ECLI:NL:RBLIM:2026:678

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/03/340755 / HA ZA 25-152
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • dr. Kluin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:904 BWArt. 3:300 BWArt. 237 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming bindend advies en verdeling maatschapsvermogen varkensbedrijf

De rechtbank Limburg behandelde een geschil tussen broer en zus over de afwikkeling van hun maatschap in een varkensbedrijf. Partijen hadden een bindend adviseur benoemd die een bindend advies uitbracht over de verdeling van het maatschapsvermogen, waaronder registergoederen en machines. De gedaagde partij stelde het bindend advies ter vernietiging voor vanwege vermeende onjuiste waarderingen en onjuiste verdeling.

De rechtbank oordeelde dat het bindend advies niet voor vernietiging in aanmerking komt. De waarderingen van de vermogensbestanddelen waren voldoende onderbouwd en de bindend adviseur had een terughoudende toets gehanteerd, passend bij zijn beoordelingsvrijheid. De motivering was toereikend en de bezwaren van de gedaagde waren onvoldoende concreet onderbouwd.

De rechtbank veroordeelde de gedaagde partij tot nakoming van het bindend advies, waaronder medewerking aan de juridische levering van de percelen en het realiseren van een in- en uitrit. Boeteclausules uit het bindend advies werden niet toegewezen wegens gebrek aan grondslag. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familierelatie tussen partijen.

Uitkomst: Het bindend advies wordt niet vernietigd en de gedaagde wordt veroordeeld tot nakoming en medewerking aan levering van de registergoederen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/340755 / HA ZA 25-152
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. M.M. van den Boomen,
tegen
[persoon 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. J.H. van Seters.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte overlegging nadere producties van [persoon 2]
- de mondelinge behandeling van 18 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de door de advocaat van [persoon 1] en de advocaat van [persoon 2] tijdens de zitting overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[persoon 1] en [persoon 2] zijn broer en zus.
2.2.
De ouders van [persoon 1] en [persoon 2] exploiteerden een varkensbedrijf op de [locatie] in [plaats 1] . [persoon 1] nam ook deel aan dat bedrijf. In 2007 is deze onderneming overgenomen c.q. voortgezet door [persoon 1] en [persoon 2] samen.
2.3.
In 2009 hebben [persoon 1] en [persoon 2] het bedrijf uitgebreid met nieuwbouw voor een varkensbedrijf aan [adres 1] . Zij hebben hun afspraken vastgelegd in een maatschapsovereenkomst van 23 december 2009.
2.4.
Vervolgens hebben partijen hun samenwerking in 2010 nog verder uitgebreid met een varkensbedrijf aan het [adres 2] .
2.5.
Partijen hebben wegens verschil van inzicht over de wijze waarop de onderneming diende te worden gevoerd, besloten de maatschap te beëindigen. Omdat ze er onderling niet uit kwamen hoe de maatschap moest worden afgewikkeld, hebben zij daartoe overeenkomstig artikel 22 van Pro de maatschapsovereenkomst bij overeenkomst van 7 oktober 2016 (hierna: “de bindendadviesovereenkomst”) mr. ing. [bindend adviseur] tot bindend adviseur benoemd.
2.6.
De bindend adviseur heeft onderzocht of een van partijen de gehele onderneming van de maatschap, in het bijzonder het varkensbedrijf op de locatie aan [adres 1] (inclusief huiskavel) zou kunnen gaan voortzetten. In een tussenbeslissing van 4 oktober 2018 heeft de bindend adviseur [persoon 2] aangewezen om het hoofdonderdeel aan de [straat] in [plaats 1] over te nemen. Omdat de financiering door [persoon 2] niet haalbaar bleek heeft de bindend adviseur op 3 februari 2021 besloten tot verkoop van het varkensbedrijf op deze locatie over te gaan. Daarna diende het maatschapsvermogen te worden verdeeld.
2.7.
Op 21 december 2023 heeft de Bindend Adviseur de conceptovereenkomst van verdeling toegezonden en partijen in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.
Na kennisname van de reacties van partijen heeft de bindend adviseur de definitieve overeenkomst van verdeling c.q. het bindend advies, van 3 september 2024 (hierna “het bindend advies”) opgesteld.
Partijen hebben dit stuk niet getekend.
2.8.
