ECLI:NL:RBLIM:2026:7345

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
03.229136.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 55 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging doodslag, veroordeling poging zware mishandeling en bedreiging met mes

Op 28 augustus 2025 maakte de verdachte in Sittard met een groot keukenmes een stekende en/of slaande beweging richting de buik en/of borst van het slachtoffer. De rechtbank achtte niet bewezen dat de verdachte opzet had om het slachtoffer te doden, waardoor hij werd vrijgesproken van poging tot doodslag.

Wel werd bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen en het slachtoffer bedreigde met zware mishandeling. Daarnaast droeg de verdachte een mes dat bestemd was om letsel toe te brengen. De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, verklaringen van het slachtoffer en getuigen, en de bekentenis van de verdachte.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. De straf werd verminderd wegens verminderd toerekeningsvatbaarheid, gelet op een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op, waaronder behandeling en reclasseringstoezicht, maar zag geen aanleiding voor een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.

De voorlopige hechtenis werd opgeheven omdat de opgelegde straf gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De rechtbank gaf toepassing aan artikel 9a Sr voor het dragen van het mes zonder daarvoor een aparte straf op te leggen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf waarvan 170 voorwaardelijk voor poging tot zware mishandeling en bedreiging met mes.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.229136.25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 21 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1973,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.G. Janssen, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 7 juli 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 28 augustus 2025 te Sittard:
Feit 1:heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven door met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken (primair) dan wel heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken;
Feit 2:[slachtoffer] heeft bedreigd met de dood en/of met zware mishandeling door met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken;
Feit 3:een mes heeft gedragen, waarvan kon worden aangenomen dat deze bestemd was om letsel toe te brengen en/of te dreigen.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak voor feit 1 primair en bewezenverklaring van feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2. Ter zake van feit 1 subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de verdachte niet de intentie had om [slachtoffer] te raken en ook geen voorwaardelijk opzet op het toebrengen van dodelijk letsel, noch op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft gehad, nu die kans naar algemene ervaringsregels niet aanmerkelijk is te noemen bij de zijwaartse zwaaibeweging op enige afstand van [slachtoffer] . Daarnaast had de zwaaiende beweging op enige afstand weliswaar enig snijletsel kunnen veroorzaken, maar geen steekwond en geen snijwond die heel diep is en dus is aan te merken als dodelijk dan wel zwaar lichamelijk letsel. Ter zake van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er door [slachtoffer] geen aangifte is gedaan van bedreiging, hij daarover ook niet heeft verklaard en dat het gedrag van [slachtoffer] tijdens het incident geen gedrag is van iemand die zich bedreigd voelt. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
Poging tot doodslag (feit 1 primair)
Vrijspraakoverweging
Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank niet bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om aangever [slachtoffer] om het leven te brengen. De rechtbank overweegt hiertoe dat op basis van het dossier, en met name de beelden, niet kan worden vastgesteld dat de stekende en/of slaande beweging in de richting van de nek en/of de halsstreek van [slachtoffer] gaat en dat gelet daarop niet bewezen kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het doden van [slachtoffer] . De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van de onder feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag.
Poging tot zware mishandeling (feit 1 subsidiair) en bedreiging (feit 2)
Bewijsmiddelen
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [2]
Ik doe aangifte van poging tot doodslag. Ik was er van overtuigd dat de verdachte mij dood wilde steken middels een keukenmes. Op 28 augustus 2025 liep ik over de Stationsstraat in Sittard. Ik zag dat er een man langs me kwam lopen. Uit fatsoen zei ik goedemorgen tegen deze meneer, ik dacht namelijk dat ik deze meneer al eens gezien had. Ik zag dat hij naar mij keek en ik hoorde dat hij niks tegen mij zei. Ongeveer 5 minuten later was ik ter hoogte van het Stationsplein en zag ik dat hij aan kwam fietsen. Ik zag dat hij recht voor mijn neus stopte en zijn fiets neerzette. Ik hoorde dat hij zei, 'Wat was dat net nou?' Ik hoorde dat hij zei, 'Wat is je probleem?' Ik hoorde dat hij zei dat ik met hem mee moest komen. Ik zag dat hij iets uit zijn Albert Heijn tas wilde halen. Ik zag uiteindelijk dat het om een groot keukenmes ging. Ik zei tegen hem dat ik niet met hem meeging maar dat, als hij iets wilde doen, dat gewoon hier moest doen. Ik zag dat hij met dit mes twee keer richting mijn buik wilde steken.
