ECLI:NL:RBLIM:2026:6950

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
03.062002.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 138ab Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor afpersing in vereniging en medeplegen computervredebreuk met vrijspraak diefstal valse sleutel

De rechtbank Limburg heeft op 13 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 2005, woonachtig te Maastricht. De verdachte werd beschuldigd van afpersing in vereniging, medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel en medeplegen van computervredebreuk.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte samen met anderen het slachtoffer op 31 januari 2025 heeft afgeperst door middel van geweld en bedreiging, waarbij onder meer een mobiele telefoon en €140 contant geld zijn afgenomen. Tevens werd bewezen verklaard dat verdachte medepleegde in computervredebreuk door onrechtmatig in te loggen op de smartphone van het slachtoffer. De verdachte werd vrijgesproken van medeplegen van diefstal met een valse sleutel, omdat niet kon worden vastgesteld dat hij opzet had op het weggenomen geldbedrag van de bankrekening van het slachtoffer.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 6 maanden op, met aftrek van voorarrest, en wees een schadevergoeding van €3.860 toe aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade. De straf en schadevergoeding weerspiegelen de ernst van de feiten, waaronder de vernederende mishandeling en de impact op het slachtoffer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf voor afpersing en computervredebreuk, vrijgesproken van diefstal met valse sleutel, en veroordeeld tot betaling van €3.860 schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.062002.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 13 juli 2026
In de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2005,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. S.J.F. van Merm, advocaat te Nijmegen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 29 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Het slachtoffer [slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting gehoord mr. P. Boonen. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte steeds samen met een (of meer) ander(en):
Feit 1:op 31 januari 2025 [slachtoffer] heeft afgeperst (primair) dan wel openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] (subsidiair);
Feit 2:op 31 januari 2025 van [slachtoffer] geld heeft gestolen door middel van een valse sleutel;
Feit 3:in de periode van 31 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 op een of meer tijdstippen computervredebreuk heeft gepleegd door (steeds) een onrechtmatig verkregen toegangscode in te voeren in de smartphone en de mobiel bankieren applicatie op de smartphone van [slachtoffer] .

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 en feit 3, met dien verstande dat de verdachte partieel wordt vrijgesproken van het tonen van een mes en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) ten aanzien van feit 1. Ter zake van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het wegnemen van het geld door middel van een valse sleutel, een gezamenlijke uitvoering is geweest tussen de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft het geld van de rekening van aangever naar haar rekening overgemaakt, en het geld vervolgens van haar rekening naar de rekening van de verdachte overgemaakt. Zo heeft de verdachte de beschikking gehad over de volledige buit, alsmede direct de vruchten ervan geplukt, door het geld de dagen erna samen met [medeverdachte] te besteden in Duitsland. Feit 2 en feit 3 vormen een eendaadse samenloop.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de onder feit 2 tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal van geld door middel van een valse sleutel. Ter zake van feit 1 heeft de raadsman verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het tonen van een mes en een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) en het wegnemen van het geldbedrag, wegens onvoldoende bewijs voor deze onderdelen. Ten aanzien van het geldbedrag bevat het dossier enkel de verklaring van de aangever als bewijs, maar deze verklaring is te vaag en onduidelijk, waardoor niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat er contant geld is weggenomen. Tevens heeft de raadsman ter zake van feit 3 verzocht de verdachte partieel vrij te spreken van het inloggen op de mobiel bankieren applicatie.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel (feit 2)
Vrijspraakoverweging
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van diefstal door middel van een valse sleutel. Daartoe verweegt de rechtbank dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte daadwerkelijk opzet had op de diefstal van de € 578,76 en € 10,00 die van de aangever zijn weggenomen. De verdachte heeft verklaard dat hij naar Maastricht is gekomen om de filmpjes van [medeverdachte] , die de aangever op zijn telefoon had, te verwijderen. Met dat doel heeft de verdachte samen met zijn mededaders de aangever afgeperst en is hij wederrechtelijk binnengedrongen in de telefoon van de aangever. Medeverdachte [medeverdachte] heeft vervolgens een paar uren na het incident € 578,76 en € 10,00 overgeboekt van de bankrekening van aangever naar haar eigen bankrekening en vervolgens weer overgeboekt naar de bankrekening van verdachte, maar de verdachte heeft verklaard dat hij geen weet heeft gehad van het feit dat dit geld afkomstig was van de bankrekening van de aangever. Evenmin zijn uit het dossier of het verhandelde ter terechtzitting andere aanknopingspunten gebleken op basis waarvan deze wetenschap kan worden vastgesteld. Gelet hierop kan niet worden bewezen dan de verdachte het geld heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. Dat de verdachte de dagen na het incident samen met [medeverdachte] in Duitsland heeft doorgebracht en dat zij daar (mogelijk) samen het geld hebben besteed, maakt dat oordeel niet anders. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 tenlastegelegde.
