ECLI:NL:RBLIM:2026:7017

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
03.263758.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor voorbereidingshandelingen productie amfetamine door woning ter beschikking te stellen

Op 25 september 2025 werd in de garage van de verdachte een drugslaboratorium voor amfetamine aangetroffen, evenals goederen voor hennepteelt op zolder. De verdachte bekende dat hij zijn garage tegen vergoeding ter beschikking had gesteld, maar ontkende verdere betrokkenheid bij het drugslab. De rechtbank oordeelde dat de verdachte onvoldoende intellectuele of materiële bijdrage had geleverd voor medeplegen van amfetamineproductie en sprak hem vrij van het primair tenlastegelegde en het feit van voorbereidingshandelingen voor hennepteelt.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte door het ter beschikking stellen van ruimtes voorbereidingshandelingen voor amfetamineproductie heeft verricht. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 6 maanden op, waarvan 5 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en stelde bijzondere voorwaarden zoals meldplicht bij reclassering, diagnostiek, controle op middelengebruik, dagbesteding en aflossing van schulden.

Daarnaast werd de maatregel kostenvergoeding opgelegd voor de helft van de ontmantelingskosten van het drugslab, € 13.507,37, en werd de in beslag genomen aanhanger verbeurd verklaard. De voorlopige hechtenis werd opgeheven. De rechtbank hield rekening met de passieve rol van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een laag tot laaggemiddeld recidiverisico.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden en maatregel kostenvergoeding voor voorbereidingshandelingen productie amfetamine.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.263758.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 14 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1980,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 juni 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummers 03.252954.25 en 03.293215.25), [medeverdachte 2] (parketnummer 03.252869.25) en [medeverdachte 3] (parketnummer 03.178778.25).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, na wijziging, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 25 september 2025 te Baexem:
Feit 1:samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine door daartoe bestemde voorwerpen voorhanden te hebben (
primair), dan wel dat hij dit als pleger heeft gedaan door ruimtes van zijn woning ter beschikking te stellen aan anderen (
subsidiair);
Feit 2:voorbereidingshandelingen heeft verricht voor hennepteelt door daartoe bestemde voorwerpen voorhanden te hebben.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten (bij feit 1 het primair tenlastegelegde). Daartoe heeft hij voor feit 1 aangevoerd dat de verdachte wetenschap had van de productielocatie en er ook toegang tot had. De rol van de verdachte was cruciaal en substantieel, want zonder de woning van de verdachte was er geen productielocatie geweest.
Betreffende feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de verdachte het voorhanden hebben van die voorwerpen heeft bekend en er voldoende ondersteunend bewijs in het dossier is voor deze bekennende verklaring.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde onder feit 1 en het tenlastegelegde onder feit 2. Daartoe heeft hij wat betreft het primaire feit 1 aangevoerd dat de verdachte de tenlastegelegde goederen niet voorhanden heeft gehad. Uit de door de verdediging overgelegde berichten volgt ook dat de verdachte heeft gevraagd om de spullen van het drugslab weg te halen en dat hij verder niet betrokken was bij het drugslab. Bovendien heeft de raadsman erop gewezen dat het niet mogelijk is dat de jerrycans in de kelder zijn aangetroffen. De raadsman heeft betoogd dat deze jerrycans in de garage moeten zijn aangetroffen.
Wat betreft de vrijspraak van feit 2 heeft de raadsman onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd dat niet de aard en technische geschiktheid van de goederen om een bepaald delict te plegen beslissend is, maar het uiteindelijke doel waarvoor ze bedoeld zijn, waarbij uit de verklaring van de verdachte volgt dat de aangetroffen goederen in casu niet bedoeld waren voor een nieuwe hennepteelt.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De vrijspraakoverwegingen:
Op 25 september 2025 is door verbalisanten bij het binnentreden aan de [adres 2] te Baexem in de aan de woning van de verdachte vastzittende garage een niet in werking zijnde en een deels ontmanteld drugslaboratorium aangetroffen. Tevens werden er achter een holle wand die was afgewerkt met gipsplaten en op een gipsplaten plafond, beide op de zolder van de woning, diverse goederen aangetroffen ten behoeve van de hennepteelt, zoals assimilatielampen, box-ventilatoren, voedingsmiddelen, voorschakeleenheden, koolstoffilters, lucht-afzuigslangen en een schakelbord. De vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet is of de verdachte door deze goederen voorhanden te hebben zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de productie van synthetische drugs (feit 1 primair) en/of het plegen van voorbereidingshandelingen voor softdrugs (feit 2).
Vrijspraak feit 1 primair
