ECLI:NL:RBLIM:2026:7381

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
C/03/351616 / FA RK 26-889
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Noelmans-Verbong
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:250 BWArt. 810 RvArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging hoofdverblijf en zorgregeling minderjarige na relatiebreuk ouders

De rechtbank Limburg behandelde een verzoek van de vader om het hoofdverblijf en de zorgregeling van hun minderjarige kind te wijzigen, vanwege toenemende weerstand van het kind tegen contact met de moeder en zorgen over diens veiligheid. De ouders oefenden gezamenlijk gezag uit en hadden eerder een ouderschapsplan opgesteld.

De vader verzocht tevens om voorlopige voorzieningen, waaronder het toewijzen van het hoofdverblijf aan hem en opschorting van de zorgregeling met de moeder. De moeder voerde verweer, betwistte de beschuldigingen en verzocht om herstel van de zorgregeling en benoeming van een deskundige.

De rechtbank oordeelde dat de omstandigheden waren gewijzigd, maar dat zij onvoldoende informatie had om een definitieve beslissing te nemen. Daarom werd de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te doen en advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. De voorlopige toewijzing van het hoofdverblijf aan de vader werd bevestigd, met voortzetting van laagdrempelig contact via Whatsapp en betrokkenheid van een kindercoach.

Verzoeken tot benoeming van een bijzondere curator en deskundige werden afgewezen. De rechtbank hield de definitieve beslissing aan en wees verzoeken tot dwangsom en opschorting van de zorgregeling af, gelet op de instemming van beide ouders met het onderzoek en de hulpverlening.

Uitkomst: De rechtbank gelast een raadsonderzoek naar hoofdverblijf en zorgregeling, wijst voorlopige toewijzing hoofdverblijf aan vader toe en wijst overige verzoeken af.

Uitspraak

Rechtbank Limburg

Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummers: C/03/351616 / FA RK 26-889 (bodemprocedure)
C/03/351617 / FA RK 26-890 (voorlopige voorzieningen)
Beschikking van 14 juli 2026 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaak van:
[de vader],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. N.V.T. Cremers, kantoorhoudend te Roermond;
tegen:
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. I. Ligtelijn-Huisman, kantoorhoudend te Roermond.
Betreffende de minderjarige:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2016,
hierna te noemen: [minderjarige] .
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Roermond, hierna te noemen: de Raad.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
- het verzoekschrift van de vader met bijlagen, ingekomen bij de rechtbank op 21 april 2026;
- het bericht van de moeder van 30 april 2026;
- het F9-formulier van 18 mei 2026 met bijlagen van de vader;
- het verweerschrift van de moeder met bijlagen, ingekomen bij de rechtbank op 21 mei 2026;
- het F9-formulier van 29 juni 2026 met bijlagen van de vader;
- de mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 30 juni 2026 en waarbij zijn verschenen:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad.
- de pleitnotitie van mr. Cremers.
1.2
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich over de verzoeken uit te laten. Hij heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld, waarna de aanwezigen hierop hebben kunnen reageren.

2.De feiten

2.1
De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is [minderjarige] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . Na het beëindigen van de relatie hebben de ouders in 2019 de afspraken over [minderjarige] vastgelegd in een ouderschapsplan.
2.2
Bij beschikking van 24 september 2021 heeft deze rechtbank een voorlopige zorgregeling vastgesteld en zijn de ouders in de gelegenheid gesteld om mee te werken aan een vrijwillig hulpverleningstraject. In afwachting van de resultaten hiervan is iedere verdere beslissing voor zes maanden aangehouden.
2.3
Bij beschikking van 14 juli 2023 zijn de eerder gemaakte afspraken tussen de ouders gewijzigd door het aanhechten van een gewijzigd ouderschapsplan aan de beschikking.

