ECLI:NL:RBLIM:2026:7116

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352463 / JE RK 26-896
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bregonje
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265g BWArt. 29a lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging omgangsregeling minderjarige onder professionele begeleiding wegens zorgelijke situatie

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot wijziging van de zorg- en omgangsregeling tussen een minderjarige en haar vader. De minderjarige woont bij de moeder en is onder toezicht gesteld van de GI. Er zijn ernstige zorgen over de veiligheid en het welzijn van de minderjarige, mede door beschuldigingen van seksueel misbruik door de vader, die door de politie niet tot aangifte hebben geleid.

De ouders zijn het niet eens over het contactherstel. De moeder wil eerst een gedegen onderzoek en hulpverlening voordat contactherstel kan plaatsvinden, terwijl de vader het contact zo snel mogelijk wil herstellen, bij voorkeur onder begeleiding. De minderjarige zelf ervaart het contact met de vader als belastend en wil voorlopig alleen telefonisch contact.

De kinderrechter oordeelt dat het in het belang van de minderjarige is dat het contact met de vader onder professionele begeleiding plaatsvindt, waarbij de GI de regie voert. Onbegeleid contact is nu niet verantwoord, maar volledig contactverlies wordt ook voorkomen. De kinderrechter wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De omgangsregeling wordt gewijzigd en het contact tussen minderjarige en vader vindt voortaan onder professionele begeleiding plaats met regie bij de gecertificeerde instelling.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/352463 / JE RK 26-896
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd te Roermond,
hierna te noemen de GI;
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. L. van den Dungen, kantoorhoudend te Venlo;
[de vader], hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J. H.M. Verstraten, kantoorhoudend te Tegelen, gemeente Venlo.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 19 mei 2026;
  • het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de moeder van 30 juni 2026.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4
Tijdens de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan [1] , waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden daarvan zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de schriftelijke uitwerking van die uitspraak.
1.5
Na afloop van de zitting heeft de kinderrechter met [minderjarige] de uitspraak besproken.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 26 november 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 26 november 2026.
2.4
De ouders hebben de afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken ten aanzien van [minderjarige] (hierna: de zorgregeling) vastgelegd in het ouderschapsplan van 22 december 2022.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader te wijzigen, in die zin dat het contactherstel met de vader georganiseerd zal worden wordt onder begeleiding van een BOR 2. Daarbij dient de regie over de omgang en het contactherstel bij de GI te worden belegd.
3.2
De GI stelt vast dat de ouders er samen niet uitkomen. Zij slagen er niet in om een manier te vinden waarop het voor hun dochter oké is om contact te hebben met beide ouders. Ook lukt het al jaren niet om uit de strijd te blijven. [minderjarige] wordt door beide ouders belast met volwassenproblematiek. Ondanks het maken van afspraken komen de ouders niet in actie. Uit angst voor een uithuisplaatsing of een plaatsing bij een van de ouders durft [minderjarige] niet vrijuit te spreken met de hulpverlening. Zorgelijk is dat het nog niet is gelukt om hulpverlening in te zetten om de situatie voor haar op structurele basis te verbeteren. Ook maakt de GI zich zorgen over het loyaliteitsconflict waarin [minderjarige] geplaatst wordt door tussen haar ouders te moeten kiezen. Vanaf de carnavalsvakantie gaat [minderjarige] niet meer naar de vader toe. Dit heeft te maken met verschillende signalen die zij geuit heeft bij de moeder en de GI. Het eerste signaal had te maken met het feit dat zij in opdracht van de vader had moeten pinnen met een gestolen pinpas. Daarna was er onrust door haar broer Chris die bij het huis van de moeder verscheen en die daarna voor meerdere weken bij de vader introk. Door meerdere escalaties in het verleden voelt [minderjarige] zich niet veilig in zijn buurt. Er waren al signalen dat de situatie bij de vader zorgelijk is. Mogelijk dat dit beeld vertroebeld wordt door de strijd tussen ouders. Op 2 april 2026 heeft de moeder een melding