Het proces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [3]
Op 29 augustus 2025 heb ik, camerabeeldspecialist werkzaam binnen het basisteam Westelijke Mijnstreek van de Eenheid Limburg, camerabeelden bekeken. Uit de registratie maakte ik op dat het een poging doodslag betrof. Dit vond plaats bij het Station Sittard gelegen aan het Stationsplein 2a te Sittard.
Beschrijving persoon 1, (hierna genoemd NN1): NN1 is een man met een normaal postuur. NNI draagt een donkerkleurige dikke jas met lange mouwen en capuchon, een
lichtkleurige sportbroek met donkerkleurige verticale streep op de buitenzijden en
donkerkleurige schoenen. Verder heeft NNI een donkerkleurige pet op zijn hoofd en een
blauwkleurige plastic boodschappentas in zijn linkerhand. Zie foto 01.
Beschrijving persoon 2, (hierna genoemd NN2): NN2 is man met een normaal postuur en
een lichte huidskleur. NN2 draagt een lichtkleurige jas met lange mouwen, een
blauwkleurige lange broek met gaten/scheuren bij de knieën en lichtkleurige schoenen.
Verder heeft NN2 een lichtkleurige pet op zijn hoofd. Zie foto 02.
Beschrijving bestand "STD-902 CHal D thv OVCP-2025-08-28_08h01min45s000ms":
Tijdstip 00:00:op de tijdlijn van de VLC media player zag ik een cameraperspectief gericht op de binnenkant van de centrale hal van het station. Ik zag in het midden in beeld ov-toegangspoortjes staan. Rechtsboven in beeld zag ik glazen schuifdeuren. Ik zag NN2 rechtsboven in beeld, aan de buitenzijde van de glazen schuifdeuren, naar achteren lopen. Ik zag NN1 op NN2 aflopen.
Tijdstip 01:19:op de tijdlijn van de VLC media player zag ik NN1 vanuit rechtsboven in beeld komen. Ik zag NN2 dichtbij NN1 staan. Ik zag een niet nader omschreven vrouw met haar linkerhand tegen haar gezicht houden en wijzen met haar rechterhand richting NN1. Ik zag dat NN1 een reflecterend goed in zijn rechterhand vasthield. Ik zag NN1, die het goed in zijn rechterhand vasthield, met kracht een slaande beweging maken in een boog ter hoogte van de borst van NN2. Ik zag NN2 naar achteren gaan. Hierna gaat NN2, achteruit, naar rechts uit beeld kort gevolgd door NN1.
De eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 7 juli 2026 van de beelden gedateerd van 28 augustus 2025 vanaf 08:01:44 uur, voor zover inhoudende:
De rechtbank neemt op de camerabeelden op omstreeks minuut 01:21 waar dat de verdachte een stekende en slaande dan wel zwaaiende beweging richting de buik-/borststreek van het slachtoffer maakt met een voorwerp gelijkend op een groot keukenmes.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven: [4]
Ik liep richting de Albert Heijn To Go. Ik zag dat er buiten twee personen stonden. Ik zag dat het een buitenlands persoon met een Albert Heijn tas, en een blanke man betrof. Ik zag dat de buitenlandse persoon een mes trok, dit betrof een groot keuken mes. Ik zag dat de buitenlandse persoon meerdere stekende bewegingen maakte.
Bewijsoverweging
Stekende beweging
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen bewezen kan worden dat verdachte met het mes een stekende, dan wel slaande, beweging heeft gemaakt richting het lichaam van [slachtoffer] . De rechtbank heeft in haar beoordeling doorslaggevende betekenis toegekend aan de beelden, waarop naar het oordeel van de rechtbank duidelijk te zien is dat de verdachte met snelheid en enige kracht, het mes richting de buik en/of borststreek van [slachtoffer] beweegt. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen tevens vast dat de verdachte met deze beweging, anders dan de verdediging stelt, niet enkel een verdedigingspositie heeft aangenomen waarmee hij de aangever op afstand wilde houden. De verdachte heeft actief met het mes in de richting van [slachtoffer] bewogen en daarbij met het mes richting de buik-/borststreek van [slachtoffer] uitgehaald.