3.Het verzoek

In de bodemprocedure
3.1
De vader verzoekt te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat het ouderschapsplan van 8 april 2020 dan wel het gewijzigde ouderschapsplan van13 juni 2023 te wijzigen, zoals opgenomen in de beschikking van 14 juli 2023 voor wat betreft het hoofdverblijf en de zorgregeling, in die zin dat:
a. [minderjarige] zijn hoofdverblijf bij de vader heeft;
b. een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gelast, althans een bijzondere curator voor [minderjarige] wordt benoemd (met een pedagogische achtergrond) om advies te vragen over de definitieve zorgregeling die het meest in het belang van [minderjarige] is en waarbij de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] wordt gewijzigd naar een regeling waarbij [minderjarige] iedere woensdagmiddag na school tot 16:30 uur bij de moeder verblijft, en die onder begeleiding tot stand dient te komen;
c. althans een zorgregeling te bepalen die de rechtbank juist acht.
In de voorlopige voorzieningen
3.2
De vader verzoekt te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat het ouderschapsplan van 8 april 2020 dan wel het gewijzigde ouderschapsplan van13 juni 2023 te wijzigen, zoals opgenomen in de beschikking van 14 juli 2023 voor wat betreft de zorgregeling voor de duur van de bodemprocedure wordt gewijzigd, in die zin dat:
a. [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd;
b. de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig wordt opgeschort;
c. een bijzondere curator voor [minderjarige] wordt benoemd (met een pedagogische achtergrond) die kan adviseren over de definitieve zorgregeling die het meest in het belang van [minderjarige] is, althans een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming wordt gelast om advies in te winnen over de zorgregeling die het meest in het belang van [minderjarige] is.
3.3
De vader stelt dat [minderjarige] na de relatiebreuk steeds meer weerstand liet zien in het contact met zijn moeder. [minderjarige] was vanaf het begin al sterk op de vader gericht, mede omdat de moeder emotioneel niet altijd beschikbaar was. Er hebben zich allerlei situaties voorgedaan die de vader als een soort dagboek heeft bijgehouden. Vanwege de toenemende stress-signalen bij [minderjarige] is de vader medio 2021 een procedure gestart om het hoofdverblijf en de zorgregeling te wijzigen. In die procedure hebben de ouders het ONS-traject (ouderschapsreorganisatie) gevolgd. Dat traject heeft echter niet tot verbetering geleid. Het gedrag van [minderjarige] bleef onveranderd. Nadat de fysieke en emotionele weerstand steeds zichtbaarder werd is een veiligheidsplan opgesteld en is voor [minderjarige] speltherapie ingezet. Uiteindelijk zijn de ouders via hun advocaten tot andere afspraken gekomen, maar het gedrag van [minderjarige] bleef hetzelfde. Hij werd steeds stiller en angstiger en zijn woede-uitbarstingen werden steeds heftiger. De vader ziet ook dat hij steeds meer liegt, zich sociaal terugtrekt en problemen heeft in contact met leeftijdsgenoten. Uiteindelijk heeft [minderjarige] huilend en schreeuwend aangegeven dat hij nooit meer naar zijn moeder wil. Nu [minderjarige] wat ouder wordt komen er steeds meer verhalen naar boven over wat er bij de moeder gebeurt. Zo zou er regelmatig fysiek geweld hebben plaats gevonden, zowel van de moeder naar de kinderen toe als van [kind] (de oudste zoon van moeder) naar [minderjarige] . Wanneer de moeder dit ziet grijpt ze niet in. De moeder erkent niet dat er problemen zijn. Nadat [minderjarige] dit verteld had, sliep hij slecht en plaste hij weer in bed. Hij geeft diverse stress-signalen af. Ook vanuit school kwamen er signalen dat het niet goed gaat met [minderjarige] . In februari 2026 heeft [minderjarige] aan zijn moeder laten weten dat hij niet meer wil gaan. Daarna is de situatie enorm geëscaleerd. Veilig Thuis heeft geadviseerd om [minderjarige] een tijdje thuis bij de vader te houden. Tijdens een later gesprek bij het CJG heeft de moeder erkend dat er fysiek geweld is gebruikt tegen [minderjarige] . De vader maakt zich daarom ernstig zorgen over de veiligheid van [minderjarige] op het moment dat hij bij de moeder is en over zijn emotionele belasting. Ondanks dat [minderjarige] het niet wil blijft de moeder hem belasten met berichten en staat ze ook aan de school. [minderjarige] heeft daar last van. Vanwege de zorgen en omdat [minderjarige] zich niet gehoord voelt is een raadsonderzoek of het benoemen van een bijzondere curator het meest geëigend. [minderjarige] heeft nu rust en ruimte nodig.
In de voorlopige voorzieningen
3.4
Gezien het patroon van de langdurige overbelasting en in afwachting van het advies van de Raad of de bijzondere curator dient de zorgregeling met de moeder voorlopig te worden opgeschort. De combinatie van angst, fysieke stressklachten, gedragsveranderingen en de expliciete weigering van [minderjarige] om nog naar de moeder te gaan, maakt dat voortzetting van de zorgregeling thans niet in zijn belang is. Eerst moet duidelijk worden waar de klachten en de weerstand bij [minderjarige] vandaan komen en welke hulp er nodig is om weer toe te werken naar contactherstel. Nu er geen contact is lijkt [minderjarige] meer rust te ervaren. De vader is van mening dat er voor de toekomst een beperktere regeling moet komen, waarbij [minderjarige] iedere woensdagmiddag tot 16:30 uur bij de moeder verblijft.