De verdachte heeft bekend dat hij van het drugslab in zijn garage afwist. Hij heeft zijn garage in ruil voor een vergoeding ter beschikking gesteld aan een kennis, maar heeft zich naar eigen zeggen verder niet bemoeid met de opbouw of productie van dit lab. Het dossier bevat ook geen aanwijzingen dat de verdachte zich hier wel mee zou hebben beziggehouden.
Het kerncriterium van medeplegen is de bewuste en nauwe samenwerking, waarbij de bijdrage van de verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Het medeplegen kan bestaan uit twee modaliteiten (die zich ook in combinatie met elkaar kunnen voordoen), te weten: een gezamenlijke uitvoering van het strafbare feit dan wel gedragingen die ‘voor, tijdens of na’ het strafbare feit hebben plaatsgevonden. In beide modaliteiten moet het gaan om intellectuele en/of materiële bijdragen van voldoende gewicht. Daarvan is geen sprake als uit de bewijsmiddelen enkel blijkt dat de verdachte aanwezig is geweest ten tijde van de verwezenlijking van het delict, maar geen enkele uitvoeringshandeling heeft verricht en zich daarvan niet heeft gedistantieerd.
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier de bijdrage van de verdachte, zoals hierboven beschreven, onvoldoende blijkt om te spreken van zodanig gewicht, dat moet worden gesproken van het medeplegen van het vervaardigen van amfetamine door daartoe bestemde goederen voorhanden te hebben. Hij heeft enkel een deel van zijn woning ter beschikking gesteld, waarbij niet is komen vast te staan dat hij verdergaande betrokkenheid had bij het opgerichte drugslaboratorium. De verdachte zal dan ook van het onder feit 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Vrijspraak feit 2
Dat voornoemde goederen, die zijn aangetroffen in de woning van de verdachte, gebruikt zijn bij de kweek van hennep blijkt uit de aard van die goederen en zijn eigen verklaring.
De verdachte heeft verklaard dat hij zelf een hennepkwekerij heeft opgezet, dat dit niks opleverde, dat hij vanwege de aard van de goederen deze niet zomaar naar een afvalverwerker kon brengen en hij ze daarom op zolder had verstopt.
De rechtbank acht de verklaring van de verdachte niet op voorhand ongeloofwaardig of onaannemelijk en zal daar bij de feitenvaststelling vanuit gaan.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het voorhanden hebben van deze goederen maakt dat daarmee ook sprake is van voorbereidingshandelingen voor de kweek van hennep. Daarvoor is vereist dat de goederen daar weer voor gebruikt gaan worden. De rechtbank kan dat, gezien de verklaring van de verdachte, de staat waarin de goederen verkeerde en de omstandigheden waaronder deze zijn aangetroffen, niet wettig en overtuigend bewezen verklaren. De verdachte zal dan ook van het tenlastegelegde onder feit 2 worden vrijgesproken.
De bewijsoverweging:
De rechtbank acht wel bewezen dat de verdachte door ruimtes van zijn woning ter beschikking te stellen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor het bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van amfetamine. Omdat de verdachte dit feit (het subsidiaire onder feit 1) heeft bekend en door of namens hem geen integrale vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
- het proces-verbaal van de LFO omtrent de bestelbus met de aanhangwagen; [2]
- het proces-verbaal van de LFO betreffende de garage en de aanhanger. [3]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1 subsidiair:
op 25 september 2025, in Baexem, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten het (telkens) opzettelijk
bereiden, bewerken, verwerken en/of vervaardigen, van een hoeveelhe(i)d(en) amfetamine, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, een of meer ander(en) gelegenheid en middelen tot het plegen van dat/die feit(en) getracht te verschaffen, te weten door een of meer ruimtes van zijn garage, tuin, oprit en/of aanhanger als (opslag/productie)locatie ter beschikking te stellen, waarvan hij wist dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
T.a.v. feit 1 subsidiair:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, anderen gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden. Daarnaast heeft hij gevorderd de verdachte de maatregel kostenverhaal op te leggen als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van € 27.014,73.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 134 dagen voorwaardelijk en de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn voorgesteld, het meest passend is. De verdachte heeft zijn leven eindelijk op de rit en de oplegging van een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, zoals geëist door de officier van justitie, zou ervoor zorgen dat zijn leven weer ontregeld wordt.
Met betrekking tot de maatregel kostenverhaal heeft de raadsman verzocht om deze af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien een overzicht ontbreekt waarin de verschillende kosten worden gespecificeerd. In de stukken van Seon is alleen terug te vinden wat de kosten zijn geweest om het gehele lab te ontmantelen. De verdachte zou niet moeten opdraaien voor de gehele kosten, aangezien het niet zijn drugslab is.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich op 25 september 2025 schuldig gemaakt aan voorbereidings-handelingen voor het bereiden, bewerken, verwerken en vervaardigen van amfetamine. Hij heeft de garage van zijn woning ter beschikking gesteld voor de productie van harddrugs tegen de belofte van betaling van een geldbedrag.