Afpersing in vereniging (feit 1 primair) en medeplegen van computervredebreuk (feit 3)
Bewijsmiddelen [1]
Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [2]
Ik heb een aantal jaren geleden contact gekregen met een mevrouw genaamd [medeverdachte] . Ik heb sinds anderhalf jaar geen contact meer met haar gehad. Op 31 januari 2025, omstreeks 02.50 uur, werd ik anoniem gebeld. Ik herkende toen de stem van [medeverdachte] . Ik hoorde toen dat [medeverdachte] zei dat zij in Maastricht was en dat zij graag wilde dat ik haar kwam ophalen. Ze had het namelijk erg koud. Ik had [medeverdachte] toen opgehaald met mijn auto. [medeverdachte] zei dat zij graag een stukje wilde gaan wandelen. Omstreeks 03.00 uur kwamen wij aan bij het park gelegen aan de Stadionweg. Ik parkeerde mijn auto. Wij stapten vervolgens uit en liepen het Geusseltpark in. Op een gegeven moment zag ik dat er een aantal onbekende mannen in onze richting liepen. Ik zag dat deze mannen vanuit de richting van mijn geparkeerde auto kwamen. Ik zag toen dat er vier mannen naar mij toe liepen. Ik zag toen dat er een man zijn jas opende en een houten stok uit zijn binnenzak haalde. Ik zag dat de houten stok ongeveer 50 centimeter groot was. Ik probeerde toen weg te rennen richting mijn auto, maar ik werd vastgepakt door twee andere mannen. Ik hoorde dat de mannen mij uitscholden in de Arabische taal. Ik ben zelf van Syrische afkomst, dus ik herkende de Arabische taal. Toen ik werd vastgepakt voelde ik dat ik door meerdere mannen werd geslagen. Ik zag dat ik met die houten stok in mijn linkerzij werd geslagen. Ik zag en voelde dat ik daarna door meerdere vuistslagen op mijn gehele lichaam werd geslagen. Ik hoorde toen dat een man tegen mij zei dat ik mijn telefoon, een iPhone 14 Pro Max, en mijn portemonnee met daarin mijn bankpassen moest afgeven. Ik zag dat [medeverdachte] naast de mannen stond. Ik zag dat op een gegeven moment een man tegen [medeverdachte] zei, dat zij op mij moest spugen. Ik zag toen ook dat [medeverdachte] dit een keer of vier deed. Ik zag dat [medeverdachte] de mannen niet tegenhield, maar dat zij juist meedeed in het gehele gebeuren. Na enkele seconden zag ik dat de mannen stopten met mij te slaan. Ik zag toen dat er een man een telefoon vasthad en deze naar mij richtte. Ik kreeg toen het gevoel alsof ik gefilmd werd. Ik hoorde toen dat er een man zei dat ik mij moest uitkleden. Ik kleedde mij toen uit. Ik hoorde toen dat een man zei dat ik niet naar de politie moest gaan om dit te melden. Ik hoorde vervolgens dat de mannen wilden dat ik met hen meeliep richting mijn auto. Ik hoorde toen dat een man zei dat ik mijn pincode van de bankpassen moest geven. Ik hoorde dat de man zei dat als ik dat niet zou doen dat ik dan weer geslagen en gestoken zou worden. Ik heb toen mijn pincode gegeven.
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [3]
O: In je eerdere aangifte verklaarde je dat de mannen stopten met slaan en een man een telefoon vasthad en die naar jou richtte.
