ECLI:NL:RBLIM:2026:7033

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
15 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1393
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:87 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 2.29 Bbl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning verbouwing woning

Verzoeker maakte bezwaar tegen een omgevingsvergunning die aan vergunninghouders was verleend voor het verbouwen van hun woning, waaronder het doorbreken van een draagmuur en het plaatsen van ramen en een pui. Hij vreesde dat de constructieve veiligheid onvoldoende was onderzocht en stelde dat sprake was van een privaatrechtelijke belemmering vanwege mandelige muren.

De voorzieningenrechter beoordeelde of het bezwaar een redelijke kans van slagen had en of de eerder getroffen schorsing van het besluit gehandhaafd kon blijven. Uit het dossier en aanvullende stukken bleek dat de technische bouwactiviteit was getoetst aan het Besluit bouwwerken leefomgeving via een aannemelijkheidstoets, waarbij de constructeur de samenhang met de aangrenzende woning had betrokken. De bezwaren van verzoeker werden niet aannemelijk geacht.

Ook werd geoordeeld dat de privaatrechtelijke belemmering geen rol speelt bij de gebonden vergunningverlening op grond van het omgevingsplan. De belangenafweging woog zwaarder in het voordeel van vergunninghouders. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en de schorsing opgeheven. De uitspraak is definitief en bindend voor de voorlopige procedure.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de schorsing van de omgevingsvergunning wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummer: ROE 26/1393

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2026 in de zaak tussen

[naam] , uit [woonplaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Brunssum, verweerder
(gemachtigde: mr. B.A.L. Dinjens).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [namen] uit [woonplaats] (vergunninghouders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan vergunninghouders verleende omgevingsvergunning voor het verbouwen van hun woning. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit verder te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter heft in deze uitspraak de ordemaatregel op. Dat betekent dat het bestreden besluit niet langer geschorst is. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 3 juni 2026 heeft verweerder aan vergunninghouders een vergunning verleend voor het verbouwen van de woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] . Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Omdat vergunninghouders op 12 juni 2026 zowel telefonisch als per e-mailbericht hebben medegedeeld de vergunde werkzaamheden niet wenst te staken totdat op het bezwaar van verzoeker is beslist en met (een deel van) de werkzaamheden zullen starten op 13 juni 2026, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van 12 juni 2026 een ordemaatregel getroffen. [1] Dit betekent dat het bestreden besluit per direct is geschorst, zodat vooralsnog geen uitvoering aan de vergunde werkzaamheden kan worden gegeven.
2.2.
Verzoeker heeft nadien nog nadere stukken overgelegd.
2.3.
Vergunninghouders hebben op het bezwaarschrift van verzoeker gereageerd.
2.4.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
2.5.
Verzoeker heeft nadere stukken overgelegd.
2.6.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verweerder en de derde-partij.

