ECLI:NL:RBLIM:2026:7121

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
C/03/352155 / JE RK 26-836
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Bregonje
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29a lid 5 RvArt. 1:260 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling wegens complexe sociaal-emotionele problematiek minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling (GI) tot verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2014. De minderjarige woont bij de moeder en vertoont ernstige sociaal-emotionele en gedragsproblemen, met name op het gebied van emotieregulatie. De ouders zijn gescheiden en hanteren verschillende opvoedstijlen, wat de situatie bemoeilijkt.

De GI stelt dat de ontwikkelingsbedreiging nog niet is afgenomen en dat diagnostisch onderzoek noodzakelijk is om de juiste ondersteuning te kunnen bieden. De ouders kunnen niet samenwerken en wijzen elkaar aan als oorzaak van de problematiek. De GI acht het gedwongen kader noodzakelijk om het hulptraject voort te zetten.

Tijdens de zitting gaven beide ouders hun standpunten, waarbij de vader zijn betrokkenheid wenst te vergroten en de moeder de noodzaak van verlenging benadrukt. De kinderrechter concludeert dat de voorwaarden voor verlenging zijn vervuld, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en de gebrekkige communicatie tussen ouders.

De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd voor de duur van een jaar tot 13 juli 2027 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kinderrechter benadrukt het belang van samenwerking tussen ouders voor het slagen van de hulpverlening.

Uitkomst: De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarige voor een jaar en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Roermond
Zaaknummer: C/03/352155 / JE RK 26-836
Datum uitspraak: 3 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, gevestigd te Roermond, hierna te noemen de GI;
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder], hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader], hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 mei 2026.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 3 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
1.4
Ter mondelinge behandeling heeft de kinderrechter met toepassing van artikel 29a lid 5 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mondeling uitspraak gedaan, waarbij aan de verschenen belanghebbenden de beslissing en de belangrijkste gronden van de beslissing zijn medegedeeld. Deze beschikking vormt de volledige schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak van de kinderrechter.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.3
Bij beschikking van 4 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor het laatst verlengd tot 13 juli 2026.

3.Het verzoek

3.1
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De GI voert daartoe aan dat de zorgen rondom [minderjarige] nog niet zijn afgenomen. De ontwikkelingsbedreiging ligt met name op het gebied van sociaal emotioneel functioneren en gedrag, waarbij emotieregulatie en de moeilijkheden hierbij op de voorgrond staan. Om te kunnen verklaren waar dit gedrag vandaan komt is het noodzakelijk dat [minderjarige] onderzocht wordt. Daarmee wordt ook duidelijk welke ondersteuning hij nodig heeft om zowel thuis (bij beide ouders), als op school en in vrije tijdsituaties te kunnen functioneren. Hierbij zal ook aandacht zijn voor zijn zelfbeeld en identiteitsontwikkeling, nu [minderjarige] opgroeit bij ouders die vanwege hun eigen gezamenlijke belaste geschiedenis niet in staat zijn om met elkaar te communiceren in het belang van [minderjarige] . De ouders zijn allebei van mening dat de opvoedsituatie van de ander debet is aan de problematiek. Inmiddels is duidelijk dat inzet van hulp niet kan plaatsvinden zonder toezicht vanuit het gedwongen kader. Een
overdracht naar het vrijwillig kader is daarom niet passend.
Er loopt voor [minderjarige] nu een traject bij [zorginstelling] , gericht op onderzoek en diagnostiek en mogelijk gevolgd door een behandeltraject. Het lukt de ouders onvoldoende om dit vanuit samenwerking vorm te geven. Zij kijken beiden vanuit een andere bril naar het gedrag van [minderjarige] en hebben ook andere ervaringen opgedaan met hoe [minderjarige] functioneert en ontwikkelt. Overleg tussen ouders is gezien de spanningen tussen hen als ex-partners niet voldoende mogelijk. De GI acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat het traject wordt voortgezet en dat er wordt meegekeken door de GI om daar waar nodig beslissingen te nemen en aan te sturen.
3.3
Ter zitting heeft de GI aangevuld dat de verschillen tussen de ouders erg groot zijn. Zo ervaart [minderjarige] bij zijn moeder meer regels en krijgt hij bij zijn vader meer vrijheid. Door die verschillen en het feit dat ouders niet op een lijn komen is het lastig om een duidelijke diagnose te stellen. Dat [minderjarige] moeite heeft met schakelen wordt ook bij vader terug gezien.