V: Welke van de vier mannen was dit?
A: Iedereen was het aan het opnemen. [medeverdachte] had een telefoon vast, de vier mannen hadden ook allemaal een eigen telefoon vast.
O: Een andere man zei dat jij je moest uitkleden.
V: Welke man was dat?
A: Allemaal zeiden ze dat.
V: Wat gebeurde erna?
A: Ik moest eigenlijk ook mijn onderbroek uitdoen, maar dat wilde ik niet. Als moslimman mag je nooit je onderbroek uitdoen. Ik zei dat ook en toen mocht ik deze aanhouden. Ze hebben toen gefilmd. Toen moest ik mij snel aankleden. Toen moesten we naar andere plek lopen, richting het water. Daar moest ik me weer helemaal uitkleden. Tijdens het lopen naar deze plek, zeiden de mannen onderling tegen elkaar dat als ik niet zou doen wat hun zeiden, dat ze mij in het water zouden gooien.
O: In je eerdere aangifte zei je dat je met de mannen mee moest lopen naar je auto waar een man tegen je zei dat je de pincode van je bankpassen moest geven.
V: Heb je dat moeten afgeven of is dat afgepakt?
A: Ik heb dat moeten geven. Ik moest alles afgeven wat ik in mijn zakken had. Ik heb de toegangscode van mijn telefoon en de toegangscode van de ING internetbankieren app die op mijn telefoon stond, moeten afgeven.
(..)
A: We liepen naar de auto, ik mocht als bestuurder plaatsnemen in mijn auto, mijn
portier stond open. De vierde man ging voorin naast mij zitten aan de bijrijderskant. De man haalt van alles uit mijn dashboard kastje. In de middenconsole heb ik een grote ruimte liggen. Daar had ik cash liggen.
V: Hoeveel geld lag in de middenconsole?
A: 100,- euro in briefjes van 20. En in mijn portemonnee zat 40,- euro in briefjes van 10. Ik ben in totaal 140,- euro kwijt.
Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [4]
Onder de verdachte [medeverdachte] werd een Apple telefoon in beslag genomen. Door mij, verbalisant [verbalisant] , werd de data van de telefoon onderzocht. In de data werden in de chats drie filmpjes aangetroffen van het incident. Op deze filmpjes zijn diverse personen te zien. Ik herken op de filmpjes de aangever [slachtoffer] en de verdachten [verdachte] en [medeverdachte] . Daarnaast zijn er nog onbekende mannen te zien (NN1, NN2 en NN3).
Film 1:
Vanaf 00:00: Aangever staat in het midden, met om hem heen [verdachte] , NN 1 en NN2. [verdachte] en NN 2 houden aangever bij zijn jas vast. Er wordt gesproken in een voor mij onbekende taal, vermoedelijk Arabisch. Aangever kijkt daarbij af en toe richting de camera.
00:41: Aangever pakt zijn telefoon uit zijn broekzak.
Film 2:
Vanaf 00:00: De verdachten staat nog steeds rondom de aangever.
00:05:NN1 pakt met zijn linkerhand de jas van de aangever vast.
00:16:Verdachte [medeverdachte] trekt de telefoon uit de handen van aangever.
Vanaf 00:31: [verdachte] pakt aangever bij zijn jas en staat dicht op hem. [medeverdachte] komt weer in beeld met een telefoon in haar hand.
Vanaf 00:46[medeverdachte] slaat met haar rechterhand op de linkerzijde van het gelaat van de aangever. Ze slaat hem in totaal vijf keer en gaat een stap naar achteren. Vervolgens slaat ze aangever nogmaals op zijn gelaat.
00:54:NN1 slaat vervolgens met zijn rechterhand op de linkerzijde van het gelaat van de aangever.
00:54:Te zien is dat [verdachte] in zijn rechterhand een houten balk in zijn handen heeft en daarmee aangever slaat op zijn linkerbeen.
01:05:[medeverdachte] slaat aangever drie maal met haar rechterhand op de rechterschouder waarop NN1 haar zacht naar achteren duwt.
Vanaf 01:13Terwijl [verdachte] de aangever nog vast heeft is de houten balk goed te zien.
01:21:Te zien is dat de aangever een rood linker oor en linker wang heeft.
