ECLI:NL:RBLIM:2026:7089

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
03.032369.24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging bijzondere voorwaarden voorwaardelijke PIJ-maatregel wegens beëindiging behandeling

Op 1 april 2025 legde de rechtbank Limburg aan de minderjarige een voorwaardelijke PIJ-maatregel op met bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling bij een specifieke GGz-instelling. Na beëindiging van deze behandeling en het gedwongen vertrek van de minderjarige bij deze instelling, kon de behandelverplichting niet worden nagekomen.

De gecertificeerde instelling verzocht daarom om wijziging van de bijzondere voorwaarden, zodat de begeleiding en risicobeheersing kunnen worden voortgezet en een passend behandeltraject kan worden gerealiseerd. De minderjarige verblijft sinds 19 juni 2026 bij zijn ouders en een nieuwe zorgaanbieder met een locatie voor beschermd verblijf heeft zich bereid verklaard hem op te nemen.

De rechtbank constateert dat de situatie na de eerdere beslissing van 4 juni 2026 onwenselijk is en dat de oorspronkelijke instelling niet bereid is tot voortzetting van de behandeling. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en wijzigt de bijzondere voorwaarden, waarbij de minderjarige onder meer medewerking moet verlenen aan begeleiding, medicatiegebruik, dagbesteding en behandeling bij de nieuwe zorgaanbieder.

De rechtbank benadrukt het belang van een passende behandeling voor de minderjarige en wijst op zijn eigen verantwoordelijkheid voor het slagen van het traject. De gewijzigde voorwaarden sluiten aan bij de huidige situatie en waarborgen de veiligheid en begeleiding van de minderjarige.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke PIJ-maatregel zodat de minderjarige passende behandeling en begeleiding kan ontvangen bij een nieuwe zorgaanbieder.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht, jeugdstrafrecht
Parketnummer: 03.032369.24
Beslissing op de vordering tot wijziging bijzondere voorwaarden van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel)
in de zaak van:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboortegegevens] 2008,
wonende te [adres] .
hierna: [veroordeelde] .

De procedure

De rechtbank heeft op 1 april 2025 aan [veroordeelde] een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank heeft daarbij als voorwaarden gesteld dat [veroordeelde] :
  • medewerking verleent aan alle aanwijzingen van de gecertificeerde instelling, te weten Bureau Jeugdzorg Limburg;
  • medewerking verleent aan het klinische behandeltraject binnen GGzE [naam instelling 1] , alle afspraken en behandeladviezen nakomt, ook rondom het innemen van medicatie, zich niet onttrekt aan de behandeling of aan het toezicht, zolang dit noodzakelijk wordt geacht door GGzE en de jeugdreclassering;
  • zich houdt aan het volgen van het interne dag-onderwijsprogramma van GGzE [naam instelling 1] ;
  • zich houdt aan alle opbouw in vrijheden en uiteindelijke verlofmomenten in overeenstemming met en met goedkeurig van GGzE en de jeugdreclassering;
  • alleen onder toezicht gebruik maakt van elektronische apparatuur met internetverbinding/digitale hulpmiddelen zolang als de GGzE en de jeugdreclassering nodig achten;
  • inzicht geeft in zijn (offline en online) contacten.
De officier van justitie heeft op 2 juli 2026 een vordering ingediend tot wijziging van de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel.
De rechtbank heeft de vordering op de zitting van 9 juli 2026 achter gesloten deuren behandeld. Op de zitting zijn gehoord:
  • [veroordeelde] , zijn raadsvrouw en zijn moeder;
  • de officier van justitie;
  • de heer [naam] , als jeugdreclasseerder verbonden aan de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg (verder te noemen de GI).
De rechtbank heeft verder kennisgenomen van de processtukken, waaronder:
  • het vonnis van de rechtbank van 1 april 2025;
  • de brief namens [naam instelling 1] van 31 maart 2026;
  • de terugmelding door de GI van 1 april 2026;
  • de beslissing van de rechtbank van 4 juni 2026;
  • de mailwisseling tussen het Openbaar Ministerie en de GI van 17 juni 2026;
  • de aanvullende rapportage van de GI van 26 juni 2026;
  • de aanvullende rapportage van de GI van 8 juli 2026.

