ECLI:NL:RBLIM:2026:6852

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
11 juli 2026
Zaaknummer
C/03/351907 / FA RK 26-968
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Mil
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 824 lid 2 RvArt. 821 lid 1 RvArt. 826 lid 1 RvArt. 1:253a BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging voorlopige voorzieningen kinderbijdrage in samengesteld gezin na echtscheiding

De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de vader tot wijziging van eerder getroffen voorlopige voorzieningen inzake de echtelijke woning, de zorg voor de minderjarige kinderen en de kinderbijdrage. De vader wilde onder meer dat de kinderen aan hem werden toevertrouwd en dat hij het exclusieve gebruik van de woning kreeg. De moeder voerde verweer en stelde dat de vader niet-ontvankelijk was in deze verzoeken.

De rechtbank oordeelde dat de voorlopige voorzieningen uit 2023 hun kracht hadden verloren door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in 2025 en dat er inmiddels een eindbeslissing met kracht van gewijsde was genomen. Daarom was wijziging van deze voorzieningen niet meer mogelijk en verklaarde de rechtbank de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken tot wijziging van woninggebruik en gezag.

Wel werd het verzoek tot wijziging van de voorlopige kinderbijdrage ontvankelijk verklaard. De rechtbank stelde vast dat de vader inmiddels opnieuw vader is geworden in een samengesteld gezin en dat een van de kinderen sinds februari 2026 volledig bij hem verblijft. Op basis van draagkrachtberekeningen en gewijzigde omstandigheden werd de kinderbijdrage aangepast: de vader betaalt €240 per maand voor het kind dat in een week-om-weekregeling verblijft bij beide ouders, en de moeder betaalt €242 per maand voor het kind dat bij de vader verblijft. Tevens werd verrekening van achterstallige kinderbijdrage toegestaan. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: Verzoek tot wijziging woning en gezag niet-ontvankelijk; voorlopige kinderbijdrage aangepast en verrekening achterstallige alimentatie toegestaan.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd
Zittingsplaats Maastricht
C/03/351907 / FA RK 26-968
Beschikking van 3 juli 2026 betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van:
[de man],
wonend in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. A.M. Holmes, kantoorhoudend in Heerlen,
tegen:
[de moeder],
wonend in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.P.H.W. Haas, kantoorhoudend in Heerlen.
De rechtbank merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
gevestigd in Roermond,
hierna te noemen: de GI.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift (met bijlagen) van de zijde van de man, binnengekomen op
  • de brief (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 13 mei 2026;
  • de brief (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 27 mei 2026;
  • de brief (met bijlage) van de zijde van de man, gedateerd 1 juni 2026;
  • de brief (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 11 juni 2026;
  • het ‘verweerschrift voorlopige voorzieningen teven houdende niet-ontvankelijkheidsverklaring’ (met bijlagen) van de zijde van de moeder, binnengekomen op 15 juni 2026;
  • de brief (met bijlagen) van de zijde van de man, gedateerd 16 juni 2026.
1.2
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op
17 juni 2026. Verschenen zijn:
  • de man, bijgestaan door mr. Holmes;
  • de moeder, bijgestaan door mr. Haas;
  • een vertegenwoordiger van de GI.
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling zijn van de zijde van de man spreekaantekeningen voorgedragen en overgelegd.

2.De feiten

2.1
Partijen zijn op [datum] 2012 met elkaar gehuwd in [plaats] .
2.2
Uit het huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
  • [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010;
  • [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018.
2.3
Op 18 oktober 2023 heeft de man bij deze rechtbank een verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend, dat bekend is onder zaaknummers C/03/323390 / FA RK 23-3931 en C/03/345624 / FA RK 25-2045.
2.4
Tevens heeft de man op 18 oktober 2023 een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ingediend, dat bekend is onder zaaknummer C/03/323388 / FA RK 23-3930. Bij beschikking van 7 december 2023 heeft de rechtbank in die voorlopige voorzieningenprocedure het volgende beslist:
“[..]
5.1. bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen in [woonplaats 2] , aan het [adres] ;
5.2.
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1] , op [geboortedag 1] 2010 in [woonplaats 2] en [minderjarige 2] , op [geboortedag 2] 2018 in [woonplaats 2] , zullen worden toevertrouwd aan de vrouw;
5.3.
bepaalt het bedrag, dat de man aan de vrouw moet betalen ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de kinderen (voorlopig) op € 204,00 per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
5.4.
wijst het meer of anders verzochte af.[..]”
2.5
Nadien heeft de rechtbank in de procedure met zaaknummer C/03/327240 / FA RK 24-461 bij beschikking van 24 april 2024 de eerder bij voormelde beschikking van
7 december 2023 getroffen voorlopige voorzieningen als volgt gewijzigd:
“[..]
