ECLI:NL:RBLIM:2026:7168

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
18 juli 2026
Zaaknummer
C/03/351990 / JE RK 26-810
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Geerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 1:264 BWArt. 1:265f BWArt. 1:3 AwbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing verzoek tot opheffing schriftelijke aanwijzing omgangsbeperking moeder met uithuisgeplaatst kind

De moeder, belast met het ouderlijk gezag over haar kind dat sinds februari 2025 in een pleeggezin verblijft, verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de gecertificeerde instelling (GI) tot beperking van haar contact met het kind geheel te laten vervallen. De GI had de contactmomenten beperkt tot één keer per week drie uur begeleid contact en één keer per week een uur bij de pleegouders, vanwege veiligheidsrisico's.

De rechtbank oordeelt dat de GI bevoegd was de schriftelijke aanwijzing te geven, maar onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de forse beperking noodzakelijk is. De moeder onderhoudt een goede band met het kind, voldoet aan diens basisbehoeften en werkt volledig mee aan hulpverlening. De veiligheid onder begeleiding is niet concreet onderbouwd als reden voor de beperking.

De rechtbank wijst het verzoek deels toe door de contactmomenten te verhogen naar twee keer per week drie uur onder begeleiding, waarbij de GI de regie houdt over verdere uitbreiding. De omgang bij de pleegouders blijft ongewijzigd. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek van de moeder deels toe en stelt een contactregeling van twee keer per week drie uur onder begeleiding vast.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/351990 / JE RK 26-810
Datum uitspraak: 10 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing op grond van artikel 1:265f BW
in de zaak van
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonend op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. T.M.T.M. Lindeman uit Stein,
over
[minderjarige] ,geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI;
[pleegouder 1],
en
[pleegouder 2],
beiden wonend in [woonplaats] ,
hierna samen te noemen: de pleegouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 april 2026;
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 29 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI;
- de pleegouders.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
De kinderrechter van deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 januari 2025 [minderjarige] onder toezicht van de GI gesteld voor de duur van drie maanden, dus tot 15 april 2025. Vervolgens is deze maatregel steeds verlengd, laatstelijk tot 15 april 2027.
2.3.
Bij voormelde beschikking van 15 januari 2025 is tevens een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin tot 29 januari 2025. Vervolgens is bij beschikking van 27 januari 2025 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een crisispleeggezin en aansluitend in een netwerkpleeggezin voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling met ingang van 29 januari 2025, dus tot 15 april 2025. Daarna is bij voormelde beschikking van 3 april 2025 tevens een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin voor de duur van zes maanden met ingang van 15 april 2025, dus tot 15 oktober 2025. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 15 april 2027.
2.4.
[minderjarige] verblijft sinds 14 februari 2025 in een perspectief biedend pleeggezin.
2.5.
De GI heeft op 16 april 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
“De gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering stelt de volgende regeling vast:
één keer per week een volledig begeleid contactmoment van 3 uur, en
één keer per week een contactmoment van 1 uur bij de pleegouders.
De regeling geldt voor de duur van de duur van de uithuisplaatsing, tot 14 april 2027.
Na afloop van deze duur zal het verloop van deze regeling worden geëvalueerd.”

