ECLI:NL:RBLIM:2026:6789

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352250 / KG ZA 26-174
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Van Mil
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing contact- en straatverbod wegens bestaand strafrechtelijk verbod

De moeder vordert in kort geding een contact- en straatverbod tegen de vader, met ingang van 25 augustus 2026, vanwege problemen in de omgang en communicatie rondom hun minderjarige kind. De vader is reeds strafrechtelijk verboden contact te hebben met de moeder en zich in de nabijheid van haar woning te begeven tot die datum.

De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang en constateert dat het strafrechtelijk verbod nog loopt en bescherming biedt tot 25 augustus 2026. Er zijn geen nieuwe incidenten na het strafrechtelijk verbod gemeld, en de moeder heeft zelf verklaard geen spoedeisend belang meer te hebben. Zij vraagt de rechter vooruit te lopen op een toekomstige situatie, wat in kort geding niet mogelijk is.

De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen. De proceskosten worden gecompenseerd vanwege de ex-partnerrelatie. De rechter benadrukt de problematiek tussen de ouders, waaronder het gebrek aan vertrouwen en communicatie, en adviseert hen zich in te zetten voor hulpverlening ten behoeve van het kind.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot contact- en straatverbod af wegens gebrek aan spoedeisend belang omdat reeds een strafrechtelijk verbod geldt tot 25 augustus 2026.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 2 juli 2026 (bij vervroeging)
Zaaknummer: C/03/352250 / KG ZA 26-174
De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het volgende kort gedingvonnis gewezen
inzake
[de moeder],eiseres, verder te noemen de moeder,
wonend in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.P.F. Rober, kantoorhoudend in Hoensbroek, gemeente Heerlen,
tegen:
[de vader],wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde, verder te noemen de vader.

1.Het verloop van de procedure

De moeder heeft de vader gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 1 juli 2026, heeft zij gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vorderingen met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft toegelicht. Ter zitting heeft de moeder nog een aanvullende productie overgelegd.
De vader heeft mondeling verweer gevoerd.
Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
Ten slotte heeft de moeder om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is aan het eind van de mondelinge behandeling bepaald op 15 juli 2026. Vonnis is nader bepaald op heden.

2.De feiten

2.1
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit is geboren:
- [minderjarige] , op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] .
2.2
De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft alleen het gezag over [minderjarige] .
2.3
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.4
Bij proces-verbaal van 13 april 2026 zijn de ouders, voor zover hier van belang, overeengekomen dat de vader zich voortaan zal onthouden van het voortdurend sturen van e-mails en berichten aan de moeder en dat de ouders hun contact strikt tot zaken die [minderjarige] aangaan beperken.