5.1. [..] bepaalt het bedrag, dat de man met ingang van heden aan de vrouw moet betalen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen op (voorlopig) € 130,50 per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen;
5.2.
wijst af het meer of anders verzochte [..]”
2.6
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 19 juni 2024 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 19 juni 2024 tot 19 juni 2025. Nadien is de ondertoezichtstelling telkens verlengd, het meest recent bij beschikking van
17 juni 2026 met ingang van 19 juni 2026 voor de duur van een jaar, derhalve tot 19 juni 2027.
2.7
Bij (tussen)beschikking van 15 juli 2025 heeft de rechtbank in de onder 2.3. genoemde echtscheidingsprocedure het volgende beslist:
“ [..]
4.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op
[datum] 2012;
4.2.
wijst af het verzoek van de man tot eenhoofdig gezag;
4.2.
wijst af de verzoeken inzake de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 te [woonplaats 2] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2018 te [woonplaats 2] ;
4.3.
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in een week-om-week-regeling samen bij de ouders verblijven, inhoudende:
- dat zij afwisselend de ene week van woensdag na schooltijd tot de daarop volgende woensdag voor schooltijd samen bij de vrouw verblijven en de andere week van woensdag na schooltijd tot de daarop volgende woensdag voor schooltijd samen bij de man verblijven, dan wel, in geval er geen school is, met een wisselmoment om 10.00 uur,
- gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij de vrouw en gedurende de andere helft bij de man verblijven, in onderling overleg tussen de ouders nader te bepalen;
4.4.
wijst af de overige verzoeken inzake de zorgregeling;
4.5.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres te [woonplaats 2] aan het [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
4.6.
bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2024 voorlopig € 349,50 per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
4.7.
verklaart de beslissing met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de echtelijke woning en de voorlopige kinderbijdrage uitvoerbaar bij voorraad;
4.8.
houdt de beslissingen ten aanzien van de definitieve kinder- en partnerbijdrage en de verzoeken ter zake bevel verdeling over en weer aan in afwachting van bericht partijen pro forma voor de duur van twee maanden.[..]”
2.8
Op 5 november 2025 is de beschikking van 15 juli 2025 ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand van de gemeente Maastricht.
2.9
Er is geen hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 15 juli 2025.
2.1
Bij vonnis in kort geding van 26 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter het volgende beslist:
“[..]
5.1. schorst de onder 4.6. van het dictum van de tussen partijen op 15 juli 2025 door deze rechtbank gegeven beschikking (zaaknummer 323390) bepaalde kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van 1 maart 2026 (€ 349,50 per maand) totdat in de bodemprocedure tussen partijen een eindbeslissing is gegeven;
5.2.
beveelt de vrouw het LBIO binnen 24 uur na betekening van dit vonnis schriftelijk te berichten dat de inning van voornoemde kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] met ingang van 1 maart 2026 dient te worden opgeschort, met gelijktijdige toezending van een afschrift van dat bericht aan de advocaat van de man;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;
5.5.
compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.[..]”
2.11
Bij beschikking van 27 maart 2026 heeft de kinderrechter:
  • het verzoek van de GI om – zo begrijpt de rechtbank – de bij beschikking van
  • de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de zorgregeling zoals vastgesteld bij de beschikking van 15 juli 2025 te wijzigen, in die zin dat de kinderen volledig bij hem verblijven en er een contactregeling wordt vastgesteld waarbij de kinderen onder begeleiding contact hebben met de moeder.
2.12
Daarbij blijkt uit de beschikking van 27 maart 2026 dat de ouders tijdens de mondelinge behandeling op 11 maart 2026, na advies van de Raad voor de Kinderbescherming en met instemming van de GI, voorlopige afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de zorgregeling van de kinderen, waarbij de ouders verzocht hebben om deze afspraken op te nemen in de overwegingen van de beschikking. Deze voorlopige afspraken zijn:
  • [minderjarige 2] verblijft voorlopig conform de geldende reguliere zorgregeling op basis van de huidige week-om-week-regeling afwisselend bij de vader en de moeder, waarbij de wissel op woensdag plaatsvindt;
  • [minderjarige 1] verblijft voorlopig bij de vader.
2.13
De vader stelt dat hij inmiddels is gehuwd met zijn nieuwe partner, mevrouw
[persoon] en dat uit dat huwelijk – zo begrijpt de rechtbank – zeer recent de minderjarige [kind] is geboren.

