspronkelijke besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het gewijzigde besluit wordt ongegrond verklaard. De ingangsdatum van de Wajong-uitkering blijft derhalve 29 maart 2020.

Uitkomst: De ingangsdatum van de Wajong-uitkering blijft 29 maart 2020; het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 23/2121

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.H.A. Brauer),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (locatie Heerlen), het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of het Uwv de ingangsdatum van de Wajong-uitkering van eiser terecht heeft vastgesteld op 29 maart 2020.
2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het Uwv heeft de aanvraag van eiser om terug te komen van een eerder afwijzend besluit namelijk terecht ingewilligd met ingang van 29 maart 2020, één jaar voor de aanvraag. Voor de toekenning van de Wajong-uitkering met (verder) terugwerkende kracht heeft het Uwv terecht geen aanleiding gezien.

Procesverloop

3. Het Uwv heeft met het besluit van 5 mei 2021 de herhaalde aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering [1] afgewezen.
4. Het Uwv heeft met het besluit op bezwaar van 15 oktober 2021 het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 mei 2021 ongegrond verklaard en dit laatste besluit gehandhaafd.
5. De rechtbank heeft met de uitspraak van 4 april 2023 (in de zaak: ROE 21/2931) het beroep van eiser tegen het besluit op bezwaar van 15 oktober 2021 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
6. Het Uwv heeft met het bestreden besluit van 25 augustus 2023 het bezwaar van eiser tegen het besluit van 5 mei 2021 gegrond verklaard. Het Uwv heeft alsnog een Wajong-uitkering toegekend aan eiser met ingang van 29 maart 2021.
7. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
8. Het Uwv heeft met het besluit van 24 oktober 2023 het bestreden besluit gewijzigd in die zin dat de ingangsdatum van de Wajong-uitkering 29 maart 2020 is.
9. Eiser heeft de rechtbank laten weten dat hij het ook niet eens is met het gewijzigde besluit op bezwaar. Het beroep van eiser heeft op basis van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op het besluit tot wijziging van het bestreden besluit.
10. Het Uwv heeft met een verweerschrift gereageerd op het beroep van eiser.
11. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Dit beroep is samen behandeld met de verzoeken van eiser in de zaken ROE 24/4635 en
ROE 25/237. De rechtbank heeft in elke zaak afzonderlijk uitspraak gedaan. Eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het Uwv hebben deelgenomen aan deze zitting.