Overwegingen

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Op 11 mei 2026 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen van hun woning aan de [adres 1] te [plaatsnaam] (het pand). Het betreft het doorbreken van de draagmuur tussen de huidige berging en de keuken, het plaatsen van een raam in de achtergevel van de berging, het plaatsen van een pui en het plaatsen van een tweede dakraam op zolder.
3.1.
Verzoeker is woonachtig aan de [adres 2] te [plaatsnaam] . Hij heeft op
27 mei 2026 een zienswijze ingediend met betrekking tot de vergunningaanvraag van vergunninghouders.
3.2.
Met het bestreden besluit van 3 juni 2026 heeft verweerder de door vergunninghouders aangevraagde omgevingsvergunning verleend. Het betreft een vergunning voor de technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet en de omgevingsplanactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. De technische bouwactiviteit heeft betrekking op het doorbreken van de draagmuur tussen de keuken en de berging en de dragende constructie van het dak van de berging. De omgevingsplanactiviteit heeft betrekking op het aanbrengen van een raam aan de achtergevel van de berging, het plaatsen van de pui en het plaatsen van het tweede dakraam.
3.3.
Aan de omgevingsvergunning heeft verweerder twee voorwaarden verbonden:
“Het constructieoverzicht op de bouwkundige tekening wordt aangepast op de volgende punten:
1) De bestaande dakbalken zijn gedeeld ter plaatse van de te verwijderen muur. Het opdikken van de balken moet nader uitgewerkt worden voor de koppeling van de balken ter plaatse van deze afdeling.
2) De afmeting van de latei boven het bloemenraam wordt aangegeven op de tekening.
Bovenstaande aanpassing op de tekening wordt tenminste 3 weken voor de start van de werkzaamheden aan het dak bij het bouwtoezicht ingediend.”
3.4.
Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarom op 11 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft verzoeker om een voorlopige voorziening verzocht.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Toetsingskader
4. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
4.1.
Op 12 juni 2026 heeft de voorzieningenrechter een ordemaatregel getroffen. Dit houdt in dat het verzoek om een voorlopige voorziening ‘voorlopig’ is toegewezen, omdat de inhoudelijke behandeling van het verzoek niet kon worden afgewacht. Artikel 8:87, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de voorzieningenrechter, ook ambtshalve, een voorlopige voorziening kan opheffen of wijzigen. Dat is doorgaans alleen aan de orde wanneer sprake is van een wijziging van de feiten en/of omstandigheden die ten grondslag liggen aan de al toegewezen voorlopige voorziening. In deze zaak is de voorzieningenrechter, in het kader van de uitgesproken schorsing van het bestreden besluit, nog niet toegekomen aan een voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van dat besluit. Ten tijde van de uitspraak van 12 juni 2026 beschikte de voorzieningenrechter ook nog niet over (alle) voor deze zaak relevante stukken. Bij die uitspraak is benadrukt dat de schorsing van het bestreden besluit een voorlopig karakter heeft en de voorzieningenrechter daar in de verdere procedure niet aan is gebonden.
4.2.
Deze uitspraak gaat over de vraag of de al getroffen voorlopige voorziening bij wijze van ordemaatregel, en daarmee de schorsing van het bestreden besluit, moet worden opgeheven of gewijzigd. [2] Het is aan verweerder om op het bezwaar van verzoeker te beslissen. Het oordeel van de voorzieningenrechter in deze procedure heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in een (eventuele) bodemprocedure.
4.3.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat na invoering van de Omgevingswet vergunninghouders een vergunningaanvraag hebben gedaan en verweerder de aangevraagde omgevingsvergunning heeft verleend, is de Omgevingswet van toepassing op het bestreden besluit.
Standpunten verzoeker
5. Verzoeker stelt zich (kort samengevat) op het standpunt dat er onvoldoende onderzoek heeft plaatsgevonden naar de constructie in zijn geheel. Er zijn namelijk geen constructieve berekeningen gemaakt, er is geen rekening gehouden met de invloed van de werkzaamheden in zijn geheel op de constructie van het huis van verzoeker en verzoeker maakt zich zorgen over de wijzigingen van de dakconstructie, omdat hierdoor een hoogteverschil ontstaat tussen de daken. Volgens verzoeker heeft verweerder bij zijn beoordeling onterecht geen nulmeting uitgevoerd en is er geen juiste verslaglegging van de controle van 11 juni 2026. Verder stelt verzoeker dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening in de weg staat, omdat er mandelige muren zijn en hij geen toestemming heeft gegeven voor werkzaamheden daaraan. Verweerder heeft volgens verzoeker onvoldoende rekening gehouden met de belangen van verzoeker.