Vanaf 01:25: Aangever heeft een telefoon in zijn handen, maar wordt kort daarna weer door [medeverdachte] uit zijn handen gepakt. Hierna is aangever weer in gesprek met [verdachte] en NN1.
Film 3:
00:15:Aangever wordt geschopt op zijn borst.
Vanaf 01:02: Aangever gaat op zijn knieën zitten. [verdachte] staat tegenover hem en slaat aangever met een platte hand in het linker gelaat.
Vanaf 01:29:[verdachte] heeft een telefoon in zijn handen. Het lijkt dat aangever een code geeft aangezien daar [verdachte] de telefoon opent. [verdachte] is met de telefoon bezig. Er wordt gesproken en aangever kijkt af en toe in de camera.
Vanaf 04:30: NN1 pakt aangever met één hand vast en loopt met hem een stukje verder. Degene die filmt, loopt mee. Om 04.48 uur stoppen ze met lopen en gaat het gesprek verder. NN2 en [verdachte] zijn daar ook bij.
Vanaf 06:53: [verdachte] houdt een telefoon voor de aangever, die vermoedelijk deze ontgrendeld.
De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 29 juni 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben met [medeverdachte] en een paar jongens vanuit Den Helder naar Maastricht gereden. [slachtoffer] heeft video’s van [medeverdachte] en [medeverdachte] en ik wilden dat hij deze deed verwijderen. Ik ben degene met de stok. Ik heb de toegangscode van zijn telefoon ingevuld, want ik wilde die video’s verwijderen.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [5]
V: Wie ken je met de naam [slachtoffer] ?
A: Dat is een jongen die mij ongeveer 3 jaar geleden heeft verkracht en heeft bedreigd met foto's van mij. Hij zei dat als ik niet naar hem zou komen, hij die foto’s zou doorsturen. Ik kon dat niet meer volhouden. Ik was gewoon heel erg boos.
V: Wie heeft de telefoon van [slachtoffer] uiteindelijk gekregen en hoe ging dat?
A: Wij zeiden met zijn allen geef je telefoon nu, met de code.
V: Was dit nadat hij geslagen was met de stok?
A: Ja, hij was eerst geslagen en toen zeiden wij allemaal geef de telefoon en de codes en toen gaf hij die telefoon en codes aan mij.
V: Wat is er die nacht gebeurd waardoor er een naaktvideo van [slachtoffer] gemaakt kon worden?
A: Wij hebben gezegd; “Doe je kleren uit, Want wij gaan jou filmen, hoe jij haar ook gefilmd hebt”. Ik heb letterlijk gespiegeld wat hij mij aangedaan heeft.
M: Hij heeft verder verklaard dat hij onder bedreiging de pincode van de bankpas, toegangscode van zijn telefoon en internetbankieren app moest afgeven.
V: Wat kun je daarop zeggen?
A: Ja, ik heb hem bedreigd, geef het maar nu, Ik zei dat hij dat moest geven. (..) Maar ik heb hem niet geslagen met de stok, misschien wel met mijn tas.
Bewijsoverwegingen
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte, samen met medeverdachte [medeverdachte] en onbekend gebleven derden, de aangever hebben gedwongen tot afgifte van zijn mobiele telefoon en
€ 140,00 contant geld door middel van geweld en bedreiging met geweld zoals tenlastegelegd. Zij hebben gezamenlijk de tenlastegelegde gedragingen uitgevoerd met het doel om de aangever te dwingen tot de afgifte van zijn spullen. Hiermee hebben zij allen een wezenlijke bijdrage geleverd aan de afpersing, zodat zij als medeplegers moeten worden aangemerkt.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank, anders dan de verdediging, bewezen acht dat van de aangever ook € 140,00 contant geld afhandig is gemaakt. De rechtbank heeft namelijk geen reden om aan dit deel van de aangifte van de aangever te twijfelen. Dat de aangever eerst heeft verklaard dat zijn portemonnee met bankpassen is weggenomen, maar zijn portemonnee later heeft teruggevonden in de auto, maakt de verklaring naar het oordeel van de rechtbank niet vaag of onduidelijk, nu dat namelijk niet hoeft te betekenen dat er nimmer geld uit zijn portemonnee is gehaald.
Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte op 31 januari 2025 een mes of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft getoond aan de aangever. De verklaring van de aangever vindt op dit essentiële onderdeel namelijk geen steun in enig ander bewijsmiddel. Daarbij neemt de rechtbank met name in overweging dat op de beelden geen wapen te zien is. De verdachte zal derhalve partieel worden vrijgesproken van dit deel van het tenlastegelegde onder feit 1.
De rechtbank is verder van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] en onbekend gebleven derden computervredebreuk heeft gepleegd, door meermalen met een onrechtmatig verkregen toegangscode in te loggen op de mobiele telefoon van de aangever.
De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte (al dan niet samen met anderen) computervredebreuk heeft gepleegd door in te loggen op de mobiel bankieren applicatie. De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden vastgesteld dat de verdachte zelfstandig toegang heeft gehad tot de mobiel bankieren applicatie op de telefoon van de aangever, wat maakt dat niet kan worden bewezen dat de verdachte deze verfeitelijking heeft gepleegd. Zoals hiervoor overwogen, is medeverdachte [medeverdachte] degene geweest die een paar uren na het incident € 578,76 en € 10,00 heeft overgeboekt van de bankrekening van aangever naar haar eigen bankrekening en vervolgens weer overgeboekt naar de bankrekening van verdachte. Echter, niet kan worden bewezen dat de verdachte wetenschap heeft gehad van het feit dat dit geld afkomstig was van de bankrekening van aangever. Dat de verdachte de dagen na het incident samen met [medeverdachte] in Duitsland heeft doorgebracht en dat zij daar (mogelijk) samen het geld hebben besteed, acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een gezamenlijke uitvoering van computervredebreuk in de zin van medeplegen. Om die reden zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van dit deel van het tenlastegelegde onder feit 3.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair:
op 31 januari 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de Stadionweg en/of het Geusseltpark (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en EUR 140,-, die aan die [slachtoffer] toebehoorden, door meermalen, althans eenmaal:
- die [slachtoffer] vast te pakken, en
- die [slachtoffer] (met een houten stok, met gebalde vuist en met een tas) te slaan, en
- die [slachtoffer] te bespugen, en
- die [slachtoffer] te schoppen/trappen, en
- tegen die [slachtoffer] te zeggen - zakelijk weergegeven - dat die [slachtoffer] zich moest uitkleden en de (toegangs)codes (van zijn mobiele telefoon en internetbankieren) moest geven en dat als hij, die [slachtoffer] , dit niet zou doen hij geslagen, gestoken en in het water gegooid zou worden, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en
- die [slachtoffer] (met een mobiele telefoon) te filmen;
Feit 3:
op 31 januari 2025 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een smartphone (iPhone 14) van [slachtoffer] is binnengedrongen, door meermalen, althans eenmaal, de door hem, verdachte, en zijn mededaders onrechtmatig verkregen toegangscode (van die smartphone) in te voeren.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1 primair:
afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
Feit 3:
medeplegen van computervredebreuk.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gecombineerd met een taakstraf van 200 uren, met aftrek van het voorarrest. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte nog jong is, hij de feiten heeft begaan ingegeven door beschermingsdrang naar zijn toenmalige vriendin en dat de rol van de verdachte ten opzichte van de andere personen relatief beperkt is gebleven.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan de afpersing van slachtoffer [slachtoffer] en heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan computervredebreuk ten aanzien van de telefoon van [slachtoffer] . De verdachte is op 31 januari 2025 met zijn toenmalige vriendin - medeverdachte [medeverdachte] - en een paar andere jongens van Den Helder naar Maastricht afgereisd. Het slachtoffer zou filmpjes van [medeverdachte] hebben, en die moesten verwijderd worden. Midden in de nacht is het slachtoffer naar een afgelegen plek in Maastricht gelokt, alwaar hij door de verdachte, de medeverdachte en de andere jongens is vastgepakt, geschopt, bespuugd en geslagen met een stok, een tas, en met vuistslagen om zo de telefoon en andere spullen van het slachtoffer afhandig te maken. Tevens heeft het slachtoffer zich moeten uitkleden van de daders. De zeer vernederende wijze waarop het slachtoffer is mishandeld, is voor een groot deel op film vastgelegd en de telefoon die van het slachtoffer afhandig is gemaakt, heeft hij nooit meer teruggekregen.