Beoordeling door de rechtbank

12. In geschil is uitsluitend nog de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de uitkering niet eerder ingaat dan één jaar voor de datum van de onderhavige aanvraag.
Voor de beoordeling door de rechtbank is van belang dat eiser is geboren op [geboortedatum] 1991. Het gaat namelijk niet om de beperkingen die eiser op dit moment heeft, maar om de beperkingen die eiser op zijn zeventiende tot zijn drieëntwintigste had.
13. Voor de beoordeling door de rechtbank is bovendien van belang dat eiser op 15 mei 2009 voor het eerst een Wajong-uitkering heeft aangevraagd. Het Uwv heeft de aanvraag met het besluit van 9 oktober 2009 afgewezen, omdat eiser voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft vervolgens twee keer een nieuwe aanvraag voor een Wajong-uitkering gedaan, in februari 2013 en in augustus 2014. Ook die aanvragen heeft het Uwv afgewezen.
13.1.
Op 29 maart 2021 heeft eiser voor de vierde keer een Wajong-uitkering aangevraagd. Dat is de aanvraag waarover deze procedure bij de rechtbank gaat. Het Uwv wees met het besluit van 5 mei 2021 ook deze aanvraag af. Volgens het Uwv had eiser namelijk arbeidsvermogen. Het Uwv verklaarde eisers bezwaar ongegrond. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank. De rechtbank heeft in de uitspraak van 4 april 2023 (ROE 21/2931) geoordeeld dat het medisch onderzoek de zorgvuldigheidstoets niet doorstaat, omdat er geen fysiek spreekuur heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft het besluit van 15 oktober 2021 om die reden vernietigd en het Uwv opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen (nadat er een fysiek spreekuur heeft plaatsgevonden). Na onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts, waarbij eiser door deze is gezien, en de bezwaararbeidsdeskundige, heeft het Uwv op 25 augustus 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het Uwv heeft daarbij het bezwaar van eiser tegen het besluit van 15 oktober 2021 alsnog gegrond verklaard en een Wajong-uitkering toegekend aan eiser met ingang van 29 maart 2021. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de ingangsdatum van de Wajong-uitkering. Naar aanleiding van het beroep van eiser heeft het Uwv met het besluit van 24 oktober 2023 het bestreden besluit van 25 augustus 2023 gewijzigd in die zin dat de ingangsdatum van de Wajong-uitkering 29 maart 2020 is.
Wat stelt eiser?
14. Eiser is het (ook) niet eens met het gewijzigde besluit op bezwaar van 24 oktober 2023. Hij stelt dat de ingangsdatum van de Wajong-uitkering [geboortedatum] 2009 moet zijn. Op deze datum is hij 18 jaar geworden. Sindsdien voldoet hij aan de voorwaarden voor een Wajong-uitkering. Volgens eiser heeft het Uwv zijn recht op een Wajong-uitkering opnieuw inhoudelijk beoordeeld. Subsidiair stelt eiser dat hij een nieuw gebleken feit heeft aangevoerd. Het gaat om een diagnose die zijn beperkingen beter duidt. Deze diagnose hangt samen met zwaardere beperkingen dan het Uwv eerder heeft aangenomen. In dat geval moet de ingangsdatum worden bepaald op 9 oktober 2009. Bovendien heeft eiser al meerdere keren tevergeefs gevraagd om de eerste afwijzing van de Wajong-uitkering te herzien. Hij heeft jarenlang geld moeten lenen van zijn ouders. Hij heeft ter onderbouwing daarvan een schriftje overgelegd. Daarin staan de leningen. Dit schriftje hebben zijn ouders steeds ingevuld. Daarnaast voert eiser aan dat de proceskostenvergoeding in bezwaar te laag is. Er hebben namelijk twee hoorzittingen plaatsgevonden in plaats van één hoorzitting. Ten slotte verzoekt eiser om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
De herhaalde aanvraag
15. Het Uwv heeft onder andere beoordeeld of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 9 oktober 2009 (artikel 4:6 van Pro de Awb). Het gaat daarbij om de vraag of de diagnose microcefalie een novum of dergelijke omstandigheid vormt.
16. De rechtbank moet aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of het Uwv zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het gewijzigde besluit op bezwaar die toets doorstaat, moet de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of het gewijzigde besluit op bezwaar evident onredelijk is. [2]
17. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet –
meer– in geschil is dat er géén sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Eiser heeft dit in aanvankelijk wel aangevoerd, maar de gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting desgevraagd toegelicht dat dit niet meer in geschil is. Partijen zijn het er dus over eens dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank kan zich vinden in dit standpunt. Zij begrijpt de overwegingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapportage van 25 mei 2023 aldus dat deze, alles overziende, nu anders tegen de problematiek en beoordeling uit 2009 aankijkt. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarom kennelijk aanleiding gezien de FML uit 2009 aan te passen en daarin verdergaande beperkingen in op te nemen.
Nu er geen sprake is van het terugkomen van een eerder besluit voor het verleden en het alleen om een terugkomen voor de toekomt gaat, hoefde het Uwv de Wajong-uitkering niet vanaf een eerder moment dan de datum van de aanvraag tot uitbetaling te laten komen. Dat het Uwv aanleiding heeft gezien bij gewijzigd bestreden besluit de uitkering één jaar voor datum van de aanvraag te laten ingaan, is daarbij niet van belang. Eiser is daarmee niet te kort gedaan. Dat is alleen anders als er sprake is van evidente onredelijkheid.
18. De rechtbank begrijpt dat eiser zijn standpunt dat het gewijzigde besluit op bezwaar evident onredelijk is, wel handhaaft. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van evidente onredelijkheid gaat het erom of het niet terugkomen van het oorspronkelijke besluit evident onredelijk is. Dit kan het geval zijn als dat besluit ten tijde van het nemen ervan onmiskenbaar onjuist was. In dit geval moet dus worden beoordeeld of de afwijzing van de eerste Wajong-aanvraag van eiser van 15 mei 2009 onmiskenbaar onjuist was. [3] Voor de vraag of het gewijzigd bestreden besluit evident onredelijk is, is ook van belang of er buitengewone omstandigheden bestaan waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan. [4]
18.1.
Eisers betoog dat er sprake zou zijn van een geheel nieuwe inhoudelijke beoordeling – waardoor met volledige terugwerkende kracht moet worden teruggekomen van het besluit van 9 oktober 2009, begrijpt de rechtbank aldus, dat eiser meent dat het oorspronkelijke besluit waarvan wordt gevraagd terug te komen, niet juist was. Dit betoog slaagt niet. Enkel wanneer dat besluit ten tijde van het nemen ervan onmiskenbaar onjuist was, kan dit meebrengen dat er sprake is van evidente onredelijkheid. Daarvan is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep thans tot een gewijzigd inzicht is gekomen over de belastbaarheid van eiser in 2009, is daartoe onvoldoende.
18.2.
De rechtbank is van oordeel dat ook niet is gebleken van buitengewone omstandigheden, waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan. De omstandigheid dat eiser vier keer eerder een Wajong-uitkering heeft aangevraagd, is daarvoor onvoldoende. Het door eiser overgelegde schuldenoverzicht, is voor de rechtbank evenmin reden om aan te nemen dat het gewijzigde besluit op bezwaar evident onredelijk is, reeds omdat niet concreet is gemaakt dat en waarom eiser een dergelijke financiële steun nodig zou hebben gehad en ook de onderbouwing van de opgevoerde posten ontbreekt.
De proceskosten in bezwaar
19. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift toegelicht dat het eiser kan volgen in zijn opmerking dat er te weinig proceskosten zijn toegekend, omdat er in feite twee hoorzittingen hebben plaatsgevonden. Het Uwv heeft toegezegd zich daarom niet te verzetten tegen een proceskostenveroordeling, waarbij dit bedrag (€ 597,-) voor de gemaakte kosten in bezwaar wordt meegenomen. De rechtbank zal het Uwv om die reden veroordelen in de (nog resterende) proceskosten in bezwaar.
19.1.
De rechtbank zal dit gebrek passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb.
De overschrijding van de redelijke termijn
20. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van belang: de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het Uwv en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser tijdens de hele procesgang, en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.
20.1.
Daarbij geldt dat in procedures als deze de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar mag duren en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar. Doorgaans zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, als de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk niet langer dan twee jaar hebben geduurd. In principe is een vergoeding van schade gepast van € 500,- per half jaar, waarmee de redelijke termijn is overschreden. Het totaal van de overschrijding wordt afgerond naar boven. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift is ontvangen en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
20.2.
De rechtbank stelt vast dat het Uwv het bezwaarschrift van eiser heeft ontvangen op 18 mei 2021 en de rechtbank doet in januari 2026 uitspraak. Dit is een periode van 56 maanden. De redelijke termijn is dus overschreden met 32 maanden. In totaal moet dus een bedrag van € 3.000,- worden vergoed. In de eerste rechterlijke fase is er geen overschrijding van de redelijke termijn geweest en in de tweede rechterlijke fase is er een overschrijding van 11 maanden geweest. Omdat het eerste beroep gegrond was, komt de gehele overschrijding van de redelijke termijn minus de overschrijding die heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase voor rekening van het Uwv. Rekening houdende daarmee zal de Staat der Nederlanden worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 589,29 (11/56 x € 3.000,-). Het Uwv zal worden veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.410,71 (45/56 x € 3.000,-).