Spoedeisend belang
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, als tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
6.1.
In dit geval zullen vergunninghouders, als het bestreden besluit niet wordt geschorst, direct een aanvang maken met de werkzaamheden uit de omgevingsvergunning. Daardoor zal geen beslissing op bezwaar genomen kunnen worden voordat de werkzaamheden aanvangen. Daarom is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker.
Omvang van het geding
7. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Brunssum.
7.1.
Ter zitting heeft verzoeker toegelicht geen bezwaren te hebben tegen de realisering van het dakraam. Verder vallen eisers gronden met betrekking tot de constructie buiten de omvang van het geding voor zover dit verband houdt met het raam aan de achtergevel van de berging en de pui, omdat hiervoor immers geen omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is verleend maar voor de omgevingsplanactiviteit.
De technische bouwactiviteit
8. De voorzieningenrechter stelt vast dat de vergunning voor de technische bouwactiviteit alleen betrekking heeft op het doorbreken van de dragende muur tussen de keuken en de berging van vergunninghouders. Tussen partijen is niet in geschil dat het vervangen van het kozijn/de pui in de zijgevel voor deze activiteit vergunningvrij is. Ook is niet in geschil dat het realiseren van de gevelopening/het kozijn in de achtergevel voor deze activiteit vergunningvrij is.
9. De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat de toets die verweerder moet uitvoeren bij de vraag of aan de voorwaarden met betrekking tot de technische bouwkwaliteit van bouwwerken uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl) is voldaan, een aannemelijkheidstoets betreft. [3] Verweerder komt bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bbl beoordelingsruimte toe. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat ook daadwerkelijk voldaan is aan de voorwaarden uit het Bbl met betrekking tot de technische bouwactiviteit. Er is binnen dit toetsingskader geen ruimte om te toetsen aan het Burgerlijk Wetboek en dus geen ruimte om te toetsen of er sprake is van een (evidente) privaatrechtelijke belemmering. Ook is gelet op dit toetsingskader geen ruimte voor een belangenafweging.
10. In het bestreden besluit staat vermeld dat toetsing heeft uitgewezen dat het bouwplan voldoet aan de volgens de Omgevingswet (Ow), het Bbl en het Besluit kwaliteit leefomgeving (het Bkl) gegeven voorschriften, mits het constructieoverzicht op de bouwkundige tekening wordt aangepast op de volgende punten: de bestaande dakbalken zijn gedeeld ter plaatse van de te verwijderen muur. Het opdikken van de balken moet nader uitgewerkt worden voor de koppeling van de balken ter plaatse van deze deling. Daarmee heeft verweerder te kennen gegeven dat hij het aannemelijk acht dat wordt voldaan aan de bouwtechnische eisen van het Bbl, mits aan de door verweerder gestelde voorwaarden wordt voldaan. Concreet betekent dit dat de vergunning op grond van de aannemelijkheidstoets is verleend en dat nadere constructieve uitwerkingen (in dit geval drie weken) voor de aanvang van de bouwwerkzaamheden moeten worden aangeleverd.
11. Gelet op wat in punt 10 is overwogen, volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn betoog dat geen constructieve berekeningen zijn gemaakt, dat een essentieel onderdeel van de constructieve uitwerking van het bouwplan op het moment van vergunningverlening niet beschikbaar was en dat geen rekening is gehouden met de invloed van de werkzaamheden in zijn geheel op de constructie van het huis van verzoeker. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat uit een email van 16 juni 2026, die onderdeel uitmaakt van het procesdossier, volgt dat, anders dan verzoeker stelt, bij de beoordeling of het aannemelijk is dat wordt voldaan aan de bouwtechnische eisen van het Bbl de samenhang met de aangrenzende berging door de constructeur is beschouwd. Indien sprake is van een spouwmuur tussen de beide woningen dan is volgens de constructeur geen sprake van een samenhang tussen de beide panden en zijn er geen gevolgen voor de stabiliteit van de berging van verzoeker. Gaat het om een massieve scheidingsconstructie, dan is er volgens de constructeur wel sprake van een één samenwerkende constructie, maar omdat de kopmuur (de muur aan de achterzijde van de berging van vergunninghouders en verzoeker) blijft staan, resteert ruim voldoende stabiliteit.