Opzet
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte uit het niets een groot, puntig mes uit een plastic Albert Heijn-tas tevoorschijn haalt en hiermee een stekende en slaande beweging heeft gemaakt in de richting van de buik en borststreek van [slachtoffer] . De verdachte deed dit terwijl hij op zeer korte afstand van [slachtoffer] stond. De uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte laat geen andere conclusie toe dan dat het verdachtes intentie was om (zwaar) lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer] . Slechts doordat [slachtoffer] op tijd naar achteren bewoog, is hij ongedeerd gebleven, maar het is een feit van algemene bekendheid dat messteken in het lichaam met een mes van dergelijke omvang zwaar lichamelijk letsel teweeg kunnen brengen. Naar het oordeel van de rechtbank levert het handelen van de verdachte dan ook een poging op tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, waarbij sprake is van vol opzet van de verdachte op het toebrengen van dergelijk letsel.
Bedreiging
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen tevens kan worden bewezen dat de verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling. Zoals eerder overwogen haalt de verdachte onverwacht een groot, puntig mes uit een plastic Albert Heijn tas, en maakt hij hiermee van dichtbij een stekende en slaande beweging richting de buik-/borststreek van [slachtoffer] . De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde gedraging van de verdachte in de gegeven omstandigheden een bedreiging met zware mishandeling van [slachtoffer] oplevert. Dat [slachtoffer] niet specifiek aangifte heeft gedaan van bedreiging of niet zou hebben verklaard dat hij zich persoonlijk bedreigd heeft gevoeld, doet daar niet aan af, alleen al niet nu [slachtoffer] ook heeft verklaard dat hij ervan overtuigd was dat de verdachte hem dood wilde steken. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard daarvan en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgevonden, bij [slachtoffer] weldegelijk de vrees kon ontstaan dat hij zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.
Dragen van een mes (feit 3)
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 28 augustus 2025 in Sittard een mes heeft gedragen waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen. De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het ten laste gelegde ter terechtzitting heeft bekend en namens hem geen vrijspraak voor dit feit is bepleit.
- het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] ; [5]
- het proces-verbaal van bevindingen beschrijving wapen; [6]
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 7 juli 2026.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 subsidiair:
op 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken in de richting van de buik en/of de borst, van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
op 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen [slachtoffer] heeft bedreigd
met zware mishandeling, door met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken in de richting van de buik en/of de borst, van die [slachtoffer] ;
Feit 3:
op 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen, heeft gedragen.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder feit 1 subsidiair en feit 2 bewezenverklaarde levert op:
De eendaadse samenloop van
poging tot zware mishandeling
en
bedreiging met zware mishandeling;
Het onder feit 3 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen - voor feit 1 subsidiair en feit 2 - een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd op te leggen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en het NIFP. Het opleggen van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM), zoals geadviseerd in het NIFP-rapport en door de reclassering, kan volgens de officier van justitie achterwege blijven, nu dat in deze zaak een te vergaande maatregel betreft. Voor feit 3 heeft de officier van justitie gevorderd toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en hem daarvoor geen aparte straf of maatregel op te leggen.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 1 en 2 zou komen, geschaard achter de eis van de officier van justitie, en daarbij met name verzocht om een gevangenisstraf op te leggen die de duur van het voorarrest niet overschrijdt. Daarbij heeft de verdediging tevens verzocht om de oplegging van een GVM achterwege te laten, nu hij dat een te zwaar kader acht voor de strafbare feiten in deze zaak. Voor feit 3 heeft de verdediging verzocht een kleine geldboete op te leggen, dan wel toepassing te geven aan artikel 9a Sr.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De verdachte heeft geprobeerd slachtoffer [slachtoffer] zwaar te mishandelen en heeft hem zodoende tegelijkertijd bedreigd. Toen er een ruzie ontstond tussen de verdachte en het slachtoffer, besloot de verdachte een groot keukenmes te trekken en dit met een stekende beweging richting de buik, dan wel de borst van het slachtoffer te bewegen. Deze onveilige, bedreigende situatie vond plaats tijdens een drukke ochtendspits, op klaarlichte dag, voor de toegangsdeuren van de stationshal in Sittard. Meerdere omstanders hebben het incident dan ook waargenomen. De verdachte heeft daarmee niet alleen gevoelens van angst veroorzaakt bij het slachtoffer, maar ook de openbare orde verstoord en gezorgd voor maatschappelijke onrust en gevoelens van onveiligheid bij deze omstanders. Het slachtoffer is ongedeerd gebleven omdat hij op tijd een stap naar achteren deed, maar zoals reeds hiervoor overwogen had het handelen van de verdachte veel ergere gevolgen kunnen hebben. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij dit risico heeft genomen.