3.Het geschil

3.1
De vader verzoekt, voor zover voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de verdere duur van het geding, de beschikkingen van de rechtbank van 7 december 2023 met kenmerk C/03/323388 / FA RK 23-3930 en 24 april 2024 met kenmerk C/03/327240 / FA RK 24-461 te wijzigen en te bepalen dat:
I. de minderjarige kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met onmiddellijke ingang voorlopig aan de vader worden toevertrouwd;
II. de vader bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning
gelegen te [woonplaats 2] aan het [adres] , met bevel dat de moeder deze woning binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn dient te verlaten en deze nadien niet meer mag betreden, behoudens met voorafgaande toestemming van de vader;
III. de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 1 maart 2026, althans met een door de rechtbank te bepalen datum op nihil wordt gesteld, althans op bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
IV. te bepalen dat de moeder (in het geval van [minderjarige 1] ) met ingang van 14 februari 2026, althans 27 maart 2026, althans (in het geval van beide kinderen) met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen datum, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vader zal voldoen een bedrag van € 269,00 per kind per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als volgt uit de overgelegde draagkrachtberekening en de door de rechtbank vast te stellen zorgregeling en zorgkorting;
subsidiair, voor het geval [minderjarige 2] niet (volledig) aan de vader wordt toevertrouwd (verzoek I. van de vader):
V. te bepalen dat de moeder met ingang van de datum van de te wijzen beschikking, althans een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen datum, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] aan de vader zal voldoen een bedrag van € 269,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige bijdrage vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.
3.2
De moeder voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vader in zijn verzoeken I. en II. alsook tot afwijzing van de verzoeken van de vader onder III. tot en met V. Daarnaast verzoekt de moeder om de vader ten aanzien van de verzoeken onder I. en II. te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.3
Tijdens de mondelinge behandeling handhaaft de vader zijn verzoeken.
3.4
Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna bij de beoordeling nader worden ingegaan.

4.De beoordeling

Ten aanzien van de verzoeken I. en II. van de vader
4.1
De rechtbank zal, in lijn met het standpunt van de moeder, de vader niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoeken I. en II. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.2
In de onder 2.4. genoemde beschikking van 7 december 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het (echtscheidings)geding onder meer bepaald dat – kort gezegd – de moeder bij uitsluiting van de vader gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de beide kinderen aan moeder zullen worden toevertrouwd.
4.3
Naar de rechtbank begrijpt, beoogt de vader met zijn verzoeken I. en II. nadrukkelijk om de voormelde getroffen voorlopige voorzieningen in de beschikking van 7 december 2023 te wijzigen, in die zin dat de vader voortaan bij uitsluiting van de moeder gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en dat de beide kinderen aan de vader zullen worden toevertrouwd.
4.4
Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van een dergelijk verzoek tot wijziging van eerder getroffen voorlopige voorzieningen, dient allereerst bezien te worden of die voorlopige voorzieningen nog van kracht zijn. Immers, indien en voor zover dat niet meer het geval is, is er (ook) geen sprake meer van een voorlopige voorziening die op grond van artikel 824 lid 2 Rv Pro mogelijkerwijs gewijzigd zou kunnen worden en kan bovendien op grond van het bepaalde in artikel 821 lid 1 Rv Pro ook geen nieuwe voorlopige voorziening worden verzocht.
4.5
Behoudens een aantal uitzonderingen zoals genoemd in artikel 826 lid 1 aanhef Pro en onder a. tot en met c. Rv, verliezen voorlopige voorzieningen op grond van de hoofdregel zoals verwoord in artikel 826 lid 1 aanhef Pro Rv hun kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding of scheiding van tafel en bed is uitgesproken, wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand onderscheidenlijk het huwelijksgoederenregister, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt.
4.6
De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval de (echtscheidings)beschikking van 15 juli 2025 op 5 november 2025 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Gelet daarop en nu gesteld noch gebleken is dat een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 826 lid 1 onder Pro a. tot en met c. Rv zich in het onderhavige geval voordoet, komt de rechtbank tot de conclusie dat de bij beschikking van 7 december 2023 getroffen voorlopige voorzieningen hun kracht hebben verloren en derhalve ook niet (meer) kunnen worden gewijzigd. Daarbij overweegt de rechtbank dat de uitzondering zoals vermeld onder artikel 826 lid 1 aanhef Pro en onder a. zich niet voordoet, nu er in het onderhavige geval geen sprake is van een huurwoning en dat de uitzondering zoals bedoeld in artikel 826 lid 1 aanhef Pro en onder b. zich eveneens niet voordoet, nu er geen sprake is van een gezagsvoorziening die tegelijk met de echtscheiding is uitgesproken.
