ECLI:NL:RBLIM:2026:6951

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
14 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352756 / HA RK 26-98
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
  • mr. Kleijkers
  • mr. Roeffen
  • mr. Peters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter-commissaris wegens vermeende partijdigheid

Verzoekers hebben de rechter-commissaris in twee strafzaken gewraakt vanwege vermeende partijdigheid tijdens het verhoor van een getuige. Zij stelden dat de rechter-commissaris met suggestieve en sturende vragen de getuige beïnvloedde en daarmee haar neutraliteit verloor.

De rechter-commissaris berustte niet in het wrakingsverzoek, hoewel er aanvankelijk sprake leek van een miscommunicatie over berusting. De wrakingskamer oordeelde dat berusting niet had plaatsgevonden omdat de rechter-commissaris slechts bereid was te berusten onder de voorwaarde dat een andere rechter-commissaris beschikbaar was, wat niet het geval was.

De wrakingskamer beoordeelde vervolgens of er sprake was van daadwerkelijke of schijnbare partijdigheid. Uit het proces-verbaal en de toelichtingen bleek dat het stellen van kritische en confronterende vragen door de rechter-commissaris niet gelijkstaat aan vooringenomenheid. Ook het weigeren van een proces-verbaal van meineed vormt geen grond voor wraking.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid bestond en wees het wrakingsverzoek af. De beslissing werd op 16 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door mr. Kleijkers, mr. Roeffen en mr. Peters.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter-commissaris wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Zittingsplaats Roermond
Wrakingskamer
Zaaknummer / rekestnummer: C/03/352756 / HA RK 26-98
Beslissing van de meervoudige kamer belast met de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek van

1.[verzoeker 1] ,

verzoeker,
advocaat: mr. G.L.P. Biesmans,
2. [verzoeker 2],
verzoeker,
advocaat: mr. I. Azarkan,
hierna samen te noemen: verzoekers.

1.De procedure

1.1.
Blijkens het proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] van 28 mei 2026 hebben verzoekers in de zaken met parketnummers 03.100354.25 en 03.070469.25
mr. Wapenaar, rechter-commissaris in de rechtbank Limburg (hierna: de rechter), gewraakt.
1.2.
De rechter heeft een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingediend en daarin aangegeven dat zij niet in de wraking berust.
1.3.
Mr. Azarkan heeft op 2 juli 2026 een schriftelijk stuk ingediend en laten weten verhinderd te zijn voor de mondelinge behandeling.
1.4.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek op 2 juli 2026 behandeld.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
  • mr. Biesmans,
  • de rechter,
  • mr. J.P.P. Silvrants, officier van justitie
1.5.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
In voormeld proces-verbaal is over het wrakingsverzoek opgenomen:
“Wij gaan u wraken. Dit verzoek komt ook namens de advocaat van [verzoeker 2] . We hebben overleg gevoerd. Ik wil dit nader toelichten.
U bent de rechter-commissaris, de onderzoeksrechter in België, dat betekent dat u aan waarheidsvinding doet en neutrale vragen stelt. Wat ons betreft is deze grens overschreden,
een aantal keren.
Een voorbeeld hiervan: Op pagina 3 waar u vroeg naar het contact met [verzoeker 2] . De getuige zei ‘wat moet hij zeggen’ en u zegt dan: nou als je morgen iets vertelt wat in mijn nadeel is... Meneer [persoon 1] zegt dat het niet gezegd is geworden. Dit is een suggestie die aan uw kant gewekt wordt.
U zegt ook dat het wel heel toevallig is dat de getuige op de plekken komt waar afgesproken zou zijn. Dat is geen vraag, maar een oordeel.
Op pagina 4: zegt u ‘ik kan mij voorstellen dat ze u wel eens uw jas hebben getrokken’. Dit is geen directe vraag, maar een stelling over het gedrag van de verdachten.
U zegt vervolgens, heeft u ook vaker gedaan en vaker dan in het proces-verbaal is opgenomen, dat de getuige onder ede staat. U zegt: Ik wijs erop dat hij onder ede staat en niets hoeft te zeggen. Hij heeft geen verschoningsrecht en moet antwoord geven.
Op pagina 6: de getuige heeft vaker gezegd dat hij boodschappen deed voor [persoon 2] . U presenteert de verklaring van [persoon 2] als een vaststaand feit en u vraagt hem vervolgens of hij bij het boodschappenverhaal blijft. U had ook kunnen zeggen; blijft u
bij uw verklaring. Met andere woorden: u gelooft hem niet.”
2.2.
Ter zitting heeft mr. Biesmans nog toegelicht dat de rechter (indien zij vindt dat de getuige niet de waarheid spreekt) een proces-verbaal van meineed had moeten opmaken, omdat voormeld proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] van 28 mei 2026 nadelig is voor haar cliënt in de strafzaak. De rechter heeft tijdens het verhoor geen open vragen gesteld. Door de wijze waarop de rechter de vragen heeft gesteld, is de getuige beïnvloed. Mr. Biesmans kreeg de indruk dat de rechter aan bewijswaardering deed.
Mr. Biesmans wijst erop dat het om het patroon van opmerkingen van de rechter ging.
Mr. Azarkan heeft in zijn schriftelijk stuk ook verwezen naar het patroon van opmerkingen van de rechter en dat het geen taak van de rechter-commissaris is om aan bewijswaardering te doen. De rechter-commissaris dient verhoorvragen te stellen.
Mr. Azarkan wijst erop dat de kern van het wrakingsverzoek is gelegen in één specifieke formulering. Te weten: nadat de getuige had verklaard verdachte [verzoeker 2] de avond tevoren op de luchtplaats te hebben ontmoet, vulde de rechter voor de getuige in hoe dat gesprek mogelijk had plaatsgevonden. De rechter zei: “Nou bijvoorbeeld dat als je morgen iets vertelt dat in mijn nadeel is…” De rechter formuleert een scenario waarbij [verzoeker 2] de getuige impliciet heeft gewaarschuwd: als je morgen belastend over mij verklaart, zal dat gevolgen hebben. De rechter presenteert dit als een aannemelijk voorbeeld van wat er op de luchtplaats besproken kan zijn. Daarmee geeft zij een inhoudelijk oordeel over de intenties van verdachte [verzoeker 2] : zij schetst hem als iemand die getuigen beïnvloedt, terwijl dat op dat moment geenszins was vastgesteld. Een rechter-commissaris die aan het begin van een verhoor op deze wijze de rol van de verdachte invult, heeft in dat opzicht al een standpunt ingenomen over diens aard en gedrag. Dat is met objectieve neutraliteit niet te verenigen.