4.Het verweer

In de bodemprocedure
4.1
De moeder voert verweer en concludeert dat de verzoeken van de vader moeten worden afgewezen.
Bij wijze van zelfstandig verzoek vraagt de moeder te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, om:
- de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te laten doen naar een passende zorgregeling voor [minderjarige] ;
- een deskundige te benoemen, te weten een kinder- en jeugdpsychiater, die een diagnostisch rapport zal opstellen voor [minderjarige] .
In de voorlopige voorzieningen
4.2
De moeder voert verweer en concludeert dat het verzoek van de vader tot het treffen van voorlopige voorzieningen moet worden afgewezen.
De moeder verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek om de vader te veroordelen om [minderjarige] met onmiddellijke ingang terug te brengen naar de moeder en de zorgregeling na te komen, zoals overeengekomen in het ouderschapsplan dat is aangehecht aan de beschikking van 14 juli 2023, op verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de vader hier niet aan voldoet, althans op verbeurte van een bedrag dat de rechtbank juist acht.
4.3
De moeder stelt dat het voor haar duidelijk is dat zij gediskwalificeerd wordt als ouder van [minderjarige] en dat de vader haar uit het leven van [minderjarige] probeert te bannen. Het heeft daarom geen toegevoegde waarde om te reageren op “het dagboek” van de vader. In ieder geval betwist de moeder de inhoud hiervan. Het lijkt erop dat de fantasie van [minderjarige] op hol is geslagen. Door mee te gaan in het loyaliteitsconflict is het de vader juist aan te rekenen dat [minderjarige] zo reageert. Het feit dat de vader heeft besloten om [minderjarige] bij zich te houden vertoont kenmerken van ouderverstoting. [minderjarige] heeft zijn beide ouders nodig. Ook de moeder maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige] in de thuissituatie bij de vader. Bij de moeder thuis is het rustig en is er sprake van een stabiele en liefdevolle omgeving waar [minderjarige] het naar de zin heeft. Het is dan ook in zijn belang dat hij met onmiddellijke ingang wordt teruggebracht naar de moeder. De moeder erkent dat ze contact blijft zoeken met [minderjarige] via whatsapp, maar dat doet ze om hem te zeggen dat ze van hem houdt. Gelet op de bestaande situatie ziet de moeder ook de noodzaak in van een gedegen onderzoek, oftewel door de Raad voor de Kinderbescherming of door een te benoemen deskundige zoals een kinderpsychiater. Het benoemen van een bijzondere curator acht de moeder in dat geval niet opportuun. Wel is het raadzaam als door de Raad alvast een voorlopige ondertoezichtstelling wordt aangevraagd.

