ECLI:NL:RBLIM:2026:6770

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
03/314770-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen cocaïnehandel in Venray tot 4 jaar gevangenisstraf

De rechtbank Limburg heeft op 10 juli 2026 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen van cocaïnehandel in de periode van 1 mei 2021 tot en met 28 november 2023 in Venray en omgeving.

Uit het onderzoek Yvoir en diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen van de verdachte zelf, processen-verbaal van pseudokoop, indicatieve testen, NFiDENT-rapporten en onderzoek aan de telefoon van verdachte, blijkt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van cocaïne. De rechtbank achtte medeplegen bewezen voor de laatste vier maanden van de periode, waarbij verdachte ook een faciliterende rol had door het beheren van een dealtelefoon en het aansturen van koeriers.

De rechtbank weegt mee dat verdachte verantwoordelijkheid heeft genomen en een goede proceshouding heeft getoond, wat zich onderscheidt van medeverdachten. Gezien de ernst van het feit, de duur van de handel en de maatschappelijke impact, legt de rechtbank een gevangenisstraf op van 4 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met aftrek van het voorarrest. De redelijke termijn is overschreden met 7,5 maand, wat licht strafverminderend is meegewogen.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd en baseert haar beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, voor medeplegen van cocaïnehandel.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03/314770-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1995,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. J.H.L. Antonides, advocaat kantoorhoudende te Roermond.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig (maar niet gevoegd) behandeld met de strafzaken tegen de volgende medeverdachten:
  • [medeverdachte 1] , met parketnummer 03/322392-23 (hierna: [medeverdachte 1] );
  • [medeverdachte 2] , met parketnummer 03/322372-23 (hierna: [medeverdachte 2] );
  • [medeverdachte 3] , met parketnummer 03/314758-23 (hierna: [medeverdachte 3] ).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte in de periode van 1 mei 2021 tot en met 28 november 2023 samen met anderen opzettelijk cocaïne heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich voor wat betreft de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat er enkel sprake is van medeplegen voor de periode van één of twee weken dat hij de dealtelefoon in zijn beheer had en dat hij gedurende bepaalde periodes geen strafbare handelingen heeft verricht.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
In 2022 en 2023 ontvangt het Team Criminele Inlichtingen van de Eenheid Limburg diverse meldingen over een drugsorganisatie in Venray die zich bezighoudt met de verkoop van hard- en softdrugs. In de meldingen worden meerdere namen van vermoedelijke leden van de organisatie genoemd en er wordt gesproken van een dealtelefoon met telefoonnummer [telefoonnummer] waar men drugs kan bestellen die vervolgens door koeriers wordt bezorgd. Naar aanleiding van deze informatie wordt een onderzoek ingesteld en op basis van de onderzoeksresultaten worden onder meer [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als verdachten aangemerkt voor de handel in cocaïne in en rondom Venray.
De rechtbank zal hieronder de bewijsmiddelen weergeven op grond waarvan zij het feit bewezen acht en zal daarna ingaan op de verweren van de verdediging.
3.3.2
Bewijsmiddelen [1]
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, omdat de verdachte dit feit heeft bekend en namens hem geen vrijspraak is bepleit (artikel 359, derde lid, Wetboek van Strafvordering).
- de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026; [2]
- de processen-verbaal van pseudokoop; [3]
- de processen-verbaal van de indicatieve testen; [4]
- het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen; [5]
- de NFiDENT-rapporten; [6]
- de processen-verbaal van bevindingen van onderzoek aan de iPhone 12 Pro Max in gebruik bij de verdachte. [7]
Bewijsoverweging
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij gedurende de gehele tenlastegelegde periode cocaïne heeft gedeald, ‘met pieken en dalen’. Dit ging over grote en kleine hoeveelheden. Soms deed hij de inkoop en verkoop van kiloblokken voor een commissie van
€ 250,- per blok. Soms verkocht hij gebruikershoeveelheden aan eindklanten. In augustus 2023 heeft hij twee weken ‘de’ dealtelefoon uit het onderzoek Yvoir beheerd. Daarna heeft hij ook met zijn eigen telefoon koeriers aangestuurd. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring goed past in de onderzoeksresultaten. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier onvoldoende kan worden afgeleid dat de inkoop plaatsvond ten behoeve van de organisatie waarvan de verdachte en zijn medeverdachten volgens het onderzoek Yvoir deel uitmaakten. Voor de bewezenverklaring als zodanig is dat niet van belang, maar de rechtbank baseert haar bewezenverklaring uitdrukkelijk op het scenario dat de verdachte zelf schetst. Op basis daarvan is het medeplegen slechts bewezen voor de laatste vier maanden van de tenlastegelegde periode. De rechtbank zal dit oordeel niet tot uitdrukking brengen door de bewezenverklaring te splitsen in twee periodes, maar wel meewegen bij de straftoemeting.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