3.Het verzoek

3.1.
De moeder verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI geheel vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij verzoekt om de huidige contactregeling in de beschikking op te nemen, zodat de moeder contact heeft met [minderjarige] als volgt:
- iedere maandag en woensdag van 09.00 uur tot 15.00 uur, waarvan twee uur zonder begeleiding en de overige tijd onder begeleiding van [hulpverlening] dan wel van een andere door de GI in te schakelen instantie;
- iedere dinsdag en vrijdag één uur bij de pleegouders;
althans te beslissen hetgeen de kinderrechter in goede justitie juist acht.
3.2.
De moeder stelt zich niet te kunnen vinden in de forse beperking van de contactmomenten met [minderjarige] . De moeder stelt dat de huidige regeling al maanden heeft gelopen. Als deze daadwerkelijk had geleid tot gevaren voor [minderjarige] dan had de GI of de begeleider van de contacten al veel eerder ingegrepen. Voor de moeder kwam de aangekondigde aanzienlijke beperking van de omgang als donderslag bij heldere hemel. Zo lang er sprake is van een machtiging tot uithuisplaatsing waarbij het perspectief niet anders kan zijn dan toewerken naar terugkeer van [minderjarige] naar de moeder, dient er alles aan gedaan te worden om de moeder hiertoe een kans te geven. Deze kans krijgt ze niet door de zeer beperkte regeling. [minderjarige] is pas één jaar oud zodat het nog te vroeg is om van een definitieve beslissing ten aanzien van een ander perspectief van [minderjarige] te kunnen spreken. Er dient alles aan te worden gedaan om te bezien waar de uiteindelijke grens in ontwikkeling van de moeder ligt.
3.3.
De moeder stelt tijdens de mondelinge behandeling dat zij heel blij is met de pleegouders. Zij heeft zelf ook in het pleeggezin verbleven. De verhoudingen zijn goed en de moeder is blij dat [minderjarige] bij familie verblijft. De moeder vindt echter dat de GI de handdoek te vroeg in de ring gooit. De begeleiding geeft aan dat de moeder in de basisbehoeften van [minderjarige] kan voorzien en dat er een goede interactie plaatsvindt. De moeder vraagt zich af waarom de oude regeling niet kan worden gehandhaafd. De moeder krijgt op die manier de kans om zich nog verder te ontwikkelen en te laten zien dat zij het kan. De begeleiding is inmiddels overgenomen door [persoon] . De moeder voelt zich veel beter bij de begeleiding van [persoon] omdat ze het gevoel heeft dat ze niet meer voortdurend beoordeeld wordt. Ze durft daarom nu ook meer vragen te stellen. Voor de moeder voelt het alsof ze wordt uitgegumd uit het leven van [minderjarige] . Het voelt alsof ze op bezoek gaat bij [minderjarige] terwijl ze graag een moeder wil zijn voor [minderjarige] net als voorheen. Wanneer de contactmomenten begeleid worden, is er geen gevaar voor de veiligheid van [minderjarige] . Het is niet duidelijk waarom de contacten zijn teruggebracht naar één keer drie uur. Onduidelijk is waarom er niet minstens twee contactmomenten van drie uur per week mogelijk zijn. De moeder vraagt zich af of dat wellicht te maken heeft met capaciteitsproblemen bij de begeleiding. Het is te vroeg om de contactmomenten al zo fors te beperken terwijl er geen aanwijsbare reden is om een dergelijke forse beperking te verklaren.

4.Het verweer van de GI

4.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de GI verweer gevoerd. De GI heeft gesteld dat de eerdere, uitgebreide regeling waarbij de moeder twee keer per week gedurende zes uur contact had met [minderjarige] onder begeleiding van [hulpverlening] , was bedoeld om [hulpverlening] onderzoek te laten doen naar de opvoedmogelijkheden van de moeder. Het onderzoek is inmiddels afgerond en [hulpverlening] heeft geconcludeerd dat er mede gelet op de beperkte leerbaarheid van de moeder, ook na de inzet van psycho-educatie, geen mogelijkheden meer bestaan voor een thuisplaatsing bij de moeder. Om de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen dienen alle contactmomenten bovendien begeleid te worden. De moeder toont veel affectie naar [minderjarige] maar gezien wordt dat er een aantal risico’s bestaan op het gebied van de veiligheid. De begeleiding van de omgang is na de afronding van het onderzoek door [hulpverlening] overgenomen door [persoon] . Voor de moeder voelt dat meer ontspannen omdat er minder verwachtingen zijn na afronding van het onderzoek door [hulpverlening] . Gezien is bovendien dat na het terugbrengen in duur van de contactmomenten de kwaliteit van de omgang is verbeterd. Tijdens een deel van de contacten van zes uur sliep [minderjarige] immers. Ze sliep dan vaak slecht wat niet ten goede kwam aan de kwaliteit van de omgang. [minderjarige] slaapt nu niet meer in de drie uur dat ze bij de moeder is waardoor ze samen leuke dingen kunnen ondernemen. Er wordt nog gekeken hoe de moeder op een fijne manier moeder kan zijn. Dat de GI geen stappen zet om over te gaan tot een onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel komt omdat de moeder haar volledige medewerking verleent aan de geboden hulpverlening en een dergelijke maatregel voor haar als een straf zou voelen. Wanneer de moeder zou instemmen met een vrijwillige plaatsing in het pleeggezin zou een verlenging van de ondertoezichtstelling in de (nabije) toekomst mogelijk niet langer nodig zijn. Het aantal uren omgang per week – drie uur begeleid en een uur bij de pleegouders begeleid door hun – acht de GI passend.

5.Het standpunt van belanghebbenden

5.1.
De pleegouders stellen dat het bovenal belangrijk is voor [minderjarige] dat de onderlinge relaties goed zijn en [minderjarige] niet in een loyaliteitsconflict terecht komt. Zij stellen zich op het standpunt dat het niet aan hen is om een beslissing te nemen over de frequentie van de contactregeling. [minderjarige] ontwikkelt zich goed en het is ook in het belang van [minderjarige] dat het goed gaat met de moeder. Het zoeken naar een balans is aan de professionals.