3.Het geschil

3.1
De moeder vordert, na vermindering van haar eis ter zitting, uitvoerbaar bij voorraad:
- de vader met ingang van 25 augustus 2026 te verbieden om gedurende de duur van een jaar op enigerlei wijze, direct of indirect, contact op te nemen met de moeder, waaronder begrepen per e-mail, telefoon, WhatsApp, sms, sociale media, schriftelijk, mondeling of via derden;
- te bepalen dat communicatie tussen de ouders uitsluitend zal plaatsvinden via een
omgangsboekje en uitsluitend voor zover strikt noodzakelijk ter zake aangelegenheden betreffende [minderjarige] ;
- de vader met ingang van 25 augustus 2026 te verbieden zich gedurende de duur van een jaar bij de woning van de moeder, gelegen aan [adres] in [woonplaats 1] , te begeven, aldaar aan te bellen, zich voor de deur op te houden of zich anderszins zonder noodzaak bij de woning van de moeder te melden;
- te bepalen dat het ophalen en terugbrengen van [minderjarige] zal plaatsvinden op de parkeerplaats gelegen aan [adres] , nabij de woning van de moeder, zoals weergeven op de als productie 5 overgelegde plattegrond, althans op een neutrale locatie en niet aan de woning van de moeder;
- de vader te veroordelen om bij iedere overtreding van een van de hiervoor genoemde
verboden een dwangsom te verbeuren van € 500,00 per overtreding, met een maximum van €10.000;
- de vader te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2
De vader heeft mondeling verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van de moeder.
3.3.
Op de door de ouders ingenomen stellingen en verweren zal de voorzieningenrechter voor zover nodig bij de beoordeling ingaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1
De voorzieningenrechter zal allereerst, mede gelet op de door de moeder nog ter zitting overgelegde stukken, onderzoeken of de moeder voldoende spoedeisend belang heeft bij de door haar gevraagde voorzieningen. Deze vraag dient conform vaste rechtspraak te worden beantwoord aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak.
4.2
De moeder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat de vader haar niet meer gemaild heeft sinds de politie erbij betrokken is. Daarna is er bovendien nog een contact- en gebiedsverbod aan de vader opgelegd door de officier van justitie. Ter zitting heeft de moeder daarvan stukken overgelegd. Hieruit blijkt dat de officier van justitie een beschermingsmaatregel heeft genomen ten behoeve van de moeder, bestaande uit een contactverbod en een gebiedsverbod voor [adres] , [straat 1] en [straat 2] in [woonplaats 1] . Deze maatregelen lopen van 28 mei 2026 tot 25 augustus 2026. De overdracht van [minderjarige] , die normaal gesproken plaatsvindt op de parkeerplaats aan [adres] , vindt daarom nu plaats bij de bushalte aan [straat 3] . Gebleken is verder dat de strafzaak tegen de vader op 22 september 2026 wordt behandeld.
4.3
Zoals reeds overwogen in 4.1., is voor de beoordeling van het spoedeisend belang de toestand ten tijde van de uitspraak bepalend. Vaststaat dat ten behoeve van de moeder door de officier van justitie een contact- en gebiedsverbod is opgelegd dat nog loopt tot 25 augustus 2026. Daarmee wordt de moeder op dit moment dus nog bijna twee maanden beschermd. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat niet gesteld of gebleken is dat zich sinds het door de officier van justitie opgelegde verbod nog incidenten hebben voorgedaan. Het is dan ook onvoldoende aannemelijk geworden dat daarnaast reeds nu een onmiddellijke civielrechtelijke voorziening noodzakelijk is. De moeder heeft ter zitting zelf ook verklaard dat zij op dit moment geen spoedeisend belang (meer) heeft bij haar vorderingen en haar vorderingen daarom heeft aangepast, in die zin dat zij deze met ingang van 25 augustus 2026 toegewezen wenst te zien. Daarmee vraagt zij de voorzieningenrechter feitelijk vooruit te lopen op een toekomstige situatie. Daarvoor is in een kort geding geen plaats. Of tegen die tijd een spoedeisend belang bestaat, zal moeten worden beoordeeld aan de hand van de dan bestaande feiten en omstandigheden. In dat kader overweegt de voorzieningenrechter nog dat de moeder ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat zij nog geen stappen heeft ondernomen om het strafrechtelijk opgelegde verbod te laten verlengen, bijvoorbeeld tot aan de (uitspraak in de) strafzaak van de vader. En hoewel de advocaat van de moeder ter zitting heeft aangegeven dat dit ook niet “
zijn pakkie an” is, had hij de moeder in ieder geval wel op deze mogelijkheid kunnen wijzen zodat zij – al dan niet via Slachtofferhulp of een strafrechtadvocaat – actie had kunnen ondernemen. Nu dit verbod nog geruime tijd voortduurt, bestaat voor de moeder nog steeds de mogelijkheid om, indien zij meent dat de omstandigheden daartoe aanleiding geven, langs de daarvoor geëigende weg verlenging van die bescherming te bewerkstelligen. Ook daarom kan thans niet worden aangenomen dat reeds nu sprake is van een spoedeisend belang bij een civielrechtelijke voorziening met ingang van een toekomstige datum. De voorzieningenrechter zal de moeder gelet op het voorgaande dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Aangezien de voorzieningenrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil, wordt evenmin toegekomen aan de beoordeling van de gevorderde dwangsom.
Proceskosten
4.4
Gelet op het feit dat partijen ex-partners van elkaar zijn, zal de voorzieningenrechter de proceskosten tussen partijen compenseren.
Overweging ten overvloede: problematiek tussen partijen
4.5
In dit kort geding is (opnieuw) duidelijk geworden dat er bij de ouders sprake is van een fors gebrek aan onderling vertrouwen, een deugdelijke communicatie en een goede samenwerking met betrekking tot [minderjarige] . Hetgeen de moeder heeft verklaard over het gedrag en de uitspraken van [minderjarige] jegens haar baart de voorzieningenrechter ernstige zorgen. Dat geldt ook voor hetgeen de vader heeft verklaard over de wijze waarop hij met [minderjarige] omgaat en met name over de wijze waarop hij zich mengt in de relatie tussen de moeder en [minderjarige] . Tekenend in dat verband is dat de vader het kennelijk nodig vindt om [minderjarige] bij de overdracht telkens een tas vol eten en drinken (naar eigen zeggen: middageten, avondeten, snacks en literflessen drinken om de week door te komen) meegeeft, omdat [minderjarige] zou weigeren om bij de moeder te eten. Hoewel de vader ter zitting verklaard heeft dat hij dit doet in het belang en voor de gezondheid van [minderjarige] , miskent de vader daarmee dat hij het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] lijkt te verkeren, enkel vergroot. Door op deze manier te handelen bevestigt de vader immers impliciet tegenover [minderjarige] dat de moeder niet in staat is om adequaat voor hem te zorgen of hem van voldoende en passende voeding te voorzien. Een dergelijke boodschap plaatst [minderjarige] in een onwenselijke loyaliteitspositie. Van de ouders mag op grond van hun gezamenlijke verantwoordelijkheid worden verwacht dat zij het gezag en de opvoedkundige rol van de andere ouder ondersteunen en zich onthouden van gedragingen die het vertrouwen van het kind in de andere ouder ondermijnen. Indien en voor zover er daadwerkelijk zorgen zijn over de voeding of verzorging van [minderjarige] bij de moeder, dan ligt het op de weg van de vader deze met de moeder – en indien dit niet mogelijk is – of met hulpverlening te bespreken, in plaats van [minderjarige] hierin een rol te geven. Het is daarnaast de verantwoordelijkheid van beide ouders om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zonder belast te worden met de volwassenenproblematiek op kan groeien en onbelast en vrijelijk contact kan onderhouden met zijn beide ouders. De ouders zullen moeten leren elkaar te respecteren als ouders van [minderjarige] en vanuit die insteek elkaar als ouders moeten vertrouwen, zodat een neutrale, basale manier van communicatie over [minderjarige] mogelijk wordt. De moeder heeft ter zitting verklaard dat diverse hulpverlening betrokken is en dat het de bedoeling is dat op korte termijn wordt gestart met Multisysteem Therapie (MST). De voorzieningenrechter geeft de ouders dringend in overweging om zich hier maximaal voor in te zetten, in het belang van [minderjarige] .

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
wijst de gevorderde voorzieningen af;
5.2
compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Mil, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.