In het bindend advies heeft de bindend adviseur de registergoederen van de maatschap onderverdeeld in de registergoederen A tot en met D. Elk van deze registergoederen omvat meerdere percelen die allen oplopend zijn genummerd. Zo omvat registergoed A de percelen 1 tot en met 6, registergoed B de percelen 7 en 7a, registergoed C de percelen 8 en 9 en registergoed D de percelen 10 tot en met 24.
2.9.
In artikel 2 van Pro het bindend advies worden aan [persoon 1] toebedeeld de registergoederen A en D met uitzondering van de percelen 4 en 22. Het totaal oppervlak van de aan [persoon 1] toebedeelde percelen bedraagt 16.56.10 ha.
2.10.
In artikel 2 van Pro het bindend advies worden aan [persoon 2] toebedeeld de registergoederen B, C en de percelen 4 en 22. Het totaal oppervlak van deze percelen bedraagt 11.58.19 ha.
2.11.
In artikel 3 van Pro het bindend advies wordt de waarde van de registergoederen per peildatum 1 januari 2023 (hierna “peildatum”) getaxeerd op € 2.147,928,--. Het aan [persoon 1] toegedeelde deel wordt per peildatum vastgesteld op een waarde van € 1.338.969,--. Het aan [persoon 2] toegedeelde deel wordt per peildatum vastgesteld op een waarde van € 808.959,--.
2.12.
In artikel 8 worden Pro de machines en werktuigen van de maatschap aan [persoon 2] toebedeeld voor een bedrag van € 31.775,-

3.Het geschil

In conventie

3.1.
[persoon 1] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I te verklaren voor recht dat partijen zijn gehouden aan de inhoud van het bindend
advies, en de daaruit voortvloeiende verplichtingen over en weer, zoals uitgebracht op 3
september 2024 door mr. ing. [bindend adviseur] ;
II [persoon 2] te veroordelen om uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, onherroepelijk en
onvoorwaardelijk uitvoering te geven en medewerking te verlenen aan de juridische
levering van de percelen zoals toebedeeld en omschreven in artikel 1 en Pro verder van het
bindend advies en hem te gebieden uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit
vonnis, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, te
verschijnen bij een notaris verbonden aan [notariskantoor] te [plaats 3] ,
op een door de notaris te bepalen tijd, om dan en daar mee te werken aan de juridische
levering van de percelen, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen
inhoud van de notariële (leverings-)akten;
III te bepalen dat, indien [persoon 2] in gebreke blijft om aan de veroordeling onder II te voldoen, op grond van artikel 3:300 BW Pro, het vonnis in de plaats treedt van de notariële akte(s), of een gedeelte daarvan, en in de plaats treedt voor de voor het passeren van de akte(s) noodzakelijke toestemming en of wilsverklaring en of handtekening van [persoon 2] ;
IV [persoon 2] te veroordelen tot betaling van de opeisbare boete € 100.000,00 overeenkomstig
artikel 13 van Pro het bindend advies, dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie
toewijsbaar acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2025 dan
wel de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;
V [persoon 2] te veroordelen tot betaling van 50% het verschil aan waarde tussen de
maatschapsaandelen van partijen overeenkomstig artikel 10 van Pro het bindend advies,
slechts voor zover het banksaldo onvoldoende zou zijn om dit verschil te kunnen
compenseren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag nadat
hij tot betaling is gesommeerd en betaling uitblijft;
VI [persoon 2] te veroordelen tot het realiseren van een in- en uitrit op het perceel dat aan hem
toebedeeld is zoals omschreven in artikel 11 van Pro het bindend advies en hem te gebieden
het gebruik van de in- en uitrit op het perceel dat aan [persoon 1] toebedeeld is te beëindigen
overeenkomstig artikel 11 van Pro het bindend advies, op straffe van verbeurte van een
dwangsom van € 100,00, althans een ander in goede justitie te bepalen bedrag, voor
iedere dag dat [persoon 2] hiermee (gedeeltelijk) in gebreke blijft, een en ander met een
maximum van € 15.000,00;
VII [persoon 2] te veroordelen tot betaling van de opeisbare boete van € 2.000,00 overeenkomstig artikel 11 lid 2 van Pro het bindend advies, dan wel een bedrag dat de rechtbank in goede justitie toewijsbaar acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 januari 2025 dan wel de dag van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;
VIII [persoon 2] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten voor het bedrag van primair € 6.775,00 exclusief btw en subsidiair een bedrag dat de rechtbank in goede
justitie toewijsbaar acht;
IX [persoon 2] primair te veroordelen in de reële kosten van de procedure, inclusief de gevorderde nakosten, met de uitdrukkelijke bepaling dat [persoon 2] de wettelijke rente over de
proceskosten verschuldigd zal zijn als hij de proceskosten niet binnen veertien dagen na
dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis zal hebben betaald.