De verdachte heeft zich begeven op het terrein van de productie en handel in synthetische drugs. De productie van en handel in synthetische drugs gaan gepaard met vele vormen van ernstige criminaliteit en dit heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van synthetische drugs schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden met alle gevolgen van dien. Ook gaat de productie van synthetische drugs gepaard met de illegale lozing van drugsafval, hetgeen grote schade aan het milieu toebrengt en tot hoge kosten leidt bij de sanering daarvan. Drugscriminaliteit leidt tot ondermijning, waarbij de grens tussen de onderwereld en de bovenwereld vervaagt doordat grote hoeveelheden crimineel geld via witwassen en legale bedrijven de maatschappij in worden gepompt. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze kwalijke gevolgen, maar heeft slechts uit winstbejag gehandeld.
Bij haar oordeel over de op te leggen straf weegt de rechtbank mee dat is gebleken dat de verdachte een passieve rol heeft gehad. Het is de rechtbank uit het dossier niet gebleken dat de verdachte een grotere rol had. De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat uit het dossier evenmin is gebleken dat de verdachte verder betrokken is geweest bij de daadwerkelijke productie van de drugs.
De rechtbank komt tot een andere bewezenverklaring dan door de officier van justitie gerekwireerd. Voorts heeft de rechtbank bij het bepalen van de aard en de duur van de strafoplegging naast de ernst van de feiten ook acht geslagen op de persoon van de verdachte. De verdachte is blijkens zijn strafblad recentelijk niet meer veroordeeld voor een Opiumwetdelict. De verdere persoonlijke omstandigheden van de verdachte blijken uit het reclasseringsrapport van 26 juni 2026, waarin staat beschreven dat de verdachte vaker is gevlucht van zijn stress en problemen door zich te storten op het werk, drugs en/of seks. De delict gerelateerde factoren zijn met name het psychosociaal functioneren en zijn sociaal netwerk, waarbij het laatste tegenwoordig beter op orde lijkt. De reclassering schat de kans op recidive in als laag tot laaggemiddeld.
Naar aanleiding van deze bevindingen, is naar het oordeel van de rechtbank naast een onvoorwaardelijke straf ook een voorwaardelijk strafdeel van wezenlijk belang. Op deze manier wordt zowel gewerkt aan een positieve gedragsverandering bij de verdachte en komt er een stok achter de deur met als doel om hem in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 6 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zal hierop in mindering worden gebracht. Daarbij zal de rechtbank de hierna in de beslissing genoemde bijzondere voorwaarden opleggen. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf aan de verdachte opleggen voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.
Opheffing voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen met ingang van heden.
Maatregel kostenverhaal
De maatregel van artikel 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met het voorwerp. Dit uitgangspunt geldt volgens de wetgever voor zowel degenen die de betreffende gedraging hebben geïnitieerd als voor degenen die hierbij behulpzaam zijn geweest.
De rechtbank stelt vast dat aan voornoemde vereisten voor oplegging van de maatregel is voldaan. De verdachte wordt veroordeeld voor een van de feiten genoemd in lid 1, aanhef, van artikel 13d van de Opiumwet. In de garage van de verdachte waren voorwerpen aanwezig die een ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid, de verdachte heeft afstand gedaan van deze voorwerpen en de Staat heeft kosten gemaakt voor vernietiging daarvan.
Uit de factuur van Seon gedateerd op 20 oktober 2025 volgt dat voor de ontmanteling van de productielocatie, inclusief afvoer ter vernietiging van de chemicaliën, het restafval en de hardware, kosten zijn gemaakt tot een bedrag van € 27.014,73.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de wetgever uitdrukkelijk niet heeft voorzien om de maatregel hoofdelijk op te leggen. Nu uit het dossier volgt dat de verdachte niet de enige is die verantwoordelijk is voor de opruimingskosten van het drugslab, maar hier (op zijn minst) nog een andere persoon voor verantwoordelijk kan worden gehouden, ziet de rechtbank aanleiding om de verdachte te veroordelen tot betaling van slechts de helft van de gemaakte kosten. De rechtbank zal daarom aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling van € 13.507,37 aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet.
De rechtbank zal bij het opleggen van de maatregel met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ook de duur van de gijzeling bepalen. Bij het bepalen van de duur wordt overeenkomstig de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting voor elke volle
€ 100,- van het opgelegde bedrag niet meer dan één dag gerekend. Als het bedrag van
€ 13.507,37 niet wordt betaald, kunnen derhalve 135 dagen gijzeling worden toegepast, zonder dat daardoor de betalingsverplichting van de verdachte vervalt.