gedaan over vermeend seksueel misbruik door de vader bij [minderjarige] . De zedenpolitie heeft dit opgepakt en heeft terug gerapporteerd dat er geen reden was om over te gaan tot het doen van een aangifte tegen de vader. Gelet op alle zorgen acht de GI het van belang dat er zicht komt op het contact tussen [minderjarige] en de vader. De GI wenst hiervoor een BOR2 in te zetten via het Axiehuis. Dit traject kan binnenkort starten. Het voorstel is om de eerste contactmomenten (belmomenten) onder begeleiding van de GI te starten, daarna kan er gestart worden met fysieke contacten onder begeleiding van het Axiehuis. Stapsgewijs dient er toegewerkt te worden naar een wekelijkse onbegeleide zorgregeling, zoals die bij de start van de ondertoezichtstelling is afgesproken.
3.3
Ter zitting heeft de GI aangevuld dat het fysiek contact onder begeleiding van de GI nog niet van de grond is gekomen omdat [minderjarige] het echt niet wil. Het is heel lastig om te weten wat ze echt zelf voelt. [minderjarige] wil ook niet meewerken aan een onderzoek naar het vermeend seksueel misbruik. Ze wil het alleen bespreken als haar moeder erbij is. Het Axiehuis is ingeschakeld om hulp in te zetten. Met de ouders is er een intakegesprek geweest, voor [minderjarige] komt er een kindercoach. De GI vindt het noodzakelijk dat er een onafhankelijk iemand gaat meekijken met [minderjarige] en wat zich nu heeft afgespeeld. Tijdens de telefonische contacten met vader ziet de GI dat [minderjarige] soms naar haar moeder kijkt, terwijl er op dat moment geen invloed van de moeder moet zijn.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1
De vader heeft er veel moeite mee met wat er over hem wordt gezegd en dat hij [minderjarige] daardoor niet meer heeft gezien. De vader staat 24/7 klaar voor zijn kinderen, drinkt niet en blowt niet. De vader heeft [minderjarige] nooit met een vinger aangeraakt. In de 21 jaar samen met de moeder is er nooit iets gebeurd. De vraag is waarom dit nu ineens gemeld wordt. Het maakt voor de vader duidelijk hoe klem [minderjarige] zit en hoeveel last ze van de situatie heeft. De vader wil dat het contact met zijn dochter zo snel mogelijk wordt hersteld. De vader heeft er geen bezwaar tegen als dit onder begeleiding gebeurt. Daarnaast dient er ook hulp te komen voor [minderjarige] , een onafhankelijk iemand met wie ze kan praten. Het lijkt erop dat ze nu dingen zegt die de moeder wil horen. Nog niet zo lang geleden was het precies andersom. Daarom is het goed als ze een vertrouwenspersoon krijgt toegewezen. Het is belangrijk dat ze in vrijheid kan spreken met haar beide ouders. Op school zeggen ze ook dat [minderjarige] veel liegt en dat ze veel fantasie heeft. Het staat in haar rapport.
4.2
De moeder is het niet eens met het verzoek. Er liggen vanuit [minderjarige] heftige beschuldigingen jegens de vader waar de moeder enorm van geschrokken is. [minderjarige] wil ook absoluut niet meer naar de vader toe. Door de politie is geen aangifte opgenomen omdat [minderjarige] toen dicht klapte. Zij wil het er alleen maar over hebben als de moeder erbij is. Als [minderjarige] zich niet uit, kan ook geen aangifte worden opgemaakt. Ook de procedures omtrent kwetsbare minderjarigen zijn niet in acht genomen door de politie. De moeder zal de aangifte doorzetten. De moeder heeft gezien dat [minderjarige] op haar slaapkamer bij haarzelf handelingen verrichtte die de moeder niet bij haar leeftijd vond passen. [minderjarige] schrok toen de moeder dit zag. De moeder heeft haar verteld dat ze het er op een later moment op hun gemak over konden hebben. Toen heeft [minderjarige] verteld dat zij op ongepaste manier is aangeraakt door de vader en dat zij bij de vader porno heeft gezien. In de ogen van de moeder is het niet normaal wat [minderjarige] heeft verteld en wat ze bij zichzelf heeft gedaan. Onder de huidige omstandigheden acht de moeder het onverantwoord om contactherstel te organiseren, ook niet middels een begeleide regeling. De eerdere contacten lijken traumatisch te zijn geweest voor [minderjarige] . De moeder wil daarom eerst een gedegen onderzoek en hulpverlening voor [minderjarige] . Ook dient er een onafhankelijk iemand te worden aangewezen met wie [minderjarige] kan praten, iemand die niet zomaar over haar heen walst. Daarna kan bekeken worden of contactherstel mogelijk is en op welke wijze. Het moet niet te snel gaan. De moeder is van mening dat het verzoek moet worden afgewezen dan wel aangehouden totdat nader onderzoek heeft plaats gevonden. De moeder verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek om de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] voor onbepaalde tijd op te schorten.