4.7
Aanvullend hierbij overweegt de rechtbank nog dat de rechtbank in de beschikking 15 juli 2025 een eindbeslissing heeft genomen met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen en met betrekking tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, die niet alleen uitvoerbaar bij voorraad zijn verklaard, maar bovendien inmiddels ook in kracht van gewijsde zijn gegaan doordat er geen hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van 15 juli 2025. Gelet hierop en nu het onderwerp van deze nevenvoorzieningen gelijk is aan het onderwerp van de in de onderhavige procedure verzochte voorlopige voorzieningen, ziet de rechtbank geen grond om in afwijking van de voormelde hoofdregel zoals verwoord in artikel 826 lid 1 Rv Pro aan te nemen dat er sprake is van een situatie waarin de voorlopige voorzieningen (toch) hun kracht hebben behouden omdat er nog geen beslissing is genomen op de nevenverzoeken ter zake dezelfde onderwerpen die in kracht van gewijsde zijn gegaan.
4.8
Kort en goed: het wijzigen van de eerder getroffen voorlopige voorzieningen op grond van artikel 824 Rv Pro dan wel het treffen van een nieuwe voorlopige voorziening op grond van artikel 821 Rv Pro is thans dus niet meer mogelijk. In zoverre is vader zoals gezegd niet-ontvankelijk in zijn verzoeken onder I. en II.
4.9
Voor zover de vader zich op het standpunt stelt dat in dat geval de rechtbank het verzoek – naar de rechtbank begrijpt doelt de vader dan op het verzoek onder I. – dient te verstaan als gegrond op artikel 1:253a BW in een bodemprocedure, volgt de rechtbank de vader daarin niet. Daarbij overweegt de rechtbank dat hetgeen de vader verzoekt onder I. duidelijk geformuleerd is als een verzoek tot wijziging van een voorlopige voorziening en niet als een verzoek strekkend tot een beslissing ten gronde in een bodemprocedure ex artikel 1:253a BW. Indien en voor zover de rechtbank het verzoek van de vader onder I. in de onderhavige procedure desondanks zou behandelen en beoordelen als zijnde een verzoek tot een beslissing ten gronde in een bodemprocedure ex artikel 1:253a BW, dan acht de rechtbank dit verzoek in strijd met een goede procesorde. Daarbij overweegt de rechtbank dat binnen het bestek van de onderhavige voorlopige voorzieningenprocedure, die gericht is op het treffen van ordemaatregelen, geen ruimte is voor een nader onderzoek naar de (juistheid van) de stellingen die de partijen naar voren hebben gebracht. Dit onderzoek zal eventueel in een bodemprocedure ex artikel 1:253a BW moeten plaatsvinden, in welk verband de rechtbank dan zo nodig ter zake advies kan vragen aan de Raad voor de Kinderbescherming.
Ten aanzien van de verzoeken III. tot en met V. van de vader
4.1
De rechtbank acht de vader wel ontvankelijk in zijn verzoeken III. tot en met V.
Daartoe overweegt de rechtbank het navolgende.
4.11
De rechtbank heeft in de beschikking van 15 juli 2025 nog geen definitieve beslissing genomen met betrekking tot de verzochte nevenvoorziening ter zake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna te noemen: de kinderbijdrage) maar slechts een voorlopige kinderbijdrage vastgesteld in afwachting van nog over te leggen financiële gegevens door partijen met daarbij passende draagkrachtberekeningen. In zoverre is er dus nog geen sprake van een eindbeslissing met betrekking tot de betreffende nevenvoorziening die uitvoerbaar bij voorraad is dan wel in kracht van gewijsde is gegaan. Toch dient op basis van de hiervoor genoemde beschikking de vader voorlopig een kinderbijdrage van € 349,50 per maand per kind te betalen. Om die voorlopige kinderbijdrage in de bodemprocedure te doen wijzigen zou de vader in beginsel appel moeten instellen. De rechtbank is van oordeel dat dat te ver gaat nu partijen er belang bij hebben dat slechts gelijktijdig één gerechtelijke instantie oordeelt over kwesties waar partijen het niet met elkaar eens zijn, zoals de hoogte van de kinderbijdrage. Dit is het meest proceseconomisch. Naar het oordeel van de rechtbank maakt dit dat de vader er recht en belang bij heeft om - bij wijze van voorlopige voorziening - een wijziging van de in de beschikking van 15 juli 2025 voorlopig vastgestelde kinderbijdrage te kunnen verzoeken. Daarbij betrekt de rechtbank dat deze voorlopige beslissing in de bodemprocedure immers in beginsel voorrang heeft boven de eerder bij wijze van voorlopige voorziening bepaalde bijdragen. Daarvan uitgaande zal de rechtbank de verzoeken van de vader onder III. tot en V. tevens beschouwen als een verzoek tot wijziging van de bij beschikking van 15 juli 2025 bepaalde voorlopige kinderbijdrage.
