ECLI:NL:RBLIM:2026:7159

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
18 juli 2026
Zaaknummer
C/03/351999 / JE RK 26-811
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Geerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:3 AwbArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing inzake verzorging en opvoeding minderjarige

De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) omtrent de verzorging en opvoeding van haar minderjarige kind geheel te laten vervallen. De GI had de aanwijzing gegeven vanwege onvoldoende medewerking van de ouders aan afspraken over onderwijs, medische zorg en contact met de gezinsvoogd.

De rechtbank stelt vast dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. De moeder en GI verschillen van mening over de toelating van het kind tot school, waarbij de moeder aanvullende voorwaarden zoals observatie en IQ-test weigert. Dit leidt tot voortzetting van de ontwikkelingsachterstand van het kind.

De rechtbank verklaart de aanwijzing deels vervallen voor het punt van hulpverlening, omdat partijen hierover afspraken hebben gemaakt die tijdelijk de huisbezoeken opschorten. Het overige deel van de aanwijzing blijft van kracht. Dwangmiddelen zijn niet aan de orde omdat de GI geen verzoek tot bekrachtiging of dwangsom heeft ingediend. Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing wordt deels vervallen verklaard en het overige afgewezen; dwangmiddelen zijn niet aan de orde.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/351999 / JE RK 26-811
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.A.M. Ramakers, kantoorhoudend in Maastricht,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling
STICHTING BUREAU JEUGDZORG LIMBURG,
gevestigd te Roermond.
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonend in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, ontvangen op 30 april 2026,
  • de aanvullende stukken van de moeder, ontvangen op 14 mei 2026;
  • de brieven van de kinderarts en de huisarts van 15 juni 2026 en 22 juni 2026, tijdens de zitting door de moeder overgelegd.
1.2
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
  • een vertegenwoordigster van de GI,
  • de vader.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder zijn belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2
[minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 april 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 20 april 2027.
2.4
De GI heeft op 17 april 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
-
“U neemt binnen een week na de datum van deze schriftelijke aanwijzing contact op met de gezinsvoogd voor het maken van een nieuwe afspraak om [minderjarige] te kunnen zien. U staat open voor contact met de gezinsvoogd. Daarnaast is het van belang dat de gezinsvoogd [minderjarige] minimaal eenmaal per maand kan zien in de thuissituatie. Ook dient u structureel te overleggen met de gezinsvoogd over het verloop van de OTS. U dient uw afspraken met de Gl na te komen.
-
U komt vaste afspraken bij artsen en specialisten na en maakt vervolgafspraken indien nodig.
-
Hulpverlening: U werkt mee aan benodigde hulpverlening. Hulpverlening dient wekelijks op huisbezoek te komen en aan te sluiten bij medische -en schoolafspraken.
-
Onderwijs: U bent transparant over het proces rondom aanmelding bij onderwijs van [minderjarige] . U houdt de gezinsvoogd op de hoogte waar [minderjarige] wordt aangemeld en wat de status is van de aanmelding. U zorgt ervoor dat [minderjarige] uiterlijk per 1 mei 2026 staat ingeschreven op een passende school en dagelijks naar school gaat.
Op grond van artikel 1:263 lid 3 BW Pro kan de gecertificeerde instelling stichting Bureau Jeugdzorg Limburg aan de kinderrechter verzoeken deze schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen. Tegelijkertijd kan de gecertificeerde instellingstichting Bureau Jeugdzorg Limburg aan de kinderrechter verzoeken een door de wet toegelaten dwangmiddel (dwangsom of lijfsdwang) op te leggen.”