X [persoon 2] subsidiair te veroordelen in de reguliere kosten van de procedure op basis van het liquidatietarief, inclusief de gevorderde nakosten, met de uitdrukkelijke bepaling dat [persoon 2]
de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zal zijn als hij de proceskosten
niet binnen veertien dagen na dagtekening van het ten deze te wijzen vonnis zal hebben
betaald.
3.2.
[persoon 2] heeft verweer gevoerd.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
In reconventie
3.4.
[persoon 2] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I het bindend advies van 3 september 2024 van de heer mr. ing. [bindend adviseur] te vernietigen;
en opnieuw recht doende, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Primair
II de activa van de Maatschap te verdelen en de maatschap kapitalen van [persoon 2] en [persoon 1] vast te stellen met inachtneming van i) de jaarrekening 2022 van de heer [naam] en ii) de op basis van artikel 2 van Pro het bindend advies van 3 september 2024 van de heer mr. ing. [bindend adviseur] aan [persoon 2] toebedeelde onroerende zaken plus de [locatie] 5 inclusief varkensstallen en [perceel 1] of [perceel 2] ;
Subsidiair
III een onafhankelijke deskundige te benoemen die de verdeling van de activa van de [maatschap] bewerkstelligt;
Meer subsidiair
IV de activa van de Maatschap te verdelen zoals het Uw Rechtbank gerade acht.
Met veroordeling van [persoon 1] in de proceskosten.
3.5.
[persoon 1] heeft verweer gevoerd.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

In conventie en reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vordering in conventie en de vordering in reconventie zal een gezamenlijke beoordeling plaatsvinden. [persoon 1] vindt kort gezegd dat [persoon 2] het bindend advies moet nakomen en [persoon 2] is van mening dat het bindend advies moet worden vernietigd en opnieuw moet worden verdeeld.
4.2.
De kern van het geschil wordt gelet op de standpunten en vorderingen van partijen gevormd door de vraag of het bindend advies voor vernietiging in aanmerking komt. Voor de beantwoording van deze vraag geldt het volgende juridische kader.
Het juridische kader
4.3.
Partijen hebben in artikel 4 van Pro de bindendadviesovereenkomst afgesproken dat tegen het bindend advies geen hoger beroep open staat en dat zij uitsluitend de mogelijkheid hebben van vernietiging als bedoeld in artikel 7:904 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.4.
Op grond van artikel 7:904 lid 1 BW Pro is een bindend advies vernietigbaar als dit door de inhoud daarvan of de manier waarop dit tot stand gekomen is zo gebrekkig is, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als partijen daaraan gebonden zouden zijn. Uit rechtspraak volgt dat de rechter bij deze toets terughoudend dient te zijn. De beslissing is slechts dan aantastbaar indien de beslissende persoon, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot zijn beslissing heeft kunnen komen [1] . Voor vernietiging is geen plaats als het gaat om een beslissing waarover redelijk denkende mensen van mening kunnen verschillen. Uitsluitend ernstige gebreken kunnen aanleiding geven tot vernietiging.
4.5.
De bindend adviseur dient de fundamentele beginselen van procesrecht in beginsel in acht te nemen. Dit betekent kort gezegd dat partijen in de gelegenheid gesteld dienen te worden hun standpunt kenbaar te maken; dat de gegevens waarop het advies berust ter kennis van beide partijen gebracht dienen te worden, dat de beslissing op een deugdelijk onderzoek gebaseerd dient te zijn en dat de beslissing voldoende gemotiveerd dient te worden.
4.6.