De rechtbank kan er niet omheen dat deze wraakactie, wat de aanleiding ervoor ook is geweest, volstrekt de grenzen te buiten gaat. Wat de verdachte samen met zijn mededaders heeft gedaan, is voor eigen rechter spelen en dat neemt de rechtbank de verdachte buitengewoon kwalijk. Uit de toelichting bij de vordering tot schadevergoeding blijkt dat het slachtoffer niet alleen lichamelijk letsel heeft overgehouden aan het incident. Ook hebben de gedragingen een flinke impact op zijn psychische gesteldheid gehad, waarbij hij het uitkleden, het spugen en het filmen als zeer vernederend heeft ervaren.
Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, past naar het oordeel van de rechtbank geen andere straf dan een gevangenisstraf.
De rechtbank heeft ook gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank ziet een verdachte die nog redelijk jong is en niet eerder voor misdrijven met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank begrijpt ook de negatieve gevolgen van een gevangenisstraf voor de verdachte, maar kan haar ogen niet sluiten voor de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding om af te wijken van de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf.
Gelet op de straffen die in enigszins vergelijkbare zaken worden opgelegd, maar tevens meewegend dat een strafoplegging in deze zaak dient als signaal naar de maatschappij dat eigenrichting geen plaats heeft in onze samenleving en rechtssysteem, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor een programma dat de verdachte helpt terug te keren in de maatschappij (penitentiair programma).

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert ten aanzien van feit 1 primair schadevergoeding tot een bedrag van € 4.448,76, en vordert tevens deze schade hoofdelijk toe te wijzen. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
telefoon: € 720,00;
gestolen geld: € 728,76;
immateriële schade: € 3.000,00.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met hoofdelijke oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om het gestolen geld (post b) niet-ontvankelijk te verklaren, gelet op de bepleite (partiële) vrijspraken van feit 1 en feit 2. De raadsman heeft verder verzocht om de immateriële schade (post c) vast te stellen op € 2.000,00, gelet op het feit dat categorie 19.1 onder b ‘ernstig’ van de Rotterdamse schaal een bedrag
tot€ 3.000,00 noemt. De raadsman heeft tevens aansluiting gezocht bij een aantal vergelijkbare zaken uit de Smartengeldgids.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Materiële schade (posten a en b)
Het gedeelte van de vordering dat ziet op de telefoon (post a, € 720,00) is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. De verdediging heeft uitdrukkelijk gesteld dat de verdachte bereid is om deze schade te vergoeden, mits hoofdelijke toewijzing volgt. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met de onder feit 1 primair bewezen verklaarde afpersing in vereniging. De rechtbank wijst dit deel van de vordering daarom toe.
De benadeelde partij heeft daarnaast het gestolen geld (post b, € 728,76) gevorderd als materiële schade. Het geldbedrag van € 728,76 is opgebouwd uit € 140,00 contant geld en
€ 578,76 en € 10,00 dat zou zijn weggenomen van de bankrekening van de benadeelde. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de
€ 140,00 contant geld schade is die in rechtstreeks verband staat tot de onder feit 1 primair bewezen verklaarde afpersing in vereniging. De rechtbank wijst dit deel van de vordering dan ook toe.
De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het overige gedeelte van de vordering, namelijk de gevorderde € 578,76 en € 10,00, nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de gedragingen waarop deze schade ziet, namelijk de aan verdachte onder feit 2 tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal met een valse sleutel, en het aan hem onder feit 3 tenlastegelegde inloggen op de internet bankieren app.