3.Het verzoek van de moeder

3.1
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2
De moeder voert het volgende aan. De moeder heeft de intentie om de gemaakte afspraken met de GI na te komen, maar zij is door omstandigheden die deels bij de GI bekend zijn niet in staat de afspraken na te komen. De moeder is voor een deel de afspraken reeds nagekomen. De moeder is zorgzaam en wil het beste voor [minderjarige] voor wat betreft onderwijs en medische zorg. Dat de GI dreigt met het opleggen van een dwangsom of lijfsdwang, zoals is vermeld in de schriftelijke aanwijzing, indien de gemaakte afspraken niet worden nagekomen vindt de moeder niet proportioneel. Het opleggen van een dwangmiddel zou ook niet in het belang van [minderjarige] zijn. Het opleggen van een dwangsom heeft tevens (financiële) consequenties voor [minderjarige] , aangezien de moeder moet rondkomen van een uitkering. Lijfsdwang is ook niet in het belang van [minderjarige] en disproportioneel, omdat moeder en dochter een hechte band met elkaar hebben.
3.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder toegelicht dat op 19 mei 2026 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen de moeder, de gezinsvoogd en de gedragsdeskundige wat ertoe heeft geleid dat onderling afspraken zijn gemaakt. Zowel de moeder als de GI willen dat [minderjarige] naar school gaat. De moeder is op basis van de afspraak op eigen initiatief op zoek naar een school voor [minderjarige] . Zo gaat de moeder naar open dagen van scholen en dan is alles in orde, totdat [minderjarige] wordt ingeschreven. De scholen stellen dan voorwaarden aan de toelating zoals het afnemen van een IQ test of dat [minderjarige] eerst ter observatie naar [kinderdienstencentrum] (hierna: het [kinderdienstencentrum] ) moet. Daar is de moeder het niet mee eens. Bij het [kinderdienstencentrum] zitten kinderen met ernstige beperkingen, waardoor de moeder niet wil dat [minderjarige] naar een plek gaat die ze niet verdient, ook niet ter observatie. Dat [minderjarige] niet zonder meer wordt toegelaten op een school vloeit volgens de moeder voort uit een incident dat heeft plaatsgevonden met een juffrouw toen [minderjarige] een paar dagen naar school is gegaan. Die juffrouw is echter nadien ziekgemeld toen bleek dat zij het werk niet meer aankon. Doordat die school handelingsverlegen was, zijn andere scholen huiverig voor aanmelding van [minderjarige] . Ook het feit dat [minderjarige] onder toezicht is gesteld speelt hierbij een rol. Er bestaat veel wantrouwen naar de GI toe. De moeder ervaart de GI als dwingend. De GI heeft eerder een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] aangevraagd en verkregen, maar niet ten uitvoer gelegd. Dit terwijl de moeder goed voor [minderjarige] zorgt. Hierdoor staat de moeder ook geen hulpverlening van onder andere [hulpverlening] bij haar thuis toe. Uit een brief van de kinderarts blijkt dat er geen medische zorgen zijn over [minderjarige] .

4.Het standpunt van de GI

4.1
De GI voert aan dat de schriftelijke aanwijzing is gegeven omdat de moeder (en de vader) de afspraken die zijn gemaakt tijdens het gesprek van 22 oktober 2025 niet volledig zijn nagekomen. Op 19 mei 2026 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden waarbij een aantal afspraken zijn gemaakt. Indien door de ouders aan deze afspraken wordt voldaan binnen een termijn van drie maanden, dan komt er een nieuwe gezinsvoogd in het gezin. Afgesproken is:
  • dat [minderjarige] vóór de zomervakantie wordt aangemeld bij een onderwijsinstelling. Daar moeten de ouders transparant over zijn naar de GI.
  • Dat medische afspraken door de ouders worden nagekomen. De ambulante hulpverlening van [hulpverlening] staat on hold voor drie maanden, maar daarna mag de hulpverlening bij de moeder thuis binnenkomen. Alleen als er ernstige zorgen en signalen komen dan dient [hulpverlening] nu al binnen te komen.
  • Dat de ouders accepteren dat de gezinsvoogd [minderjarige] regelmatig kan zien.
Doordat de ouders drie maanden de tijd krijgen om de afspraken na te komen verzoekt de GI op dit moment niet om een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. Tot op heden heeft de moeder de GI niet op de hoogte gehouden van een aanmelding van [minderjarige] bij een school. Indien sprake is van een ontwikkelingsachterstand bij een kind willen scholen daar vooraf zicht op krijgen en wordt een IQ test afgenomen, zodat de school alvorens een kind wordt aangenomen weet of extra hulp dient te worden ingeschakeld. Een formele aanmelding bij een school lukt niet, omdat de moeder blijft weigeren om [minderjarige] ter observatie naar het [kinderdienstencentrum] te laten gaan en ook geen toestemming verleent voor een IQ test. Dit terwijl observatie bij het [kinderdienstencentrum] het meest passend is voor [minderjarige] om zicht te krijgen op haar ontwikkelingsachterstand en van daaruit verder te kijken. Tot op heden gaat [minderjarige] echter niet naar school. Uit een e-mail van 23 juni 2026 van de GGD blijkt dat de ouders ondanks herhaaluitnodigingen en een brief niet op afspraken zijn verschenen, waardoor de GGD [minderjarige] niet in beeld heeft. De moeder is wel op 10 juni 2026 op een afspraak bij de kinderarts verschenen. De GI neemt in een schriftelijke aanwijzing altijd de tekst op dat zij bij de kinderrechter om een dwangmiddel kan verzoeken. Een dwangmiddel is nu echter niet aan de orde, gelet op de aanhouding voor de duur van drie maanden. De GI zal na afloop van de termijn van drie maanden in gesprek gaan met de gedragswetenschapper over de mogelijke wisseling van de gezinsvoogd en bezien of de schriftelijke aanwijzing nadien moet worden bekrachtigd.