7.Het beslag

De rechtbank zal, conform de vordering van de officier van justitie, gelasten dat de in beslag genomen aanhanger verbeurd wordt verklaard, omdat het bewezenverklaarde feit met betrekking tot dit voorwerp is begaan.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10a en 13d van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het primair tenlastegelegde onder feit 1 en het tenlastegelegde onder feit 2;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
  • stelt de volgende
a.
Meldplicht bij reclassering
De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor
de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Leger des Heils Reclassering op telefoonnummer 088-0901140. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;
Diagnostiek en de eventuele ambulante behandeling die daaruit wordt geadviseerd
De veroordeelde wordt gezien zijn vermoedelijke, delictgerelateerde psychische problematiek verplicht mee te werken aan een intake en aan een eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling voor die problematiek, door een door de reclassering nader aan te wijzen ggz-instelling. De eventuele behandeling start er een behandelplaats beschikbaar is voor betrokkene. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
Controle op middelengebruik
De veroordeelde werkte gedurende de proeftijd mee aan controles op middelengebruik. Het doel hiervan is zicht krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk
controlemiddel wordt gecontroleerd;
Dagbesteding
De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
Aflossing schulden
De veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden;
  • geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
  • voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
  • veroordeelt de veroordeelde tevens tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;
Maatregel kostenvergoeding
  • legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter vergoeding van kosten als bedoeld in artikel 13d van de Opiumwet voor een bedrag van
  • bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op
Voorlopige hechtenis
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:
- de aanhanger (Omschrijving: PL2300-2025086895-G1852448, dubbel-as gesloten aanhanger, Verdonk Va Ta Ahw).
Dit vonnis is gewezen door mr. K. Mestrom, voorzitter, mr. L. Bastiaans en mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 14 juli 2026.
Buiten staat
Mr. J. Linders is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1 primair:
hij op of omstreeks 25 september 2025, in Baexem, gemeente Leudal, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van amfetamine, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen
- een of meer anderen heeft/hebben getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) om te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),
immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) op voornoemd tijdstip in voornoemde pleegplaats
een of meerdere (onderdelen van) productieopstelling(en) en/of (een) grote hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden ten behoeve van de productie van amfetamine en/of BenzylMethylKeton (BMK) voorhanden gehad, waaronder:
(in de aanhangwagen met kenteken [kenteken 1] )
- 2 slakkenhuisventilatieboxen en/of 2 refluxkoelers en/of 1 rvs-destillatievat (te gebruiken voor stoomdestillatieproces) en/of 2 rvs expansievaten (te gebruiken als stoomgenerator ten behoeve van stoomdestillatie) en/of 5 ‘paella’ gasbranders met gasslangen en/of 2 rvs-koelbuizen (ten behoeve van destillatie) en/of 1 waterdompelpomp en/of flensstukken en/of