Op de vraag in hoeverre een bindend advies moet worden gemotiveerd valt volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen algemeen antwoord te geven (Hoge Raad 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5890). Naarmate het bindend advies meer het karakter van rechtspraak heeft, behoort de beslissing meer en beter te worden gemotiveerd. Als het gevraagde oordeel meer op intuïtief inzicht berust, kunnen omgekeerd aan dat oordeel lagere motiveringseisen worden gesteld. Bij een bindend advies dat strekt tot verdeling van vermogensbestanddelen geldt een grote beoordelingsvrijheid van de bindend adviseur en daarmee een minder formele benadering.
Geen grond voor vernietiging
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat [persoon 2] , als degene die zich op de vernietiging beroept, voldoende feiten dient te stellen en te onderbouwen, die tot de conclusie nopen dat het bindend advies niet in stand kan blijven. De door [persoon 2] aangedragen voor vernietiging van het bindend advies aangedragen argumenten zien met name op (de motivering van) de waardering van de diverse vermogensbestanddelen van de gemeenschap en (de motivering van) de wijze van verdelen van die vermogensbestanddelen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende grond bestaat om tot een vernietiging van het bindend advies te komen. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De waarde van de diverse vermogensbestanddelen
4.8.
De bezwaren van [persoon 2] tegen het bindend advies komen er op neer dat de bindend adviseur in het bindend advies bij de verdeling is uitgegaan van onjuiste waarden van de diverse vermogensbestanddelen van de maatschap en is uitgegaan van onjuiste of onvolledige waarde van het bedrijfskapitaal. Het gaat dan met name om de waardebepaling van de onroerende zaken (artikel 3), van de machines en werktuigen (artikel 8) alsmede het gebruik van onjuiste of onvolledige jaarstukken over 2022 (artikel 10).
4.9.
De rechtbank stelt voorop dat bij de begroting van de waarde van de vermogensbestanddelen of verrekening van vorderingen een benadering toelaatbaar is waarbij een taxatie per peildatum plaatsvindt (in dit geval 1 januari 2023) maar ook denkbaar is een benadering op basis van door partijen genoemde bedragen of een schatting.
Het enkele feit dat bindend adviseur een bepaald bedrag heeft begroot dat afwijkt van het bedrag dat door een partijdeskundige wordt genoemd, zegt dus weinig. Het betekent namelijk niet zonder meer dat het uitgangspunt van de bindend adviseur onjuist is en/of onvoldoende is onderbouwd.
4.10.
Als [persoon 2] suggereert dat de bindend adviseur voor elk vermogensbestanddeel gehouden zou zijn om een uitgebreide en gemotiveerde taxatie uit te voeren, dan legt hij een maatstaf aan die geen steun vindt in het recht. Hierbij moet ook bedacht worden dat de bindend adviseur niet moet worden benaderd als een wederpartij in een procedure maar als een inhoudelijk deskundige die als bindend adviseur door partijen is belast met een verdeling van het maatschapsvermogen door middel van een bindend advies.
4.11.
Tegen deze achtergrond heeft de bindend adviseur voor de waardering van de registergoederen kunnen volstaan met een actualisering van de taxaties van [taxateur] van 14 februari 2014 naar een waarde (gebaseerd op de prijsontwikkelingen landbouwgronden) per 1 januari 2023. In bijlage 8 bij het bindend advies heeft de bindend adviseur de waarderingen gespecificeerd. Het enkele gegeven dat de bindend adviseur tot een lagere totale waarde van de registergoederen komt dan de taxatie van [taxateur] betekent nog niet dat de waardering van de bindend adviseur niet kan kloppen. Omdat geen van partijen het varkensbedrijf op de locatie aan [adres 1] kon overnemen is dit namelijk aan een derde verkocht waardoor de waarde van dit registergoed geen deel meer uitmaakt van de totale waarde van de registergoederen zoals door de bindend adviseur vastgesteld. Van een motiveringsgebrek is dan ook geen sprake.
4.12.
Het is juist dat de bindend adviseur voor de verdeling geen gebruik heeft gemaakt van definitieve jaarrekeningen. Er bestaat echter ook geen harde regel dat dit is vereist.
Uit de door [persoon 1] overgelegde producties blijkt dat de bindend adviseur herhaalde malen om aanlevering van stukken door [persoon 2] heeft gevraagd en dat die stukken niet zijn ontvangen. Gezien deze omstandigheid heeft de bindend adviseur dan ook tot verdeling kunnen overgaan op basis van niet definitieve jaarstukken.
4.13.