5.Het standpunt van de vader

5.1
De vader voert aan dat de ontwikkelingsachterstand bij [minderjarige] komt doordat zij niet naar school gaat en de Nederlandse taal niet spreekt. Iets anders is er niet aan de hand met [minderjarige] . Zodra [minderjarige] in contact komt met andere kinderen dan vormt de taalachterstand geen probleem meer.

6.De beoordeling

6.1
Op grond van artikel 1:263 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
6.2
De gezaghebbende ouder kan op grond van het bepaalde in artikel 1:264 BW Pro de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken met ingang van de dag na die waarop de aanwijzing is verzonden of uitgereikt.
6.3
Een schriftelijke aanwijzing is een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De kinderrechter toetst of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven, komt de GI een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van de GI, beoordeelt of in de gegeven omstandigheden voldoende grond bestaat om een schriftelijke aanwijzing te geven. Bij die beoordeling gaat de kinderrechter uit van de feiten en omstandigheden zoals die op dit moment zijn.
6.4
De kinderrechter stelt vast dat het verzoek tot vervallenverklaring op 30 april 2026 is ontvangen. Dat is binnen een termijn van twee weken nadat de moeder kennis heeft kunnen nemen van de schriftelijke aanwijzing, zodat de kinderrechter van oordeel is dat de moeder haar verzoek tijdig heeft ingediend
5.4.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de eisen van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en overweegt als volgt. Onweersproken is gesteld dat voordat de GI de schriftelijke aanwijzing aan de moeder heeft gegeven op 22 oktober 2025 een gesprek heeft plaatsgevonden, waarbij tussen de GI en de moeder (en de vader) afspraken zijn gemaakt. Vervolgens heeft de GI op 19 maart 2026 een aankondiging gestuurd en heeft de moeder de gelegenheid gekregen om op het voornemen van het geven van de schriftelijke aanwijzing te reageren. De moeder heeft niet gereageerd op de vooraankondiging schriftelijke aanwijzing en gedrags- of situatieverandering is uitgebleven. De GI heeft toen besloten over te gaan tot het geven van een schriftelijke aanwijzing. Hieruit blijkt dat de GI voorafgaand aan het geven van de schriftelijke aanwijzing voldoende zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de betrokken belangen. De kinderrechter is verder niet gebleken dat de GI de schriftelijke aanwijzing ontoereikend heeft gemotiveerd. Door de GI is in de schriftelijke aanwijzing inzichtelijk gemaakt waarom de aanwijzingen worden gegeven en aan welke concrete aanwijzingen de moeder zich in het vervolg dient te houden. De moeder weet dus wat er van haar wordt verwacht en waaraan zij medewerking dient te verlenen.
6.5
De kinderrechter overweegt dat de moeder en de GI allebei willen dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk onderwijs kan volgen. De moeder en de GI verschillen van visie waarom [minderjarige] niet zonder meer wordt toegelaten tot een school nadat zij is aangemeld. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de moeder diverse scholen heeft bezocht, waarna zij [minderjarige] heeft aangemeld bij de betreffende school. Vaststaat dat diverse scholen als voorwaarde voor toelating stellen dat [minderjarige] ter observatie naar het [kinderdienstencentrum] dient te gaan, of is als voorwaarde voor toelating een IQ test vereist. De GI heeft toegelicht dat het gebruikelijk is bij een kind met een ontwikkelingsachterstand dat deze aanvullende voorwaarde wordt gesteld door een school, om zodoende zicht te krijgen op de ontwikkelings- en onderwijsbehoefte van een kind. Dan kan de betreffende school ook passend onderwijs aanbieden. Het is niet gebleken dat het incident op de school die [minderjarige] een paar dagen bezocht, de reden is voor de nadere voorwaarde die diverse scholen stellen voor toelating. De GI heeft dit namelijk gemotiveerd betwist en verdere onderbouwing door de moeder ontbreekt. De moeder erkent dat sprake is van een ontwikkelingsachterstand bij [minderjarige] namelijk vanwege het niet beheersen van de Nederlandse taal en vanwege vroeggeboorte. Uit de brieven van de kinderarts en huisarts van [minderjarige] blijkt ook dat zij een ontwikkelingsachterstand en/of een vertraagde ontwikkeling van onduidelijke origine constateren. Ook uit de recente beschikking waarbij de ondertoezichtstelling is verlengd, blijkt dat [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd (mede) doordat zij tot op heden geen onderwijs geniet. Dit terwijl [minderjarige] inmiddels ruim zes jaar oud is en dus leerplichtig. Doordat de moeder (en de vader) het aanvullend