11.1.
Verweerder heeft bovendien ter zitting toegelicht dat na het tot stand komen van het bestreden besluit volgens de constructeur is gebleken dat de voorwaarde over de dakbalken eigenlijk niet meer nodig is omdat vergunninghouders nog fotomateriaal hebben overgelegd en daaruit, bij nadere beschouwing, is gebleken dat feitelijk gezien geen sprake is van gedeelde dakbalken. Ook heeft verweerder op zitting toegelicht dat, anders dan verzoeker stelt, (wederom) door de constructeur naar de constructie in zijn geheel is gekeken. Bij het verwijderen van de draagmuur tussen de keuken en de berging van vergunninghouders gebeurt er namelijk niets met de algehele constructie, omdat niet de dakbalken maar de muur tussen verzoeker en vergunninghouders en de muur aan de achterzijde van de berging van verzoeker en vergunninghouders, die samen als het ware een ‘T’ vormen, samen zorgen voor constructieve veiligheid van zowel de woning van vergunninghouders als de woning van verzoeker. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat het nieuwe inzicht van de constructeur tot vragen bij verzoeker heeft geleid, volgt daaruit eens te meer dat verweerder het aannemelijk acht dat wordt voldaan aan de bouwtechnische eisen van het Bbl. Voor zover verzoeker nog heeft betoogd dat nergens uit blijkt dat de constructeur daarbij heeft betrokken dat in de kopse muur een bloemenraam wordt gerealiseerd en dat dit mogelijk invloed heeft op de stabiliteit van de constructie volgt de voorzieningenrechter dit ook niet. Uit de eerder genoemde e-mail van 16 juni 2026 blijkt namelijk dat onder het kopje “Hieronder de constructieve ingrepen en het gevolg hiervan voor de samenwerkende constructie” onder punt 2 het maken van het raam in de achtergevel is betrokken en dat deze moet worden voorzien van lateien. Verzoeker heeft verder geen contra-expertise overgelegd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de beoordeling van de constructeur. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekers bezwaren tegen de vergunde technische bouwactiviteit geen redelijke kans van slagen hebben.
12. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat een nulmeting ontbreekt en dat om die reden de gevraagde vergunning ook geweigerd had moeten worden. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet. Het college is, binnen het toetsingskader van artikel 8.3, tweede lid van het Bkl, namelijk niet gehouden te toetsen of het bouwplan aannemelijk maakt of voorafgaand of tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden voldoende maatregelen worden getroffen om schade aan de omliggende panden te voorkomen (nulmeting). Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat het aan verzoeker en vergunninghouders is om al dan niet een nulmeting, die alleen dient ter vastlegging van de bestaande situatie en geen waarborg biedt voor het voorkomen van schade, te verrichten maar het ontbreken daarvan staat niet aan vergunningverlening in de weg. Of er wel of niet een juiste verslaglegging van de controle van 11 juni 2026 is gedaan, behoeft daarom ook geen verdere bespreking meer.
13. Dat vergunninghouders feitelijk eerder dan de bij de voorwaarden gestelde termijn van drie weken konden beginnen met de werkzaamheden staat evenmin aan vergunningverlening in de weg. Deze termijn geldt voor het aanleveren van de gegevens. Dat die gegevens snel zijn aangeleverd en ook snel door de constructeur zijn beoordeeld waardoor vergunninghouders binnen drie weken een aanvang met de werkzaamheden konden maken, vormt geen beletsel voor vergunningverlening. Ook het feit dat na vergunningverlening nog informatie en stukken met betrekking tot de constructie door vergunninghouders zijn overgelegd, maakt niet dat het bestreden besluit (achteraf) onrechtmatig is. Vergunninghouders waren immers gehouden om deze stukken in het kader van de aan de omgevingsvergunning verbonden voorwaarden te overleggen.
14. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is verder niet uit het dossier gebleken dat het dak van de berging van vergunninghouders verspringt met het dak van verzoeker. Ter zitting is - onweersproken - toegelicht dat aan de binnenzijde isolatie zal worden aangebracht, juist om zo verspringing van het dak te voorkomen. Enkel de toplaag van het dak wordt vervangen en de voorzieningenrechter is niet gebleken dat daardoor een verspringing van de daken zou plaatsvinden.
15. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de bezwaren van verzoeker betreffende de technische bouwactiviteit geen redelijke kans van slagen hebben.