in de periode van 1 mei 2021 tot en met 28 november 2023 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de proceshouding van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Zij heeft verzocht om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 137 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de 228 dagen voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd zich te kunnen voorstellen dat de rechtbank een langer voorwaardelijk strafdeel of een langere proeftijd passend acht, dan wel een gevangenisstraf met een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest in combinatie met een onvoorwaardelijke straf in de vorm van een taakstraf van 240 uren.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim tweeëneenhalf jaar schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. De verdachte beheerde twee weken een dealtelefoon van een professioneel opererende organisatie die via een gezamenlijk dealnummer cocaïne verkocht in de gemeente Venray en omliggende dorpen. Ook stuurde hij daarna gedurende enkele maanden via zijn eigen telefoon koeriers aan door hen de locaties van de afnemers, tijdstippen en instructies door te geven. Daarnaast hield hij zich soms bezig met de inkoop van kilo’s cocaïne. Hij fungeerde daarbij naar eigen zeggen als tussenpersoon, ontving daarvoor commissie en had de blokken cocaïne bovendien een enkele keer zelf in handen. De verdachte heeft daarmee ook een faciliterende rol gehad en zo de handel in cocaïne mede mogelijk gemaakt. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte structureel onderdeel was van de organisatie die het onderzoek Yvoir op het oog had, maar de verdachte heeft wel heel lang op allerlei manieren bijverdiend aan cocaïnehandel.
De handel in cocaïne vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en gaat bovendien vaak gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit en maatschappelijke overlast. Het op de markt brengen van harddrugs vormt daarnaast een ernstige bedreiging van de volksgezondheid. Door zich op deze manier gedurende lange tijd met de handel daarin bezig te houden heeft de verdachte de instandhouding van het drugscircuit bevorderd. Hij heeft zich daarbij kennelijk uitsluitend laten leiden door financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de gevolgen van zijn handelen.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie in zijn eis de enige passende strafmodaliteit heeft gekozen, te weten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft daarbij tevens acht geslagen op het strafblad van de verdachte en het reclasseringsadvies van 22 mei 2026.
In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn proceshouding ter terechtzitting. De verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft verklaard voor zijn gezin te kiezen. Hij onderscheidt zich daarmee van de andere drie hoofdverdachten. De rechtbank heeft er daardoor ook meer vertrouwen in dat de verdachte niet zal recidiveren. De rechtbank wil deze situatie bestendigen en zal daarom een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen. Enerzijds wordt de verdachte hierdoor geconfronteerd met de ernst van zijn handelen en anderzijds heeft het voorwaardelijk deel van de straf als doel de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst soortgelijke strafbare feiten te plegen.
De rechtbank stelt voorts vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte is op 28 november 2023 in verzekering gesteld, dus de redelijke termijn is overschreden met 7,5 maand. Gelet op de beperkte duur van die overschrijding in combinatie met de omvang van de zaak zal de rechtbank deze overschrijding in licht strafmatigende zin meewegen bij het bepalen van de op te leggen straf.
Alles overwegende zal de rechtbank de verdachte veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.E.G. Peters, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. N.P.J. van de Pasch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H.C. van den Munckhof en mr. L.M.N.F. Roelofs, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 10 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij, op één (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 1 mei 2021 tot en
met 28 november 2023 in de gemeente Venray, althans in Nederland, tezamen en in
vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, meermalen, althans
eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of
vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad,
een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde
cocaïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer LB1R023045-239, onderzoek YVOIR / LB1R023045 gesloten d.d. 4 april 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1157.
2.De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.
3.Processen-verbaal van pseudokoop d.d. 28 november 2023 p. 75-86 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 november 2023, p. 87-88.
4.Processen-verbaal van bevindingen d.d. 30 en 31 oktober 2023 en 15 november 2023, p. 89-94
5.Proces-verbaal Onderzoek verdovende middelen d.d. 10 januari 2024, p. 856-859
6.NFiDENT-rapporten d.d. 9 januari 2024, p. 860-862.
7.Processen-verbaal van bevindingen d.d. 11 december 2023 en 16 januari 2024, p. 561-615.