4.De standpunten van de belanghebbenden

4.1
De vader zou willen dat de GI zich meer betrokken zou opstellen. Het voelt nu alsof de maandelijkse gesprekken plaats vinden op basis van een dossier. De vader haakt dan af. Misschien kan het helpen als gezinsvoogden om de twee maanden wisselen want dan valt het sneller op als iets niet goed loopt. De vader herkent zich niet in het beeld dat over [minderjarige] wordt geschetst, bijvoorbeeld dat hij snel boos wordt. De vader ziet wel dat hij vluchtgedrag laat zien als hij moeite heeft met schakelen. [minderjarige] vlucht dan naar zijn kamer. Het is dan belangrijk dat je weet hoe je dan weer in contact komt bij [minderjarige] . Dat lukt de partner van de vader prima. Dit gedrag van [minderjarige] herkent de vader ook bij zichzelf. De vader heeft zelf kenmerken van ASS maar heeft geen vastomlijnde diagnose gekregen. Doordat de vader soms 120 uur per week werkt krijgt hij te weinig slaap, waarbij hij merkt dat dit de ASS-kenmerken versterkt. Voor [minderjarige] zal slapen daarom ook belangrijk zijn en bij de vader wordt in de gaten gehouden of [minderjarige] voldoende aan slaap komt. Als het de dag ervoor laat geworden is, verplicht de vader [minderjarige] soms tot uitslapen tot 9 of 10 uur. De vader merkt nog op dat de vakantieregeling voor ongemak blijft zorgen.
4.2
De moeder vindt een verlenging van de ondertoezichtstelling nodig. Bij druk en spanning heeft [minderjarige] het moeilijk. Het lukt de moeder niet zonder tussenkomst van de GI om dat terug te koppelen aan de vader. De moeder bespreekt het daarom eerst met de GI zodat ze feedback krijgt. Zonder de bemoeienis van de GI krijgt de moeder ook niks geregeld, zoals de toestemming voor een vakantie of de afgifte voor een paspoort.
De moeder vindt het belangrijk dat de hulp voor [minderjarige] kan doorlopen. [minderjarige] heeft het nodig dat iemand hem aanstuurt. Als hij overprikkelt is moet je hem eerst met rust laten. Op de basisschool heeft hij af en toe een time-out nodig. Straks op het middelbaar valt die aansturing weg. Zodoende heeft de moeder contact gezocht met de mentor op school om dit te bespreken.

5.De beoordeling

5.1
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd vanwege de complexe sociaal-emotionele en gedragsmatige problemen die hij laat zien, waaronder emotieregulatie problematiek, en die hem ernstig belemmeringen in zijn ontwikkeling. Vooralsnog is het niet duidelijk waar dit gedrag vandaan komt: of het in [minderjarige] zelf zit of dat het wordt veroorzaakt door de aanhoudende onrust binnen het systeem. [zorginstelling] is ingeschakeld om diagnostisch onderzoek uit te voeren bij [minderjarige] , maar juist door het complexe systeem is dat niet gelukt. De ouders hanteren verschillende opvoedstijlen en vinden allebei dat de opvoedsituatie van de andere ouder debet is aan de problemen van [minderjarige] . Op de zitting is duidelijk naar voren gekomen dat de ouders geheel verschillend denken over bepaalde zaken. Daarbij verloopt de onderlinge communicatie verre van soepel en is de tussenkomst van de GI nodig om zaken met elkaar te kunnen bespreken. De kinderrechter kan zich voorstellen dat het voor [minderjarige] heel ingewikkeld is om te moeten opgroeien in twee verschillende werelden waarin hij zich steeds moet aanpassen, omdat de vader en de moeder qua opvoeding niet op een lijn zitten. Eens te meer nu blijkt dat [minderjarige] überhaupt moeilijk kan schakelen waarbij de kinderrechter er ook rekening mee houdt dat [minderjarige] straks naar het middelbaar onderwijs gaat en dus meer eigen verantwoordelijkheden krijgt. Het helpt dan niet als ouders niet op een lijn zitten. Dat wordt door de ouders ook erkend.
5.3
Doordat de ouders niet op een lijn zitten is de bemoeienis van het gedwongen kader nog steeds noodzakelijk. Het is in het belang van [minderjarige] dat het ingezette proces wordt voortgezet, zodat een diagnose gesteld kan worden en er voor [minderjarige] gerichte hulp kan worden ingezet. Gezien de interactie tussen de ouders is het vrijwillig kader ontoereikend.
5.4
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds noodzakelijk. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. De kinderrechter benadrukt hierbij het belang van een goede samenwerking tussen ouders om de noodzakelijk geachte hulpverlening voor [minderjarige] in te kunnen zetten.
5.5
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 13 juli 2027;
6.2
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026 door mr. Bregonje, kinderrechter, in aanwezigheid van Dullens-Servais als griffier, en op schrift gesteld op 17 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.