4.12
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vader verder voldoende aannemelijk gemaakt dat in lijn met bepaalde in artikel 824 lid 2 Rv Pro, de omstandigheden nà de dagtekening van de meest recente beschikking waarin een voorlopige kinderbijdrage is bepaald – te weten 15 juli 2026 – in zodanige mate zijn gewijzigd dat, alle betrokken belangen in aanmerking genomen, de voorziening niet in stand kan blijven. Daarbij overweegt de rechtbank dat niet in geschil is dat de vader nadien opnieuw vader is geworden met zijn nieuwe partner alsook dat [minderjarige 1] sinds februari 2026 voorlopig geheel bij de vader verblijft en zij sindsdien geen contact meer heeft met de moeder. De rechtbank is van oordeel dat alleen al op grond van deze omstandigheden sprake is van een voldoende relevante wijziging van omstandigheden die nopen tot een hernieuwde beoordeling van de bij beschikking van 15 juli 2025 bepaalde voorlopige kinderbijdrage. Of, en zo ja in hoeverre, deze wijziging van omstandigheden ook daadwerkelijk dient te leiden tot aanpassing van die bijdrage zal hierna worden beoordeeld.
Algemene uitgangspunten
4.13
Nu [minderjarige 1] voorlopig bij de vader verblijft, gaat de rechtbank in het kader van deze procedure er vanuit dat de vader alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] betaalt (naast de verblijfskosten die er zijn gedurende de tijd dat [minderjarige 1] in het kader van de (eventuele) zorgregeling niet bij de moeder is) en dat de moeder alleen de kosten voor haar rekening neemt die samenhangen met het verblijf van [minderjarige 1] bij haar in het kader van de (eventuele) zorgregeling, zijnde de zogenaamde zorgkorting.
4.14
Met betrekking tot [minderjarige 2] stelt de rechtbank vast dat zij voorlopig nog conform de geldende week-om-weekregeling afwisselend bij de vader en de moeder verblijft en dat zij in de BRP staat ingeschreven op het adres van de moeder. Gelet daarop, gaat de rechtbank in het kader van deze procedure er vanuit dat de moeder alle verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 2] betaalt (naast de verblijfskosten die er zijn gedurende de tijd dat [minderjarige 1] in het kader van de geldende week-om-weekregeling niet bij de vader is) en dat de vader alleen de kosten voor zijn rekening neemt die samenhangen met het verblijf van [minderjarige 2] bij hem in het kader van de geldende week-om-weekregeling, zijnde de zogenaamde zorgkorting.
Onderhoudsplicht ten aanzien van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [kind]
4.15
In het onderhavige geval is sprake van een samengesteld gezin aan de zijde van de vader. Gelet op de stellingen van partijen en de door hen overgelegde alimentatie-berekeningen, stelt de rechtbank vast dat tussen hen in het kader van de onderhavige procedure niet in geschil is dat in de gegeven omstandigheden alleen de vader en de moeder onderhoudsplichtig zijn voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en dat alleen de vader en mevrouw [persoon] onderhoudsplichtig zijn voor [kind] .
Eigen aandeel van partijen in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
4.16
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat in het kader van de onderhavige procedure uitgegaan kan worden van een eigen aandeel van partijen in de kosten van de kinderen c.q. een behoefte van de kinderen van € 730,00 per kind per maand zoals becijferd in de voormelde beschikking van 7 december 2023, zijnde geïndexeerd naar 2026 een bedrag van afgerond € 864,00 per kind per maand.
Eigen aandeel van partijen in de kosten van [kind]
4.17
Gelet op de stellingen van partijen en de door hen overgelegde alimentatie-berekeningen, stelt de rechtbank vast dat tussen hen niet in geschil is dat in het kader van de onderhavige procedure uitgegaan kan worden van een eigen aandeel van de vader en mevrouw [persoon] in de kosten van [kind] c.q. een behoefte van [kind] van € 293,00 per maand.
Draagkracht vader
4.18
De rechtbank stelt vast dat na gevoerd debat tijdens de mondelinge behandeling en gehoord hebbend het voorlopig oordeel van de rechtbank, tussen partijen niet in geschil is dat in het kader van de onderhavige procedure in afwachting van een oordeel van de rechtbank ten gronde in de bodemprocedure, bij het bepalen van de draagkracht van de vader c.q. het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vader uitgegaan dient te worden van de door de vader als productie 23 overgelegde salarisspecificaties over de maanden januari 2026 tot en met mei 2026 waaruit blijkt dat hij als directeur-grootaandeelhouder van zijn onderneming (BV) een loon ontvangt van € 4.827,48 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Daarbij is tussen partijen niet in geschil dat dit maandloon in lijn is met het jaarloon zoals vermeld op de door de vader eveneens als productie 23 overgelegde jaaropgave 2025.