Gelet op de aard en de ernst van de feiten acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.
De rechtbank heeft acht geslagen op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 2 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk is veroordeeld. De rechtbank weegt dit in het nadeel van verdachte mee.
De rechtbank houdt voorts rekening met de Pro Justitia-rapportage gedagtekend op 15 januari 2026 opgesteld door [naam 2] , GZ-psycholoog BIG en [naam 3] , GZ-psycholoog. Hierin wordt onder meer geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een anderszins omschreven persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische kenmerken. Differentiaal diagnostisch dient een gokstoornis en een ziekteangststoornis overwogen te worden. De intra- en interpersoonlijke dynamiek samenhangend met de persoonlijkheids-stoornis met antisociale en narcistische trekken speelde zich volgens de deskundigen duidelijk af tijdens het -indien bewezen- tenlastegelegde. Door de jarenlang aanwezige persoonlijkheidsproblematiek is betrokkene niet voldoende opgewassen geweest tegen de uitdagingen die hem de dagen voorafgaand aan en tijdens het delict op de proef stelden. Geadviseerd wordt om in geval van een bewezenverklaring hem deze feiten -gezien de ernst van de persoonlijkheidspathologie- in verminderde mate toe te rekenen. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze overweging tot de hare, zodat het bewezen verklaarde de verdachte in verminderde mate zal worden toegerekend.
Tot slot wordt geadviseerd een behandeling in een verplicht kader zoals het kader van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) met bijzondere voorwaarden zoals een klinische opname van 1 jaar met daarna een verplichte vorm van intensieve ambulante begeleiding, die de overstap van kliniek naar maatschappij zo soepel als mogelijk kan doen verlopen.
Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 juli 2026. Hieruit blijkt dat op meerdere leefgebieden sprake is van instabiliteit. Het ontbreekt de verdachte aan passende dagbesteding en hij beschikt over onvoldoende financiële middelen. Zijn vader en broertje zijn (recent) overleden, hetgeen de verdachte als traumatisch ervaart. Tevens is de verdachte verslaafd aan lorazepam en gokken. Gelet op deze problematiek luidt het advies om de verdachte klinisch te laten behandelen, zodat gewerkt kan worden aan stabilisatie, verdiepende diagnostiek met een delictanalyse om de risicofactoren verder in kaart te brengen, medicatiegebruik, emotieregulatie en het aanpakken van de gokproblemen van de verdachte. Aansluitend is het van belang om na de klinische opname een verplichte vorm van intensieve ambulante begeleiding te installeren die de overstap van kliniek naar maatschappij zo soepel als mogelijk kan doen verlopen en de verdachte langdurig verder kan begeleiden. Bij het uitblijven van interventies zien de deskundigen hoge risico’s. Voorgaande wordt dan ook geadviseerd in de vorm van bijzondere voorwaarden.
De rechtbank ziet met de deskundigen de noodzaak van het opleggen van de bijzondere voorwaarden, en met name een besloten kader voor de verdachte, zodat de verdachte kan werken aan zijn problematiek. De verdachte heeft zich bereid verklaard om mee te werken aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden, waaronder een klinische opname. Daarnaast heeft de rechtbank de indruk gekregen dat de verdachte de ernst van zijn handelen slechts beperkt inziet. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het daarom van belang om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van 3 jaren, zodat aan dit deel de bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden, en om de verdachte te waarschuwen en ervan door te dringen dat hij niet weer strafbare feiten mag plegen.