De standpunten

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de vordering tot wijziging van de bijzondere voorwaarden moet worden toegewezen, omdat [veroordeelde] , na het gedwongen vertrek bij [naam instelling 1] , nu tijdelijk bij zijn ouders verblijft. De voorwaarden dienen te worden aangepast zodat die aansluiten bij de huidige situatie.
De GI heeft bij monde van meneer [naam] aangegeven dat het advies van 26 juni 2026 om de voorwaarden te wijzigen in stand blijft. Ter zitting zijn wel nog een aantal aanvullingen op de eerder geformuleerde bijzondere voorwaarden voorgesteld.
[veroordeelde] heeft gezegd dat hij een positief intakegesprek heeft gehad bij [naam zorgaanbieder] . Zijn moeder heeft aangekaart dat [veroordeelde] zijn dag- en nachtritme momenteel verstoord is, omdat hij geen dagbesteding heeft. Zij is van mening dat het hem goed zal doen wanneer hij dit weer gaat oppakken bij [naam zorgaanbieder] .
De raadvrouw is ook van mening dat de vordering (inclusief aanvullingen ter terechtzitting) moet worden toegewezen, omdat het voor alle partijen van belang is dat [veroordeelde] een passende behandeling krijgt.

De beoordeling

De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor de wijziging van de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel is voldaan en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft op 4 juni 2026 de vordering van de officier van justitie om de voorwaardelijke PIJ-maatregel om te zetten in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel afgewezen. Dit betekende dat [veroordeelde] , die op dat moment in verband met een voorlopige tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel door de rechter-commissaris, in [naam instelling 2] verbleef, opnieuw zou moeten worden opgenomen in en behandeld door [naam instelling 1] .
De GI heeft op 26 juni 2026 een verzoek ingediend om de bijzondere voorwaarden, verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel te wijzigen.
Aanleiding voor dit verzoek was dat de uitvoering van de behandelvoorwaarde bij [naam instelling 1] feitelijk onmogelijk is gebleken. De behandeling bij [naam instelling 1] is beëindigd. Ondanks een uitspraak van de rechtbank en intensieve inspanningen van met name de jeugdreclasseringsmedewerker is het niet gelukt deze behandeling te hervatten. Sterker nog, een inhoudelijk gesprek over een passend alternatief is evenmin mogelijk gebleken.
[veroordeelde] heeft zich tot op heden coöperatief opgesteld en aangegeven bereid te zijn mee te werken aan behandeling en begeleiding. Het uitblijven van behandeling is dan ook niet het gevolg van een gebrek aan medewerking van [veroordeelde] , maar van het ontbreken van een passende en beschikbare behandelplek. Met het verzoek beoogt de Gl de noodzakelijke begeleiding en risicobeheersing te kunnen voortzetten, terwijl tegelijkertijd wordt ingezet op het realiseren van een passend behandeltraject.
Omdat [veroordeelde] niet terug kan naar [naam instelling 1] , kan hij niet voldoen aan de opgelegde behandelverplichting. Na de beslissing van de rechtbank van 4 juni 2026 bestond evenmin een rechtsgeldige titel om [veroordeelde] langer in [naam instelling 2] te laten verblijven. Dit heeft de JJI doen besluiten [veroordeelde] op 19 juni 2026 in vrijheid te stellen. Sindsdien verblijft [veroordeelde] bij zijn ouders. Inmiddels heeft [naam zorgaanbieder] , een zorgaanbieder met een locatie voor beschermd verblijf in Drunen, zich bereid verklaard [veroordeelde] te plaatsen (verwachte plaatsingsdatum 27 juli 2026). De noodzakelijke behandeling kan dan plaatsvinden door [naam instelling 3] .
Duidelijk is dat na de beslissing van de rechtbank van 4 juni 2026 een lastige en zeker voor het belang van [veroordeelde] ongewenste situatie is ontstaan. Zowel uit het diagnostisch onderzoek als uit het vonnis van de rechtbank blijkt dat [veroordeelde] bekend is met moeilijke problematiek. Een langdurige en intensieve behandeling is noodzakelijk om aanwezige risico's te beperken en verdere ontwikkeling van [veroordeelde] mogelijk te maken.
Waar de rechtbank in de beslissing van 4 juni 2026 nog de hoop uitsprak dat de voorlopige omzetting en overplaatsing naar de JJI en het daardoor (in elk geval tijdelijk) loskomen van elkaar, een soort reset is die ervoor zorgt dat [naam instelling 1] en [veroordeelde] toch weer goed in contact komen en de behandeling kunnen oppakken en voortzetten, blijkt hiervan in de praktijk niets terecht gekomen te zijn. [veroordeelde] dreigt daarmee alsnog het slachtoffer te worden van het
volstrekt onvoldoende aanbod van (forensische) jeugdzorg in Nederland.
De rechtbank betreurt deze gang van zaken ten zeerste. De rechtbank wenst te benadrukken dat de opstelling van [naam instelling 1] niet getuigt van een houding waarbij het belang van deze minderjarige voorop wordt gesteld. De rechtbank realiseert zich echter ook dat het geen zin heeft om [veroordeelde] langer voor een gesloten deur bij [naam instelling 1] te laten staan. [veroordeelde] moet verder en de plek bij [naam zorgaanbieder] , die naar verwachting op 27 juli beschikbaar komt, lijkt een stap in de goede richting te zijn. Bovendien moeten de juridische en de feitelijke situatie, zoals die nu is ontstaan, met elkaar in overeenstemming worden gebracht.
Gelet op het hiervoor overwogene, oordeelt de rechtbank dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen de wijziging van de bijzondere voorwaarden eist. De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie dus toe. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden verbonden aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel wijzigen op de hierna genoemde wijze. [veroordeelde] heeft zich bereid verklaard zijn medewerking te verlenen aan deze voorwaarden. De rechtbank wil [veroordeelde] nogmaals meegeven dat het slagen van het voorgestelde traject van hem afhankelijk is. Hij dient hierin ook zelf zijn verantwoordelijkheid te nemen.