[persoon 2] geeft weliswaar aan dat de door de bindend adviseur gebruikte jaarstukken niet (volledig) kloppen maar maakt niet goed duidelijk waaruit de fouten precies bestaan en waarom het fout is. [persoon 2] poneert stellingen die neerkomen op een motiveringsgebrek maar laat na feiten of omstandigheden te stellen waarop dit wordt gebaseerd. De stellingen van [persoon 2] zijn te globaal. Hij noemt alleen enkele posten (zie randnummers 61 tot en met 63 in zijn conclusie van antwoord in conventie) die hij had kunnen en moeten uitwerken. De rechtbank gaat dan ook aan de onuitgewerkte stellingen van [persoon 2] voorbij.
4.14.
[persoon 2] heeft ook bezwaren geuit over de rol die [accountant] (de accountant van de maatschap) heeft gehad bij de totstandkoming van het bindend advies. Met name voor wat betreft de informatieverstrekking aan de bindend adviseur over de jaarstukken voor zover die afwijkt van de zienswijze van [persoon 2] . De rechtbank is van oordeel dat deze bezwaren ongegrond zijn. Het staat de bindend adviseur vrij om zich voor informatieverstrekking over de financiën van de maatschap te wenden tot de accountant van de maatschap. Als [persoon 2] het niet met deze rol van de accountant eens was geweest dan had hij dat eerder aan de bindend adviseur kenbaar moeten maken en niet pas na totstandkoming van het bindend advies.
4.15.
De waardering van de machines en werktuigen heeft de bindend adviseur gebaseerd op de door [persoon 2] aan hem opgegeven waarde. Dat de deskundige deze waarde niet had mogen gebruiken heeft [persoon 2] niet deugdelijk onderbouwd. Mogelijk was de door [persoon 2] medegedeelde waarde een grove schatting en ingegeven door zijn verwachting dat hij het hele bedrijf zou gaan overnemen. Door hem is echter niet gesteld en onderbouwd dat de bindend adviseur niet zonder meer mocht uitgaan van de door hem opgegeven waarde. Tegen deze achtergrond kan dan ook niet gezegd worden dat de waardering van de werktuigen en machines onvoldoende is gemotiveerd.
De wijze van verdelen
4.16.
[persoon 2] stelt dat de bindend adviseur zonder deugdelijke motivering de meeste grond heeft toegedeeld aan [persoon 1] terwijl hij de agrarische ondernemer zou zijn en de meeste aanspraak zou hebben op de grond of zoveel mogelijk grond.
4.17.
De stelling van [persoon 2] komt er praktisch gezien op neer dat hij de boer is en hij mag bepalen welke bestanddelen hij mag hebben om een rendabele onderneming te runnen. Dat standpunt doet evenwel geen recht aan de belangen van [persoon 1] , waar de bindend adviseur ook rekening mee moet houden.
Los daarvan gaat het bezwaar ook voorbij aan het verloop van de bindend advies procedure. In eerste instantie is namelijk gekeken of [persoon 2] dan wel [persoon 1] het hele bedrijf zou kunnen overnemen en toebedeeld zou kunnen krijgen. [persoon 2] noch [persoon 1] kreeg dat financieel rond, waarna het varkensbedrijf op de locatie aan [adres 1] is verkocht en de bindend adviseur heeft gekozen voor een zodanige verdeling dat beide partijen nog een zelfstandig bedrijf zouden kunnen uitoefenen. Deze overwegingen van de bindend adviseur blijken uit zijn tussentijdse berichten aan partijen, waaronder de e-mail van de bindend adviseur van 16 december 2022 [2] . In deze e-mail licht de bindend adviseur aan de advocaten van partijen toe dat met de toedeling van een deel van de [locatie] aan [persoon 2] , hij de mogelijkheid behoudt om in [plaats 1] machines te stallen en dat [persoon 1] door toedeling van de woning met overige opstallen en ondergrond de beschikking heeft over een bedrijfslocatie. Beide partijen oefenen nu ook zelfstandig een agrarisch bedrijf uit. De door de bindend adviseur gemaakte verdeling is dus verre van ongemotiveerd.
4.18.