4.19
De rechtbank stelt verder vast dat de vader als productie 25 een draagkracht-berekening heeft overgelegd waarin hij op basis van het voormelde loon, zijn NBI becijfert op € 45.361,00 per jaar oftewel € 3.780,00 per maand. Nu de moeder in de door haar als bijlage 5 overgelegde draagkrachtberekening voor de vader uitgaat van eenzelfde NBI van de vader, zal ook de rechtbank daarvan uitgaan.
4.2
Voor zover de moeder in haar draagkrachtberekening voor de vader naast het genoemde NBI ook rekening houdt met een kindgebonden budget (kgb) aan de zijde van de vader, volgt de rechtbank de moeder daarin. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
4.21
Nu [minderjarige 1] voorlopig bij de vader verblijft en de vader inmiddels opnieuw vader is geworden met zijn nieuwe partner, dient – in lijn met hetgeen de moeder in de voormelde door haar overgelegde draagkrachtberekening doet – bij het bepalen van de draagkracht van de vader verder rekening gehouden te worden met het kgb waar hij en zijn nieuwe partner vanaf de ingangsdatum aanspraak op kunnen maken. Daarvan uitgaande had het op de weg van de vader gelegen om zoveel als mogelijk berekeningen van de belastingdienst over te leggen waaruit blijkt hoeveel kgb hij en zijn nieuwe partner op dit moment ontvangen dan wel om bij gebreke daarvan een eigen berekening over te leggen waarin de vader gemotiveerd en onderbouwd met stukken, becijfert tot welk bedrag aan kgb zij in de gegeven persoonlijke en financiële omstandigheden recht hebben. De rechtbank stelt echter vast dat de vader dit heeft verzuimd. Gelet daarop zal de rechtbank ambtshalve de hoogte van het kgb waar de vader en zijn nieuwe partner aanspraak op kunnen maken becijferen, uitgaande van de gegevens die de rechtbank in redelijkheid ter beschikking staan zoals vermeld in de door de vader overgelegde eigen draagkrachtberekening en ervan uitgaande dat de nieuwe partner van de vader geen eigen inkomsten heeft. Dit leidt dan tot een kgb van € 4.500,00 per jaar. De rechtbank zal het voormelde NBI van € 45.361,00 per jaar verhogen met dit kgb, zodat de rechtbank in het kader van de onderhavige procedure aan de zijde van de vader zal uitgaan van een totaal NBI van € 49.861,00 per jaar oftewel € 4.155,00 per maand.
4.22
Uitgaande van genoemd NBI bedraagt de draagkracht van de vader 70% van
[€ 4.155,00 (NBI) – (0,3 x € 4.155,00 (woonbudget) + 1.365 (kosten van levensonderhoud)] = € 1.081,00 afgerond per maand.
4.23
De vader is zoals gezegd niet alleen draagplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] maar ook voor [kind] . Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (bijvoorbeeld HR 13 december 1991, NJ 1992, 178) dient de draagkracht van de vader in dat geval gelijkelijk over alle kinderen te worden verdeeld, tenzij er een aantoonbaar verschil in behoefte bestaat. In dat laatste geval dient de draagkracht naar rato van de behoeftes te worden verdeeld.
4.24
Uit het voorgaande blijkt dat in 2026 de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 864,00 per kind per maand bedraagt, terwijl de behoefte van [kind] € 293,00 per maand bedraagt. De rechtbank is van oordeel dat daarmee sprake is van een aantoonbaar verschil in behoefte, zodat de beschikbare draagkracht van de vader naar rato van de behoefte van de kinderen dient te worden verdeeld:
Kind
Behoefte
Verdeling naar rato van behoefte
Beschikbare draagkracht
[minderjarige 1]
€ 864,00
(€ 864,00 / € 2.021,00) x € 1.081,00
€ 462,00
[minderjarige 2]
€ 864,00
(€ 864,00 / € 2.021,00) x € 1.081,00
€ 462,00
[kind]
€ 293,00
(€ 293,00 / € 2.021,00) x € 1.081,00
€ 157,00
Totaal
€ 2.021,00
€ 1.081,00
Draagkracht mevrouw [persoon]
4.25
Gelet op stellingen van partijen en de door hen overgelegde alimentatieberekeningen, stelt de rechtbank vast dat tussen hen niet in geschil is dat in het kader van de onderhavige procedure ervan kan worden uitgegaan dat mevrouw [persoon] een minimale draagkracht heeft van € 25,00 per maand op basis van de aan haar toegerekende maximale algemene heffingskorting.
Draagkracht moeder
4.26
De rechtbank stelt vast dat na gevoerd debat tijdens de mondelinge behandeling en gehoord hebbend het voorlopig oordeel van de rechtbank, tussen partijen niet in geschil is dat in het kader van de onderhavige procedure, bij het bepalen van de draagkracht van de moeder c.q het NBI van de moeder uitgegaan dient te worden van de door de moeder als bijlage 3 overgelegde betaalspecificaties van het UWV waaruit blijkt dat de moeder een Ziektewetuitkering ontvangt van € 829,10 bruto per week, inclusief vakantiegeld.