Alles afwegend, en gelet op het feit dat de verdachte reeds 100 dagen in voorarrest heeft doorgebracht, acht de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend.
De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 170 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Al met al zal de op te leggen straf betekenen dat de verdachte niet meer terug naar de gevangenis hoeft.
Door de deskundigen werd tevens de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) geadviseerd als stok achter de deur. Een GVM ex artikel 38z Sr is een verstrekkende maatregel waarmee terughoudend moet worden omgegaan. De rechtbank ziet in de (persoonlijke) omstandigheden en de ernst van de feiten in deze zaak onvoldoende aanleiding voor het opleggen van een GVM, en acht de deels voorwaardelijke gevangenisstraf met de daaraan verbonden bijzondere voorwaarden een passend kader om het recidivegevaar te beteugelen.
Voor de overtreding die onder feit 3 bewezen is verklaard, zal de rechtbank toepassing geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, en derhalve geen straf of maatregel opleggen.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis opheffen, omdat aan de verdachte geen vrijheidsstraf van langere duur dan de reeds door hem in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd wordt opgelegd.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 55, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 1 primair;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
  • veroordeelt de verdachte voor feit 1 subsidiair en feit 2 tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt de volgende
bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
-
Meldplicht:
De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering en houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen 3 dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij de reclassering op het telefoonnummer: 088 506 88 88;
-
Opname in een zorginstelling:
De veroordeelde laat zich tijdens de proeftijd voor de door de behandelinstelling geïndiceerde duur of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, opnemen in en behandelen door een zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op de psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek en/of andere problematiek die samenhangt met het delictgedrag van de veroordeelde. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
-
Ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname:
Dat betrokkene zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een instelling voor ambulante behandeling te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychosociale problematiek, verslavingsproblematiek, schuldenproblematiek en/of andere problematiek die
samenhangt met het delictgedrag van betrokkene. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van betrokkene dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van
maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert en nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
-
Dagbesteding:
De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
-
Beheersing middelengebruik:
De veroordeelde werkt gedurende de proeftijd mee aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en/of verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en/of lijst II (softdrugs) en/of en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/ speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
-
Verbod kansspelen
De veroordeelde neemt niet deel aan kansspelen;
  • geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:
  • meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;
  • meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
Geen straf of maatregel
-
geeftvoor feit 3 toepassing aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en bepaalt dat daarvoor geen straf of maatregel wordt opgelegd;
Voorlopige hechtenis
-
heftop het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. M.M. Koevoets, voorzitter, mr. M.M. Beije en
mr. T.C.M. Smeets, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.R.G. Rebergen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1 primair:
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken in de richting van het hoofd en/of de buik en/of de borst en/of nek, althans richting het (boven)lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer]
opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken in de richting van het hoofd en/of de buik en/of de borst en/of nek, althans richting het (boven)lichaam van die [slachtoffer] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2:
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door met een mes een stekende en/of slaande beweging te maken in de richting van het hoofd en/of de buik en/of de borst en/of nek, althans richting het (boven)lichaam van die [slachtoffer] ;
Feit 3:
hij op of omstreeks 28 augustus 2025 te Sittard, gemeente Sittard-Geleen een wapen van categorie IV, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een mes zijnde een voorwerp waarvan, gelet op zijn aard en/of de omstandigheden waaronder het werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat het bestemd was om letsel aan personen toe te brengen en/of te dreigen heeft gedragen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, registratienummer PL2300- 2025145568, gesloten op 29 augustus 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 75.
2.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] van 28 augustus 2025, pg. 8-9.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van 29 augustus 2025, pg. 22-23.
4.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 1] van 28 augustus 2025, pg. 10.
5.Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer] van 28 augustus 2025, pg. 8-9.
6.Het proces-verbaal van bevindingen van 30 augustus 2025, pg. 27-28.