De omgevingsplanactiviteit
16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is, zoals verweerder ook in het bestreden besluit heeft gesteld en toegelicht, dat de doorbraak van de dragende wand vergunningvrij is voor de ruimtelijke bouwactiviteit (de omgevingsplanactiviteit). Nu sprake is van een vergunningvrije omgevingsplanactiviteit, behoeft hetgeen verzoeker heeft aangevoerd over een privaatrechtelijke belemmering, mandeligheid en het ontbreken van toestemming alleen al daarom geen bespreking meer.
17. Voor het vervangen van het kozijn/de pui in de zijgevel en het te realiseren kozijn in de achtergevel geldt, zo is tussen partijen ook niet in geschil, een vergunningplicht op grond van artikel 2.29 en 2.30 van het Bbl. Verzoeker voert aan dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering waar verweerderrekening mee had moeten houden. Volgens verzoeker is de achtergevel waarin het bloemenraam wordt gerealiseerd een mandelige muur en kunnen vergunninghouders niet zonder toestemming hun plan uitvoeren. Verzoeker heeft geen toestemming verleend en ook vervangende toestemming ontbreekt. Omdat verweerder daarvan en dus ook van de daarmee samenhangende uitvoerbaarheidsvragen op de hoogte was vóór het tot stand komen van het bestreden besluit, had verweerder de gevraagde vergunning niet kunnen verlenen.
17.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat een evident privaatrechtelijke belemmering in onderhavig geval geen rol kan spelen, omdat het bouwplan voldoet aan het geldende bestemmingsplan, dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan. Daardoor is sprake van een gebonden beschikking. Dat betekent dat als aan alle voorwaarden van het limitatief-imperatief vergunningstelsel wordt voldaan verweerder verplicht is de omgevingsvergunning te verlenen. Bij de beoordeling van het plan voor de verbouwing door vergunninghouders, kon verweerder dus geen rekening houden met een mandelige muur, wat daar verder ook van zij. In dit kader is het dus niet relevant of al dan niet sprake is van mandelige muren en of verzoeker toestemming heeft gegeven dan wel of er vervangende toestemming is.
17.2.
Voor wat betreft het door verzoeker gestelde over het ontbreken van een belangenafweging is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat verweerder niet aan een belangenafweging kan toekomen. Verweerder is immers, gelet op de gebonden beschikking en het daarbij behorende limitatief-imperatief vergunningsstelsel, verplicht om de omgevingsvergunning te verlenen op het moment dat aan alle daarvoor voorgeschreven voorwaarden wordt voldaan. Verweerder heeft daarom het belang van het aangrenzend perceel, het perceel van verzoeker, niet kunnen meewegen. Voor zover verzoeker nog heeft aangevoerd dat het gedrag en de handelwijze van verweerder naar aanleiding van verzoekers melding dat volgens hem sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering, komt de voorzieningenrechter aan een beoordeling daarvan niet toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is daarmee evenmin sprake van een belemmering van effectieve rechtsbescherming zoals verzoeker heeft betoogd.
18. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen heeft.
Belangenafweging
19. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzieningenrechter dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter weegt het belang vergunninghouders om uitvoering te (mogen) geven aan de bij het bestreden besluit verleende omgevingsvergunning zwaarder dan het belang van verzoeker bij het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Conclusie en gevolgen

20. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenechter heeft het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening daarom af. Dat betekent ook dat de voorzieningenrechter de op
12 juni 2026 getroffen ordemaatregel opheft.
21. Omdat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, krijgt verzoeker zijn griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af en
  • heft de op 12 juni 2026 getroffen ordemaatregel op.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Krens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.J.M. Thelen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op: 9 juli 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 9 juli 2026

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie de artikelen 8:81, eerste lid en artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:87 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8.3b, tweede lid van het Bkl.