Immateriële schade (post c)
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Daarnaast heeft de benadeelde partij aangevoerd dat hij nadelige (psychische) gevolgen heeft ondervonden van de bewezenverklaarde afpersing in vereniging, gepleegd door de verdachte en zijn mededaders. Naar het oordeel van de rechtbank brengt de aard en de ernst van de normschending door de verdachte mee dat de relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze dan door lichamelijk letsel of aantasting in zijn eer of goede naam. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank heeft acht geslagen op de toelichting bij categorie 19.1 onder b van de Rotterdamse schaal. Tot deze categorie behoort onder meer het planmatig overvallen, waarbij de benadeelde naar een locatie wordt gelokt of wordt overvallen met een zeer manipulatief karakter. Tevens valt onder de genoemde categorie een straatroof met meerdere daders. Bij categorie 19.1 onder b hoort een bedrag tot € 3.000,00. Gelet op het voorgaande en de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe.
Hoofdelijkheid
Omdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met andere daders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor hoofdelijk aansprakelijk. Voor zover (een van) de mededader(s) een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
De rechtbank zal het schadebedrag vaststellen op een totaalbedrag van € 3.860,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag te rekenen vanaf 31 januari 2025, en dit bedrag hoofdelijk toewijzen. De rechtbank zal voor dit bedrag tevens hoofdelijk de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 63, 138ab en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van feit 2;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
  • veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel (feit 1 primair)
- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij, van een bedrag van
€ 3.860,00, bestaande uit
€ 860,00materiële schade (post a en een deel van post b) en
€ 3.000,00immateriële schade (post c), te vermeerderen met de
wettelijke rentevanaf 31 januari 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
  • bepaalt dat de benadeelde partij wat betreft het overige deel van post b van de materiële schade, niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte hoofdelijk op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] , van een bedrag van
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
  • bepaalt dat indien en voor zover de verdachte en/of zijn mededaders aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en
mr. dr. D.L.F. de Vocht, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 13 juli 2026.
Buiten staat
Mr. dr. D.L.F. de Vocht is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1 primair:
hij, op of omstreeks 31 januari 2025 in de gemeente Maastricht, op de openbare weg, de Stadionweg en/of het Geusseltpark (te Maastricht), in ieder geval een openbare weg,
tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of EUR 140,-, althans een hoeveelheid cash geld, in elk geval enig(e) goed(eren) en/of geld, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n),
door meermalen, althans eenmaal:
- die [slachtoffer] vast te pakken, en/of
- die [slachtoffer] (met een houten stok, met gebalde vuist en/of met een tas) te slaan, en/of
- die [slachtoffer] te bespugen, en/of
- die [slachtoffer] te schoppen/trappen, en/of
- aan die [slachtoffer] een mes en/of een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) te tonen, en/of
- tegen die [slachtoffer] te zeggen - zakelijk weergegeven - dat die [slachtoffer] zich moest uitkleden en/of de (toegangs)codes (van zijn mobiele telefoon en/of internetbankieren) moest geven en/of dat als hij, die [slachtoffer] , dit niet zou doen hij geslagen, gestoken en/of in het water gegooid zou worden, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of
- die [slachtoffer] (met een mobiele telefoon) te filmen;
Feit 2:
hij, op een (of meer) tijdstip(pen), op of omstreeks 31 januari 2025 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, en/of Kassel, althans in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,
EUR 578,76, en/of EUR 10,-, in elk geval een (of meer) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door gelden over te boeken vanaf de bankrekening van die [slachtoffer] door middel van de mobiele telefoon van die [slachtoffer] met daarop de mobiel bankieren app (voorzien van pin- en/of toegangcodes), waartoe verdachte en/of zijn mededader(s) niet gerechtigd was/waren;
Feit 3:
hij, op een (of meer) tijdstip(pen), in of omstreeks de periode van 31 januari 2025 tot en met 3 februari 2025 in de gemeente Maastricht, althans in Nederland, en/of Kassel, althans in Duitsland,
tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen,
opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een smartphone (iPhone 14) van [slachtoffer] en/of de (web)servers van de ABN AMRO bank met daarop het bankaccount van [slachtoffer] is binnengedrongen,
door meermalen, althans eenmaal, de door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) onrechtmatig verkregen toegangscode (van die smartphone en/of mobiel bankieren applicatie) in te voeren.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025016272/PLOPPER, gesloten op 18 maart 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 222.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] van 31 januari 2025, pg. 12-14.
3.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever van 1 februari 2025, pg. 37-39.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 12 maart 2025, pg. 131-138.
5.Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] , van 26 februari 2025, pg. 173-174.