Conclusie en gevolgen

21. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is gewijzigd door het 6:19-besluit. Het 6:19-besluit (het gewijzigde bestreden besluit) komt in de plaats van het bestreden besluit. De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog belang heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Het beroep tegen het bestreden besluit zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
22. Het beroep is tegen het gewijzigde bestreden besluit is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de ingangsdatum van de Wajong-uitkering 29 maart 2020 blijft.
23. Rekening houdende met wat de rechtbank in rechtsoverweging 20 heeft overwogen, zal de rechtbank het Uwv veroordelen in de (resterende) proceskosten van eiser in bezwaar. Het gaat om een bedrag van € 597,-.
24. In verband met de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, zal de rechtbank het Uwv ook veroordelen in de proceskosten van eiser met betrekking tot het beroep tegen het gewijzigde besluit op bezwaar. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van 934,- en een wegingsfactor 1).
25. Eiser heeft maar één keer reiskosten gemaakt, omdat dit beroep gelijktijdig is behandeld met onder andere het beroep van eiser met het zaaknummer ROE 24/4635. In die uitspraak heeft de rechtbank al een vergoeding van de reiskosten toegekend. Daarom zal de rechtbank in deze uitspraak geen afzonderlijke reiskostenvergoeding toekennen.
26. Gelet op de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb, moet het Uwv ook het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
27. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank het Uwv en de Staat der Nederlanden ieder voor de helft veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 467,- (1 punt voor het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het 6:19-besluit (het gewijzigde bestreden besluit) ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de (resterende) proceskosten van eiser in bezwaar tot een bedrag van € 597,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser met betrekking tot het beroep tegen het 6:19-besluit (het gewijzigde besluit op bezwaar) tot een bedrag van € 1.868,-;
- bepaalt dat het Uwv het griffierecht van 50,- aan eiser vergoedt;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van € 589,29 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het Uwv tot het betalen van € 2.410,71 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat der Nederland (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 233,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.T. Coenegracht, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M.J. Caris, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2026
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 23 januari 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een uitkering op basis van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
2.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:5115).
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 24 oktober 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:2019).
4.Zie de uitspraak van de CRvB van 26 juni 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2076).