6.De beoordeling

Het wettelijk kader
6.1.
Op grond van artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI voor de duur van de uithuisplaatsing de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken. Lid 2 van dit artikel bepaalt dat deze beslissing geldt als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:263 BW Pro. Op grond van artikel 1:263 BW Pro kan de GI ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.
6.2.
Artikel 1:264 BW Pro is eveneens van overeenkomstige toepassing verklaard. Op grond van dit artikel kan de gezaghebbende ouder de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De kinderrechter kan vervolgens op grond van artikel 1:265f lid 2 BW een zodanige regeling vaststellen als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt.
Ontvankelijkheid
6.3.
De gezaghebbende ouder kan op grond van het bepaalde in artikel 1:264 BW Pro de kinderrechter verzoeken de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken met ingang van de dag na die waarop de aanwijzing is verzonden of uitgereikt. Uit de stukken die in het geding zijn gebracht, blijkt dat de schriftelijke aanwijzing op 16 april 2026 is verzonden danwel uitgereikt. Het verzoek tot vervallenverklaring is op 30 april 2026 ontvangen door de griffie van de rechtbank. De kinderrechter acht de moeder dan ook ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
6.4.
Het beperken van contact tussen ouders en kinderen betekent een inbreuk op het recht op eerbieding van het gezinsleven (family life) als bedoeld in artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze inbreuk mag niet verder gaan dan in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Hoe ver de beperking kan gaan, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een EVRM-verdragsstaat om het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen.
6.5.
Een schriftelijke aanwijzing is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat aan de hand van het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4 van de Awb beoordeeld moet worden of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. De kinderrechter moet daarom beoordelen of de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig en onder afweging van alle betrokken belangen tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven, moet worden bedacht dat aan de GI een zekere beleidsvrijheid toekomt. De kinderrechter dient, gegeven de taak van de GI, te bezien of er voldoende grond is om de schriftelijke aanwijzing op te leggen. Dit is een ex nunc beoordeling waarbij de kinderrechter tot en met het moment van de mondelinge behandeling rekening kan houden met gewijzigde omstandigheden.
6.6.
De kinderrechter is van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing van de GI van
16 april 2026 voldoet aan de minimumeisen wat betreft de zorgvuldige totstandkoming doordat uit de schriftelijke aanwijzing blijkt dat het voornemen met de moeder is besproken, zij hierop heeft gereageerd en deze reactie is meegenomen in het besluit. Ook is de schriftelijke aanwijzing op een begrijpelijke wijze toegelicht en deugdelijk gemotiveerd. Door de GI is in de schriftelijke aanwijzing en tijdens de mondelinge behandeling inzichtelijk gemaakt waarom de aanwijzing wordt gegeven en wat deze inhoudt.
6.7.
De kinderrechter dient vervolgens te beoordelen of de GI de bevoegdheid heeft om een schriftelijke aanwijzing te geven. Als de GI een schriftelijke aanwijzing geeft, stelt zij eenzijdig de rechtspositie vast van degene tot wie de aanwijzing zich richt. Degene tot wie de schriftelijke aanwijzing is gericht, is verplicht de aanwijzing op te volgen. Deze eenzijdige vaststelling vormt een wezenlijke inbreuk op de vrijheid van een burger en is daarom alleen toegestaan als er een wettelijke grondslag voor die inbreuk is. De GI is bevoegd in het kader van een uithuisplaatsing het contact tussen een gezaghebbende ouder en een kind te beperken, indien dat noodzakelijk is met het oog op het doel van de uithuisplaatsing. Daarbij dient de kinderrechter ook te beoordelen of de mate waarin de contacten worden beperkt ook passend is.
6.9.
De kinderrechter is van oordeel dat de GI bevoegd was een schriftelijke aanwijzing te geven. De GI heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] op dit moment moeten worden beperkt tot één keer per week drie uur onder begeleiding (van [persoon] ). Naar het oordeel van de kinderrechter is onvoldoende gebleken dat de opgelegde forse beperking van de contacten tussen de moeder en [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren deels toewijzen.
6.10.