(in de aanhanger met kenteken [kenteken 2] )

- 1 reactieketel inhoudende een restant bruine basische vloeistof met de geur van amfetamine en/of 1 roermotor en/of 1 scheitrechter en/of

(buiten, op/bij de locatie [adres 2] te Baexem)

- 1 destillatieketel inhoudende een restant bruine substantie en/of 4 kartonnen dozen (vermoedelijk verpakkingen van pre-precursoren) en/of 1 speciekuip vervuild met rood/bruine substantie en/of

(in de garage, op de locatie [adres 2] te Baexem)

- 6 gebruikte gasflessen en/of 3 verzegelde gasflessen en/of 1 IBC van 1000 liter inhoudende een restant bruine vloeistof en/of 1 IBC van 1000 liter inhoudende 550 liter kleurloze zure vloeistof onder een geringe geel/bruine drijflaag en/of 1 klemdekselvat inhoudende circa 10 liter bruine basische vloeistof en/of 3 klemdekselvaten van 200 liter waarvan 2 geheel gevuld en 1 met een restant neutrale lichtbruine vloeistof en/of 1 emmer van 35 liter voor driekwart gevuld met bruine substantie en/of 1 emmer van 12 liter voor een kwart gevuld met basische vloeistof en/of 1 lege emmer van 12 liter en/of 4 jerrycans gevuld met bruine substantie en/of 8 jerrycans van 20 liter met etiketten “Frischer” 7 en “LanXess” (in totaal 91 liter) gevuld met lichtbruine vloeistof en/of 6 jerrycans van 20 liter met etiket “MansserPower Fasad” alle geheel gevuld met zure kleurloze stroperige vloeistof (fosforzuur) en/of 2 blauwe 20 liter jerrycans met etiket “LannXess” (1 met circa 4 liter en 1 met circa 5 liter bruine substantie gevuld) en/of diverse vervuilde maatbekers en/of een pollepel en/of waterslangen en/of diverse trechters en/of 4 emmers gevuld met bruine substantie (totaal 62 liter) en/of 1 klemdekselvat van 200 liter met daarin 11 vezelversterkte zakken (soortgelijk als de verpakkingen van pre-precursoren) en/of 1 klemdekselvat van 200 liter gevuld met circa 100 liter kleurloze neutrale vloeistof en/of 2 lege klemdekselvaten van 200 liter en/of 1 reactieketel met inhoudsmaat 1395 liter en/of

(in de kelder, op de locatie [adres 2] te Baexem)

- 2 jerrycans van 5 liter met etiket “Phosphoric acid” en geheel gevuld met zure kleurloze vloeistof en/of

(op de zolder, op de locatie op de locatie [adres 2] te Baexem)

- 1 klemdekselvat van 200 liter gevuld met circa 10 liter kleurloze basische vloeistof en/of 1 klemdekselvat van 200 liter met een restant bruine vloeistof met de geur van BMK en/of 9 lege vezelversterkte zakken;
T.a.v. feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 25 september 2025, in Baexem, gemeente Leudal, in elk geval in Nederland
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten het (telkens) opzettelijk
- binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen,
- telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of
- vervaardigen,
van een hoeveelhe(i)d(en) amfetamine, in elk geval een of meer hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) getracht te verschaffen, te weten door een of meer ruimtes van zijn woning, garage, tuin, oprit en/of aanhanger als (opslag/productie)locatie ter beschikking te stellen
waarvan hij wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);
T.a.v. feit 2:
hij op of omstreeks 25 september 2025 te Baexem, gemeente Leudal, althans in Nederland, een of meer stoffen en/of voorwerpen heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop heeft aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden heeft gehad, te weten:
- potten, ventilatoren, losse kabels, voedingsmiddelen, voorschakeleenheden, koolstoffilters, isolatiemateriaal, slakkenhuizen, snelheidsregelaars, lucht-afzuigslangen, een schakelbord, een kachel en assimilatielampenkappen,
waarvan verdachte wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025086895, gesloten d.d. 28 mei 2026, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 529.
2.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2025, pg. 310-314.
3.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 oktober 2025, pg. 336-341.