4.27
Zoals hiervoor is overwogen, verblijft [minderjarige 2] voorlopig nog conform de geldende week-om-weekregeling afwisselend bij de vader en de moeder en staat zij in de BRP ingeschreven op het adres van de moeder. Gelet daarop dient bij het bepalen van de draagkracht van de moeder verder rekening gehouden te worden met het kindgebonden budget (kgb) waar zij vanaf de ingangsdatum aanspraak op kan maken. Daarvan uitgaande had het op de weg van de moeder gelegen om zoveel als mogelijk berekeningen van de belastingdienst over te leggen waaruit blijkt hoeveel kgb zij op dit moment ontvangt dan wel om bij gebreke daarvan een eigen berekening over te leggen waarin de moeder gemotiveerd en onderbouwd met stukken, becijfert tot welk bedrag aan kgb zij in de gegeven persoonlijke en financiële omstandigheden recht heeft. De rechtbank stelt echter vast dat de moeder dit heeft verzuimd. Gelet daarop zal de rechtbank ambtshalve de hoogte van het kgb waar de moeder aanspraak op kan maken becijferen, uitgaande van de gegevens die de rechtbank in redelijkheid ter beschikking staan zoals vermeld in de door de vader overgelegde draagkrachtberekening van de moeder. Dit leidt dan tot een kgb van € 5.376,00 per jaar.
4.28
Uitgaande van de voormelde inkomensgegevens en rekening houdend met de voor de moeder geldende fiscale heffingskortingen, ervan uitgaande dat zij momenteel een Ziektewetuitkering ontvangt (de algemene heffingskorting), becijfert de rechtbank het NBI van de moeder op € 35.257,00 per jaar oftewel € 2.938,00 per maand.
4.29
Uitgaande van genoemd NBI bedraagt de totale draagkracht van de moeder 70% van
[€ 2.938,00 (NBI) – (0,3 x € 2.938,00 (woonbudget) + 1.365 (levensonderhoud))] = € 484,00 afgerond per maand oftewel € 242,00 per kind per maand.
Draagkrachtvergelijkingen
4.3
Vervolgens zal de rechtbank per kind de draagkracht van de verschillende onderhoudsplichtigen met elkaar vergelijken om te bezien wie welk aandeel in de kosten van dit kind moet voldoen, mits de gezamenlijke draagkracht van de onderhoudsplichtigen voldoende is om in de behoefte te voorzien.
4.31
De vader en mevrouw [persoon] zijn onderhoudsplichtig voor [kind] . De gezamenlijke (beschikbare) draagkracht van de vader en mevrouw [persoon] bedraagt (€ 157,00 + € 25,00 =) € 182,00 per maand. Dit onvoldoende om volledig in de totale behoefte van [kind] te voorzien. Een draagkrachtvergelijking kan dan ook achterwege blijven.
4.32
De vader en de moeder zijn onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De gezamenlijke (beschikbare) draagkracht van de vader en de moeder ieder van de beide kinderen bedraagt (€ 462,00 + € 242,00 =) € 704,00 per maand. Dit is onvoldoende om volledig in de totale behoefte van ieder van de beide kinderen te voorzien van € 864,00 per maand. Een draagkrachtvergelijking kan dan ook achterwege blijven.
Zorgkorting voor [minderjarige 2]
4.33
Nu [minderjarige 2] voorlopig op basis van de huidige week-om-week-regeling afwisselend bij de vader en de moeder verblijft, kan de vader in beginsel aanspraak maken op een zorgkorting van 35%. Dit komt neer op een bedrag van (35% x € 864,00 =) € 302,00 afgerond per maand.
4.34
Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.32. volgt dat er sprake is van een tekort aan beschikbare gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van [minderjarige 2] te voorzien van (€ 864,00 -/- € 704,00 =) € 160,00 per maand. Conform de aanbeveling ter zake in het Rapport Alimentatienormen zal de rechtbank het tekort aan draagkracht gelijk over partijen verdelen, derhalve € 80,00 afgerond voor ieder. Dit betekent dat de vader een zorgkorting kan verzilveren van (€ 302,00 -/- € 80,00 =) € 222,00 per maand. Na aftrek van de zorgkorting bedraagt de door de vader betalen kinderbijdrage voor [minderjarige 2] dan
(€ 462,00 -/- € 222,00 =) € 240,00 per maand.