De kinderrechter overweegt daartoe het volgende. Uit de stukken en het besprokene ter zitting is duidelijk geworden dat [minderjarige] en de moeder een goede band met elkaar hebben en dat de moeder haar volledige medewerking verleend aan de hulpverlening, ook tijdens de contactmomenten met [minderjarige] . De moeder voldoet aan de basisbehoeften van [minderjarige] . De GI heeft gesteld dat al duidelijk is dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder maar bij de pleegouders ligt. De moeder respecteert de plek van [minderjarige] bij de grootouders, al vindt zij het nog te vroeg om al te stellen dat het perspectief niet langer bij haar ligt. Uit niets is echter gebleken dat het voor [minderjarige] onduidelijk is wie op dit moment haar hoofdopvoeder is. [minderjarige] woont al sinds februari 2025 bij de pleegouders en de moeder en de pleegouders zijn het hierover eens. De moeder beseft ook goed dat [minderjarige] in ieder geval op dit moment niet bij haar kan wonen. Ook is niet gebleken dat de moeder de positie van de pleegouders niet zou respecteren. Zowel de pleegouders als de moeder hebben tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat zij tevreden zijn met hoe de situatie op dit moment voor [minderjarige] is.
6.11.
Desgevraagd heeft de GI tijdens de zitting toegelicht dat de reden voor de beperking tot één begeleid contactmoment per week is gelegen in de veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] , en niet in een gebrek aan capaciteit bij de begeleiding. Echter niet is duidelijk geworden, ook niet na er nogmaals daarover te zijn bevraagd, waar de veiligheidsrisico’s voor [minderjarige] precies uit bestaan, zelfs als er begeleiding bij is. Immers, de huidige begeleiding is er niet op gericht om de moeder te ‘testen’ op haar opvoedkwaliteiten maar is erop gericht de omgang (veilig) te kunnen laten plaatsvinden. Mochten zich risico’s voordoen, dan verwacht de kinderrechter dat de begeleiding meteen ingrijpt en niet afwacht of de moeder de risico’s zelf afwendt. Anders dan dat de begeleiding heeft gezien dat er vier dagen na een contactmoment nog etensresten van [minderjarige] op het aanrecht staan, heeft de GI niet kunnen uitleggen waar de huidige veiligheidsrisico’s dan precies uit bestaan. Waarom omgang één keer per week (gedurende drie uur) dan nog passend zou zijn, heeft de GI niet onderbouwd. Zoals hiervoor overwogen, de contactmomenten van drie uur worden volledig begeleid door [persoon] en de moeder kan dan ook worden aangesproken op de momenten waarbij de veiligheid van [minderjarige] mogelijk in het geding zou zijn. De kinderrechter acht deze stelling van de GI daarmee onvoldoende onderbouwd.
6.12.
De GI heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de veiligheid van [minderjarige] onder begeleiding in de thuissituatie bij de moeder zodanig in het gedrang komt dat de contactmomenten daarom moeten worden teruggebracht van twee keer per week naar één keer per week. De GI heeft echter wel onweersproken gesteld dat de kwaliteit van de contactmomenten tussen de moeder en [minderjarige] is toegenomen nu deze in duur van zes naar drie uur zijn teruggebracht. [minderjarige] hoeft dan niet te slapen en de moeder lukt het beter om tijdens deze kortere tijdspanne bij [minderjarige] aan te sluiten en een leuke invulling te geven aan het contact. Daarom acht de kinderrechter de door de moeder verzochte hervatting van de oude regeling op dit moment (nog) niet in het belang van [minderjarige] . De kinderrechter zal daarom een regeling vaststellen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] geheel wordt begeleid door een nader door de GI te bepalen instantie (waarschijnlijk door [persoon] ). Daarbij vindt de kinderrechter het belangrijk om opnieuw aan te sluiten bij de frequentie van twee keer per week, maar dan gedurende drie uur.
6.13.
Ten slotte overweegt de kinderrechter dat de omgang bij de pleegouders niet door de kinderrechter zal worden uitgebreid. Om de verhoudingen tussen de pleegouders en de moeder niet in gevaar te brengen en het voor de kinderrechter onduidelijk is wat de mogelijkheden van de pleegouders daartoe zijn, blijft dit deel van de schriftelijke aanwijzing in stand. Het staat partijen uiteraard vrij om buiten die keer per week andere/meerdere omgangsmomenten af te spreken, zoals tijdens de zitting ook is verteld door partijen, bijvoorbeeld op Moederdag.
Uitvoerbaarverklaring bij voorraad
6.13.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verklaart de schriftelijke aanwijzing van 16 april 2026 gedeeltelijk vervallen, te weten het volgend onderdeel: “één keer per week een volledig begeleid contactmoment van 3 uur”;
7.2.
stelt vast dat de moeder contact met [minderjarige] kan hebben twee keer per week gedurende drie uur bij de moeder thuis, onder begeleiding van een door de GI aan te wijzen instantie (bijvoorbeeld [persoon] ), waarbij de regie over de verdere uitbreiding van de contacten bij de GI zal komen te liggen;
7.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026 door mr. Geerman, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.