3.De beoordeling

Berusting?
3.1.
Tijdens de behandeling van het wrakingsverzoek is de vraag aan de orde gekomen of de rechter meteen nadat het wrakingsverzoek was ingediend al dan niet heeft berust in de wraking.
3.2.
De wrakingskamer stelt voorop dat voor berusting noodzakelijk is dat aan de om wraking verzoekende partij ondubbelzinnig blijkt van de wil van de rechter om zich bij het wrakingsverzoek neer te leggen. Berusting is een eenzijdige gerichte rechtshandeling. De rechter zal een verklaring betreffende zijn berusting moeten richten tot de partij die wraking heeft verzocht.
3.3.
De wrakingkamer oordeelt hierover als volgt. Mr. Biesmans heeft uit de woorden van de rechter begrepen dat zij zou berusten, terwijl de rechter dat naar eigen zeggen niet heeft bedoeld en ook niet, althans niet onvoorwaardelijk heeft gezegd. Wellicht hebben de woorden van de rechter voor verwarring gezorgd doordat zij, zoals zij ter zitting heeft verklaard, uit praktische overwegingen bereid was te berusten, maar alleen als er op dat moment een andere rechter-commissaris beschikbaar was om de verhoren in de zaak MOKER voort te zetten, hetgeen niet het geval was. Nu de lezing van de rechter door de officier van justitie wordt bevestigd gaat de wrakingskamer er vanuit dat er sprake is geweest van miscommunicatie en dat de rechter niet in de wraking heeft berust.
Inhoudelijk
3.4.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of de rechter partijdig is of dat zij die indruk bij verzoekers heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoekers, maar moet ‘geobjectiveerd’ zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoekers op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn aanstelling als rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als sprake is van een uitzonderlijke omstandigheid, waaruit kan worden afgeleid dat zij vooringenomen is.
3.5.
De wrakingskamer kan, gelet op het proces-verbaal van verhoor van getuige [persoon 1] van 28 mei 2026 – meer specifiek de passages waarnaar verzoekers expliciet verwijzen, zoals onder punt 2 is vermeld – en de door de advocaten gegeven toelichting,
nietvaststellen dat er sprake is van een (schijn van) partijdigheid van de rechter en ziet in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ook geen aanwijzingen voor een objectief gerechtvaardigde vrees hiervoor. Het is de taak van de rechter-commissaris om getuigen kritisch te ondervragen en te confronteren met verklaringen van andere getuigen, met name als die afwijken van hetgeen de getuige verklaart. Dat de rechter-commissaris daarbij soms prikkelende vragen stelt maakt niet dat zij zich daarmee vooringenomen jegens verzoekers toont. Voor zover het wrakingsverzoek is ingegeven door de kennelijk tijdens het verhoor bij verzoekers ontstane indruk dat de rechter weigerachtig is een proces-verbaal van meineed te doen opstellen, overweegt de wrakingskamer dat een dergelijk procedurele beslissing nooit een grond voor wraking kan vormen; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. In de wrakingsprocedure wordt niet beoordeeld of proces-beslissingen juist zijn. Dergelijke procesbeslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, als deze op zich of in onderlinge samenhang bezien, of in samenhang met het verdere optreden van de rechter, een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen. Ook de motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien het zou gaan om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of het ontbreken van een motivering. Dit is alleen anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. Hiervan is in dit geval niet gebleken. De wrakingskamer zal daarom het verzoek afwijzen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
wijst het wrakingsverzoek af.
Deze beslissing is gegeven door mr. Kleijkers voorzitter, mr. Roeffen en
mr. Peters, leden, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.