De beslissing

De rechtbank:
  • wijst de vordering van de officier van justitie toe;
  • wijzigt de bijzondere voorwaarden, welke eerder door deze rechtbank zijn opgelegd op 1 april 2025, in die zin dat deze thans als volgt luiden:
1. [veroordeelde] werkt mee aan begeleiding en toezicht door de gecertificeerde instelling
en volgt de aanwijzingen van de jeugdreclassering op;
2. [veroordeelde] verblijft bij zijn ouders (op bovenvermeld adres) tot aan het moment van opname bij [naam zorgaanbieder] op, zoals vooralsnog verondersteld, 27 juli 2026;
3. [veroordeelde] neemt voorgeschreven medicatie in en verleent medewerking aan
controle op het medicatiegebruik indien dit door behandelaars of de
jeugdreclassering noodzakelijk wordt geacht;
4. [veroordeelde] verleent volledige openheid over het gebruik van internet, sociale media
en overige digitale communicatiemiddelen en werkt mee aan controles hierop
indien dit noodzakelijk wordt geacht in het kader van toezicht en
risicobeheersing;
5. [veroordeelde] geeft inzicht in zijn (offline en online) contacten;
6. [veroordeelde] moet iedere dag van 22:00 uur tot 08:00 uur al zijn gegevensdragers (hierbij moet worden gedacht aan een mobiele telefoon, laptop, computer, PlayStation enzovoorts) inleveren bij zijn begeleiders van [naam zorgaanbieder] ;
7. [veroordeelde] werkt actief mee aan het verkrijgen en behouden van een passende
dagbesteding, bestaande uit onderwijs, arbeid, vrijwilligerswerk of een andere
door de jeugdreclassering goedgekeurde vorm van dag-invulling. [veroordeelde] is op de
afgesproken momenten ook aanwezig;
8. [veroordeelde] werkt mee aan diagnostiek, begeleiding en behandeling bij een van de
zorgaanbieders welke door de GI-instelling aangewezen worden als het (meest)
passende behandeltraject, te weten [naam instelling 3] of een soortgelijke instelling;
9. [veroordeelde] werkt mee aan zowel ambulante, poliklinische als klinische behandeling indien deskundigen dit noodzakelijk achten.
Deze beslissing is gewezen door mr. C.M.J. van den Acker, voorzitter, mr. H.E.G. Peters en mr. I.T.H.L. van de Bergh, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en direct mondeling uitgesproken ter besloten zitting van 9 juli 2026.
Buiten staat
Mr. H.E.G. Peters is niet in de gelegenheid deze beslissing mede te ondertekenen.