De keuze van de bindend adviseur om de machines en werktuigen aan [persoon 2] toe te delen is niet onbegrijpelijk. [persoon 2] had laten weten dat hij ze wel wilde hebben en heeft ook een prijs genoemd. De werktuigen waren op initiatief van [persoon 2] aangeschaft en werden ook door hem gebruikt. Tijdens de zitting heeft [persoon 2] weliswaar gezegd dat hij de machines en werktuigen alleen wilde hebben als hij het hele bedrijf zou krijgen maar dat blijkt niet uit de stukken. In de e-mail van de advocaat van [persoon 2] aan de bindend adviseur van 15 april 2024 over de concept overeenkomst van verdeling [3] wordt enkel opgemerkt dat [persoon 2] meer grond [persoon 2] hebben om machines rendabeler en efficiënter in te zetten. Hieruit blijkt dat de conclusie dat de adviseur niet in redelijkheid tot deze verdeling heeft kunnen komen niet klopt.
De bindend adviseur heeft met deze toedeling een evenwichtige verdeling van het vermogen bereikt.
De in conventie gevorderde verklaring voor recht
4.19.
Omdat uit het voorgaande volgt dat het bindend advies niet voor vernietiging in aanmerking komt, betekent dit dat uitvoering gegeven dient te worden aan het bindend advies. De door [persoon 1] gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar. Over de verschillende met de uitvoering van het bindend advies samenhangende vorderingen overweegt de rechtbank als volgt.
De juridische levering van de percelen
4.20.
[persoon 2] dient mee te werken aan de levering van de percelen zoals die in het bindend advies zijn toebedeeld. Om die reden zal de door [persoon 1] onder II gevorderde veroordeling tot medewerking aan het leveren van de percelenworden toegewezen.
Voor de onder III op grond van artikel 3:300 BW Pro gevorderde reële executie door het vonnis in de plaats te stellen van de notariële akte ziet de rechtbank geen grond. Volstaan kan worden met de bepaling dat dit vonnis in de plaats treedt van de voor levering noodzakelijke wilsverklaring en handtekening van [persoon 2] wanneer hij niet meewerkt aan de juridische levering. De vordering zal dan ook in die zin worden toegewezen.
Boete op grond van artikel 11 van Pro het bindend advies
4.21.
De bindend adviseur heeft zijn bindend advies opgemaakt in de vorm van een overeenkomst tussen [persoon 1] en [persoon 2] , waarin een boeteclausule is opgenomen. [persoon 1] en [persoon 2] hebben het bindend advies echter niet ondertekend zodat geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen met daarin een contractuele boete, waarbij de rechtbank er van uit gaat dat de bindend adviseur de constructie van een concept overeenkomst heeft gekozen om tussen partijen een boeteclausule te laten gelden.
4.22.
Een bindend adviseur is niet bevoegd tot het opleggen van een dwangsom in welke vorm dan ook tenzij dat tussen partijen is overeengekomen. Uit de bindend adviesovereenkomst blijkt niet dat dit het geval is. Deze bevoegdheid is niet met zoveel woorden ondergebracht in de taakopdracht van partijen aan de bindend adviseur, zoals geformuleerd onder artikel 1.3. van de bindendadviesovereenkomst. Dit betekent dat er geen grondslag bestaat voor de in het bindend advies opgenomen boetes. De door [persoon 1] gevorderde boetes zijn dan ook niet door [persoon 2] verschuldigd. De hierop betrekking hebbende vorderingen zijn daarom niet toewijsbaar.
Artikel 10 bindend Pro advies4.23. De vordering van [persoon 1] om [persoon 2] te veroordelen tot betaling van 50% van het verschil in waarde tussen de maatschapsaandelen van partijen voor zover het banksaldo onvoldoende is, hangt samen met de levering van de registergoederen en is op het bindend advies gegrond. Deze vordering is dan ook toewijsbaar.
Realiseren van de uitrit inclusief dwangsom
4.24.
De vordering van [persoon 1] die ziet op het realiseren van een uitrit betreft een verplichting van [persoon 2] zoals opgenomen in artikel 11 lid 1 van Pro het bindend advies. Aangezien [persoon 2] het bindend advies dient na te komen is deze vordering toewijsbaar.
4.25.
Zoals hiervoor al is overwogen bestaat er geen grondslag voor de in verband met deze verplichting gevorderde boete. Omdat [persoon 2] geen blijk heeft gegeven vrijwillig tot nakoming van deze verplichting over te gaan, bestaat wel grond voor het opleggen van de gevorderde dwangsom. Deze zal worden toegewezen als gevorderd.
buitengerechtelijke kosten
4.26.