Zorgkorting [minderjarige 1]
4.35
Niet in geschil is dat [minderjarige 1] voorlopig bij de vader verblijft en er op dit moment geen contact is tussen haar en de moeder. De rechtbank acht dit een zeer zorgelijke situatie en gaat er vooralsnog vanuit dat in het kader van de lopende ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] er naartoe gewerkt zal gaan worden dat het contact weer hervat zal worden. Tegen die achtergrond acht de rechtbank het passend en redelijk dat in het kader van de onderhavige procedure aan de zijde van de moeder in beginsel rekening wordt gehouden met een zorgkorting van 5%, hetgeen neerkomt op een bedrag van (5% x € 864,00 = € 43,00 afgerond per maand.
4.36
Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.32. volgt dat er sprake is van een tekort aan beschikbare gezamenlijke draagkracht van partijen om in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien van (€ 864,00 -/- € 704,00 =) € 160,00 per maand. Nu de helft van dit tekort meer is dan het bedrag van de zorgkorting, kan de moeder haar zorgkorting niet verzilveren. Dit betekent dat de moeder haar voor [minderjarige 1] beschikbare draagkracht van € 242,00 per maand dient aan te wenden om te voorzien in de kosten van haar verzorging en opvoeding.
4.37
De rechtbank verwijst naar de berekeningen in de bijlage bij deze beschikking.
Ingangsdatum
4.38
Nu de in de beschikking van 15 juli 2025 voorlopig vastgestelde kinderbijdrage is geschorst met ingang van 1 maart 2026, zal de rechtbank de laatstgenoemde datum als ingangsdatum hanteren van de bij deze beschikking (nader) te bepalen voorlopige kinderbijdragen.
Conclusie
4.39
Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank de vader gehouden en in staat om een kinderbijdrage aan de moeder te betalen ten behoeve van [minderjarige 2] van € 240,00 per maand. De rechtbank acht de moeder op haar beurt in staat om een kinderbijdrage aan de vader te betalen ten behoeve van [minderjarige 1] van € 242,00 per maand. Daarvan uitgaande zal de rechtbank de verzoeken III. en V. van de vader toewijzen op de wijze zoals hierna onder de beslissing vermeld en het verzoek IV. van de vader afwijzen nu aan de aan dat verzoek verbonden voorwaarde – toevertrouwing van [minderjarige 2] aan de vader – niet is voldaan.
Verrekening achterstallige kinderalimentatie
4.4
De moeder verzoekt – zo begrijpt de rechtbank – om te bepalen dat zij de door haar aan de vader te betalen kinderbijdrage ten behoeve van [minderjarige 1] mag verrekenen met de achterstand die de vader tot 1 maart 2026 – zijnde de datum waarop de kinderbijdrage is geschorst bij voormeld vonnis van 26 maart 2026 – heeft in het betalen van de in de beschikking van 15 juli 2025 voorlopig vastgestelde kinderbijdrage. De rechtbank zal dit verzoek toewijzen. Daarbij overweegt de rechtbank dat de vader niet heeft weersproken dat er sprake is van een achterstand zoals gesteld door de moeder en dat gesteld noch gebleken is dat de verrekening negatief effect zal hebben op het welzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dan wel dat de vader daardoor in een (acute) financiële noodsituatie komt te verkeren.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.41
Een doorkruising van de thans in rechte vastgestelde over en weer te betalen kinderbijdragen, acht de rechtbank niet in het belang van de kinderen, die gebaat zijn bij voorspelbaarheid, continuïteit en stabiliteit wat betreft dit onderwerp dat hun ouders tot nu verdeeld heeft gehouden. Gelet hierop zal de rechtbank deze beschikking dan ook uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
Proceskosten
4.42
Hoewel de rechtbank de vader niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn verzoeken I. en II., ziet de rechtbank daarin geen grond om de vader in de kosten van de onderhavige procedure te veroordelen. Daarbij overweegt de rechtbank dat gelet op de aard en strekking van deze (en de overige) door de vader gedane verzoeken, niet is gebleken van misbruik van procesrecht. Gelet hierop en op het familierechtelijke karakter van de onderhavige procedure, zal de rechtbank de proceskosten op grond van artikel 237 Rv Pro compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
bepaalt dat de vader met ingang van 1 maart 2026 een bedrag van € 240,00 per maand aan de moeder dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2018, voor wat betreft de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.2
bepaalt dat de moeder met ingang van 1 maart 2026 een bedrag van € 242,00 per maand aan de vader dient te voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2010, voor wat de nog niet verschenen termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
5.3
bepaalt dat de moeder de door haar aan de vader te betalen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de [minderjarige 1] mag verrekenen met de achterstand die de vader heeft in de betaling van de kinderbijdragen die hij nog verschuldigd is aan de moeder op basis van de onder 2.7. genoemde beschikking van 15 juli 2025;
5.4
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5
compenseert de kosten van deze procedure aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;
5.6
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Mil, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 juli 2026.
Tegen deze uitspraak staat voor partijen geen hogere voorziening open.