Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
- [medeverdachte 1] , met parketnummer 03/322392-23 (hierna: [medeverdachte 1] );
- [medeverdachte 2] , met parketnummer 03/322372-23 (hierna: [medeverdachte 2] );
- [medeverdachte 3] , met parketnummer 03/314758-23 (hierna: [medeverdachte 3] ).
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
€ 250,- per blok. Soms verkocht hij gebruikershoeveelheden aan eindklanten. In augustus 2023 heeft hij twee weken ‘de’ dealtelefoon uit het onderzoek Yvoir beheerd. Daarna heeft hij ook met zijn eigen telefoon koeriers aangestuurd. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring goed past in de onderzoeksresultaten. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat de inkoop plaatsvond ten behoeve van de organisatie waarvan de verdachte en zijn medeverdachten volgens het onderzoek Yvoir deel uitmaakten. Voor de bewezenverklaring als zodanig is dat niet van belang, maar de rechtbank baseert haar bewezenverklaring uitdrukkelijk op het scenario dat de verdachte zelf schetst. Op basis daarvan is het medeplegen slechts bewezen voor de laatste vier maanden van de tenlastegelegde periode. De rechtbank zal dit oordeel niet tot uitdrukking brengen door de bewezenverklaring te splitsen in twee periodes, maar wel meewegen bij de straftoemeting.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De wettelijke voorschriften
8.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.