[persoon 1] heeft voldoende onderbouwd dat door haar buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt om [persoon 2] te bewegen tot nakoming van het bindend advies. De in redelijkheid gemaakte kosten komen dan ook voor vergoeding in aanmerking. Anders dan [persoon 1] stelt bestaat geen grond om voor de hoogte van de vergoeding aan te sluiten bij het maatschapsvermogen. Het belang van [persoon 1] ziet namelijk op slechts de helft van het maatschapsvermogen namelijk op het door de bindend adviseur in artikel 10 van Pro het bindend advies vastgestelde bedrag van € 333.483,--. De rechtbank zal daarom aan buitengerechtelijke kosten toewijzen een bedrag van € 3.442,42.
Proceskosten
4.27.
Voor een vergoeding van de werkelijke proceskosten zoals door [persoon 1] gevorderd bestaat geen grond. Van een veroordeling tot betaling van werkelijke proceskosten kan in beginsel slechts sprake zijn als de aangesproken partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld. Niet valt in te zien waarom het door [persoon 2] niet nakomen van het bindend advies als misbruik van procesrecht valt aan te merken. Van het nodeloos starten van een procedure door [persoon 2] is geen sprake en het instellen van een reconventionele vordering tot vernietiging van het bindend advies kan bezwaarlijk als misbruik van procesrecht worden aan gemerkt.
4.28.
Nu geen sprake is van misbruik van procesrecht ziet de rechtbank vanwege de familierelatie tussen partijen (broer en zus) aanleiding om de proceskosten op grond van artikel 237 lid 1 Rv Pro te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt

5.De beslissing

De rechtbank
In conventie en reconventie
5.1.
verklaart voor recht dat partijen zijn gehouden aan de inhoud van het bindend
advies, en de daaruit voortvloeiende verplichtingen over en weer, zoals uitgebracht op 3
september 2024 door mr. ing. [bindend adviseur] ,
5.2.
veroordeelt [persoon 2] om uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis onherroepelijk en onvoorwaardelijk uitvoering te geven en medewerking te verlenen aan de juridische levering van de registergoederen zoals toebedeeld en omschreven in artikel 1 en Pro verder van het bindend advies,
5.3.
gebiedt [persoon 2] om uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit
vonnis te verschijnen bij een notaris verbonden aan [notariskantoor] te [plaats 3] , op een door de notaris te bepalen tijd, om dan en daar mee te werken aan de juridische levering van de onder 5.2 bedoelde registergoederen,
5.4.
bepaalt dat wanneer [persoon 2] niet voldoet aan de veroordeling en het gebod onder 5.2 en 5.3, op grond van artikel 3:300 BW Pro dit vonnis in de plaats treedt van de voor het opmaken van de notariële leveringsakte vereiste wilsverklaring, medewerking en/of handtekening van [persoon 2] voor de eigendomsoverdracht en levering van deze registergoederen,
5.5.
veroordeelt [persoon 2] tot betaling van 50% van het verschil aan waarde tussen de
maatschapsaandelen van partijen overeenkomstig artikel 10 van Pro het bindend advies,
slechts voor zover het banksaldo onvoldoende zou zijn om dit verschil te kunnen
compenseren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag nadat
hij tot betaling is gesommeerd en betaling uitblijft,
5.6.
veroordeelt [persoon 2] tot het realiseren van een in- en uitrit op het perceel dat aan hem
toebedeeld is zoals omschreven in artikel 11 van Pro het bindend advies,
5.7.
gebiedt [persoon 2] om het gebruik van de in- en uitrit op het perceel dat aan [persoon 1] toebedeeld is te beëindigen overeenkomstig artikel 11 van Pro het bindend advies, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00, voor iedere dag dat [persoon 2] hiermee (gedeeltelijk) in gebreke blijft, tot een maximum aan dwangsommen te verbeuren bedrag van € 15.000,00,
5.8.
veroordeelt [persoon 2] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten voor het bedrag van € 6.775,00 exclusief btw,
5.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.10.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Kluin en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1001
2.Bijlage 43 van [persoon 1]
3.Productie 1 zijdens [persoon 2] onder randnummer 3