onderzoek dat diverse scholen vereisen, het afnemen van een IQ test of observatie van [minderjarige] bij het [kinderdienstencentrum] , blijven weigeren duurt de zorgelijke situatie dat [minderjarige] tot op heden geen onderwijs heeft genoten voort. Daarmee blijft een patroon in stand waardoor de reeds aanwezige ontwikkelingsachterstand alleen maar groter zal worden. Met deze weigerachtige houding verleent de moeder onvoldoende medewerking ter afwending van de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . Dat de moeder de inmenging van de GI als dwingend ervaart, geeft er blijk van dat de moeder niet inziet dat de GI handelt vanuit de ondertoezichtstelling van [minderjarige] binnen een gedwongen kader aan hulpverlening. De kinderrechter begrijpt dat het vertrouwen van de moeder is geschaad doordat de GI een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verzocht maar toch niet ten uitvoer heeft gelegd, maar dat rechtvaardigt niet dat de moeder de samenwerking met de GI blijft weigeren. De moeder treedt niet in contact met de GI, waardoor de GI nauwelijks contactmomenten met [minderjarige] heeft gehad en er weinig zicht op [minderjarige] is. Onweersproken blijkt dat de moeder na het afgeven van de schriftelijke aanwijzing geen verbetering heeft laten zien op dit punt. Daarnaast heeft de GI onbetwist gesteld dat uit een recente e-mail van de GGD van 23 juni 2026 blijkt dat er geen zicht op [minderjarige] bestaat. Ondanks dat de moeder met [minderjarige] verschenen is op een afspraak met de kinderarts op 10 juni 2026, blijft het nakomen van de medische afspraken een aandachtspunt. Het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 17 april 2026 zal daarom, voor zover deze ziet op de navolgende punten, worden afgewezen. De afwijzing tot vervallenverklaring heeft betrekking op de volgende schriftelijke aanwijzingen:
- U neemt binnen een week na de datum van deze schriftelijke aanwijzing contact op met de gezinsvoogd voor het maken van een nieuwe afspraak om [minderjarige] te kunnen zien. U staat open voor contact met de gezinsvoogd. Daarnaast is het van belang dat de gezinsvoogd [minderjarige] minimaal eenmaal per maand kan zien in de thuissituatie. Ook dient u structureel te overleggen met de gezinsvoogd over het verloop van de OTS. U dient uw afspraken met de Gl na te komen.
- U komt vaste afspraken bij artsen en specialisten na en maakt vervolgafspraken indien nodig.
- Onderwijs: U bent transparant over het proces rondom aanmelding bij onderwijs van [minderjarige] . U houdt de gezinsvoogd op de hoogte waar [minderjarige] wordt aangemeld en wat de status is van de aanmelding. U zorgt ervoor dat [minderjarige] uiterlijk per 1 mei 2026 staat ingeschreven op een passende school en dagelijks naar
school gaat.
6.6
Voorzover de moeder aanvoert dat het aanwenden van dwangmiddelen tot nakoming van de schriftelijke aanwijzingen niet proportioneel is, zal de rechtbank hier geen inhoudelijk oordeel over geven. De GI is op dit moment niet overgegaan tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing, waardoor het verzoek tot het opleggen van een dwangmiddel aldus niet aan de orde is.
6.7
De kinderrechter oordeelt dat de navolgende schriftelijke aanwijzing vervallen wordt verklaard:
- Hulpverlening: U werkt mee aan benodigde hulpverlening. Hulpverlening dient wekelijks op huisbezoek te komen en aan te sluiten bij medische -en schoolafspraken.
De kinderrechter overweegt daartoe dat gelet op de afspraken die zijn gemaakt op 19 mei 2026 tussen partijen, waarbij de ambulante hulpverlening van [hulpverlening] voor de duur van drie maanden tijdelijk is stopgezet, tenzij sprake is van ernstige zorgen en signalen, hulpverlening niet bij de moeder thuiskomt. Omdat de termijn van drie maanden op dit moment loopt zou de schriftelijke aanwijzing met betrekking tot het toelaten van hulpverlening bij de moeder thuis de gemaakte afspraak doorkruisen, waardoor de schriftelijke aanwijzing op dit punt vervalt.
6.8
De kinderrechter wijst er – ten overvloede op – dat tegen deze beschikking geen hoger beroep openstaat. De kinderrechter kan de beslissing daarom niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Deze uitspraak heeft wel onmiddellijke werking, juist omdat er geen hoger beroep mogelijk is.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 17 april 2026 deels vervallen, voor zover de aanwijzing ziet op het punt:
- hulpverlening: U werkt mee aan benodigde hulpverlening. Hulpverlening dient wekelijks op huisbezoek te komen en aan te sluiten bij medische -en schoolafspraken.
7.2
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Geerman, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).