5.De mening van [minderjarige]

5.1
vindt het heel spannend om met de kinderrechter te praten en heeft daarom alles opgeschreven. Haar leven bevindt zich nu in een achtbaan. Vorig jaar wilde ze nog bij de vader wonen, nu wil ze bij de moeder wonen en wil ze de vader absoluut niet zien. Ze is bang voor de vader want ze heeft vreselijke dingen moeten doen. Zo heeft ze moeten pinnen met een gestolen pinpas. Ook moest ze ervoor zorgen dat de relatie van de moeder zou eindigen. Het ergste is dat de vader haar onzedelijk betast heeft. Ze moest filmpjes kijken en toen ze wakker werd zat haar vader aan haar, waarna ze meteen haar moeder heeft gebeld. Ook moest ze van haar vader liegen over de woning van haar moeder en dat het daar vies was. Ze heeft geen last van de schimmel in het huis van de moeder. [minderjarige] heeft nu alleen telefonisch (videobel)contact met de vader en dat is prima. Ze hoeft hem niet te ontmoeten, ook niet onder begeleiding. Daar heeft ze veel meer tijd voor nodig. Verder ervaart ze veel steun van de gezinsvoogd. Maar als ze met iemand anders moet praten is dat ook oké.

6.De beoordeling

6.1
De kinderrechter kan op verzoek van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. [2]
6.2
Gelet op de stukken en wat ter zitting is besproken is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de afgesproken zorgregeling wordt gewijzigd, in die zin dat de kinderrechter zal bepalen dat het contactherstel en de contacten tussen [minderjarige] dienen plaats te vinden onder begeleiding van een professionele jeugdhulpaanbieder, waarbij de regie bij de GI komt te liggen. De kinderrechter legt hierna uit waarom hij tot deze beslissing komt.
6.3
De kinderrechter stelt vast dat [minderjarige] zich hoe dan ook in een zorgelijke en complexe situatie bevindt. Door de moeder zijn ernstige zorgen geuit over mogelijk seksueel overschrijdend gedrag bij [minderjarige] door de vader, gebaseerd op uitlatingen van [minderjarige] . De moeder wil dat dit grondig onderzocht wordt voordat er weer contact kan zijn tussen [minderjarige] en de vader. Volgens de vader is er niets gebeurd en zegt [minderjarige] deze dingen omdat ze denkt dat de moeder dat wil horen of omdat de moeder haar dat heeft ingefluisterd.
6.4
De kinderrechter kan begrijpen dat het voor de moeder bijzonder lastig is om vanuit haar overtuiging mee te werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en de vader. Aan de andere kant is het ook voor te stellen dat de beschuldigingen van [minderjarige] een enorme impact hebben op de vader waartegen hij zich niet kan verweren en waardoor hij nu in een onmogelijke positie verkeert.
6.5
Voor de kinderrechter is het op basis van de beschikbare informatie niet mogelijk om vast te stellen of de beschuldigingen aan het adres van de vader waar zijn en of er inderdaad sprake is geweest van grensoverschrijdend gedrag. De kinderrechter kan niet uitsluiten dat er wel iets is gebeurd, maar evenmin dat [minderjarige] zich bijvoorbeeld betrapt heeft gevoeld door de moeder waardoor ze op deze manier gereageerd heeft en nu niet meer uit dat verhaal kan komen. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat [minderjarige] in het recente verleden nog allerlei negatieve uitspraken deed aan het adres van de moeder, waarover zij nu zegt dat die niet waar zijn en zouden zijn ingefluisterd door de vader. De kinderrechter vindt het belangrijk dat de situatie zorgvuldig wordt bekeken. De kinderrechter twijfelt er in ieder geval niet aan dat [minderjarige] enorm klem zit en dat het voor haar heel moeilijk is om met beide ouders tegelijkertijd contact te hebben.
6.6
Onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de vader is op dit moment niet aan de orde, daarvoor is de situatie voor [minderjarige] te beladen. Daarover lijkt iedereen het ook wel eens. Echter, de kinderrechter vindt het ook niet in het belang van [minderjarige] dat er geen contact met de vader kan plaatsvinden totdat in bijvoorbeeld een strafrechtelijk traject meer duidelijkheid is verkregen. Dat kan heel lang duren en daarmee dreigt onherstelbaar contactverlies, terwijl er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat er wat is gebeurd. Het opschorten van elke vorm van contact is daarom niet wenselijk.
6.7
De kinderrechter acht het juist in het belang van [minderjarige] noodzakelijk dat een professionele instantie zo snel mogelijk zicht krijgt op wat er speelt bij [minderjarige] en wat ze wel en niet aan kan in het contact met de vader. De kinderrechter zal daarom bepalen dat de omgang tussen [minderjarige] en de vader voorlopig onder begeleiding van een professionele jeugdhulpaanbieder moet plaatsvinden, waarbij de GI de regie moet hebben over het contactherstel, de frequentie en duur van de contacten en een eventuele uitbreiding. Ook acht de kinderrechter het wenselijk dat [minderjarige] in dat kader gesprekken kan voeren met iemand die zij als vertrouwenspersoon kan ervaren. Van de ouders wordt verwacht dat zij zullen meewerken met de hulpverlening en dat zij de stappen gaan maken die vanuit de professionele instantie worden geadviseerd. Het is niet meer aan de ouders zelf om te bepalen wat er moet gebeuren, de regie ligt bij de professionals.
6.8
De kinderrechter kan niet bepalen naar welke regeling toegewerkt moet worden, daarvoor is op dit moment te onduidelijk welke mogelijkheden er zijn. Indien partijen in het begeleide traject geen overeenstemming krijgen over de contacten op de langere termijn, kan dit opnieuw aan de rechter worden voorgelegd.
6.9
De kinderrechter zal daarom een begeleide regeling vaststellen als hierna zal worden bepaald. Het meer of anders verzochte wordt afgewezen.
6.1
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en bepaalt dat het contactherstel en de contacten tussen [minderjarige] en de vader zullen plaatsvinden onder professionele begeleiding van een jeugdhulpaanbieder, waarbij regie over de invulling van het contactherstel en de contacten wordt belegd bij de GI;
7.2
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.3
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Bregonje, kinderrechter, in aanwezigheid van Dullens-Servais als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
2.Artikel 1:265g Burgerlijk Wetboek (BW).