5.Wat ter zitting is besproken

5.1
De vader voert aanvullend aan dat het contact met de moeder medio februari 2026 is gestopt omdat [minderjarige] niet meer wilde gaan. Hij voelde zich niet veilig bij de moeder. De moeder maakt nu verwijten die onterecht zijn. De vader diskwalificeert de moeder niet en wil haar ook niet uit het leven van [minderjarige] bannen. [minderjarige] heeft zijn beide ouders nodig maar gezien de signalen dient zijn belang nu voorop te staan. Het contact met de moeder mag daarom niet geforceerd worden. Eerst moet duidelijk worden waar de weerstand van [minderjarige] vandaan komt, daarna kan gewerkt worden aan contactherstel. Het gaat er nu om dat [minderjarige] zich gehoord voelt. Tot nu toe heeft de moeder nooit oog gehad voor de signalen of aan [minderjarige] gevraagd wat er speelt. De zorgen werden alleen maar gebagatelliseerd. Het is daarom vreemd dat de moeder zich nu ineens zorgen maakt over de thuissituatie van de vader, terwijl dat eerder nooit ter sprake is gebracht. Het verslag van [huisarts] geeft geen actueel beeld van de situatie want de zorgen zijn daarna pas toegenomen. Nu [minderjarige] volledig bij de vader verblijft is er rust gekomen, dat zie je ook terug op school. [minderjarige] ontwikkelt zich sneller en voelt zich een stuk vrijer, hij praat en deelt veel meer. Ook heeft hij meer sociale contacten en is hij actief bezig met sporten en [jongerenorganisatie] . De woede en het verdriet zitten er wel nog en daar moet nu goed naar gekeken worden, of door de Raad of door een bijzondere curator als dat sneller is. Ook moet er aandacht zijn voor de tics en de smetvrees waar [minderjarige] nu zoveel last van heeft. Verder moet gewerkt worden aan het herstel van het vertrouwen van de vader in de moeder. De kindercoach (mevrouw [persoon] ) van het Sociaal Team van de gemeente Roerdalen heeft met [minderjarige] gesproken en heeft geadviseerd om de rust voorlopig te bewaren. De vader onderschrijft dat rust belangrijk is voor het welzijn van [minderjarige] . De juridische grondslag voor het benoemen van een deskundige conform het verzoek van de moeder ontbreekt. Ook het opleggen van een dwangsom lost het probleem niet op. Het zal een averechts effect hebben op [minderjarige] . Zijn angst zit zo diep dat hij zelfs niet openstaat voor begeleid contact met de moeder. Daar komt bij dat het niet bij de vader ligt dat het contact met de moeder is gestopt. De vader stelt voor om de Raad te laten onderzoeken wat er speelt bij [minderjarige] en wat er nodig is om toe te werken naar de wekelijkse contactregeling conform het voorstel van de vader. Intussen dienen de gesprekken met de kindercoach te blijven doorlopen. Zij zal contact leggen met de ouders om te bespreken wat de mogelijkheden zijn, totdat de resultaten van het raadsonderzoek bekend zijn. De vader zal ervoor zorgen dat de moeder door [minderjarige] wordt gedeblokkeerd op de app zodat er laagdrempelig contact kan zijn tussen haar en [minderjarige] .
5.2
De moeder geeft aan dat zij een gebroken hart heeft. Vorig jaar hebben de ouders nog aan het ouderschapsplan gewerkt en nadat de moeder haar heup brak mocht ze [minderjarige] ineens niet meer zien. Op 1 mei 2026 heeft [minderjarige] aan de moeder laten weten dat hij niet meer wil komen en op 14 juni 2026 heeft hij haar geblokkeerd. De beschuldigingen aan het adres van de moeder zijn onterecht en zijn pas gedaan nadat het contact is gestopt. De moeder is schilder en werkt als ZZP-er waardoor zij de afspraken met [minderjarige] niet altijd kon nakomen. Ook werd er thuis wel eens gerookt. De moeder heeft echter nooit fysieke straffen uitgedeeld aan [minderjarige] . Ook [kind] is een echte broer voor [minderjarige] . Er is wel eens ruzie maar het merendeel van de tijd zijn de broers heel aanhankelijk. De moeder is daarom ook van mening dat de zorgregeling per direct hersteld moet worden, desnoods onder begeleiding. Het voortduren van de huidige situatie is niet in het belang van [minderjarige] . De moeder herkent dat [minderjarige] bepaalde tics heeft, maar dat heeft hij niet als hij bij de moeder is. [minderjarige] is hiervoor bij [huisarts] geweest en hun visie was dat er niks aan de hand is. De grootste zorg van de moeder ligt bij de communicatie tussen de ouders. De moeder wordt getriggerd door wat de vader zegt en reageert dan boos terug. Hier is professionele hulp bij nodig, ook om te kijken wat [minderjarige] nodig heeft. De moeder zal meewerken aan een raadsonderzoek. Zij verzoekt daarnaast om een deskundige te benoemen die [minderjarige] kan onderzoeken en een diagnose kan stellen. De problemen spelen al jaren en vroeger had [minderjarige] ook nog last van driftbuien. De moeder krijgt ook niks terug van vader. Zo hoort zij nu voor het eerst dat [minderjarige] lid is van [jongerenorganisatie] . Verder is het zorgelijk dat de moeder door [minderjarige] is geblokkeerd met medeweten van vader. De vader had dit niet mogen laten gebeuren; hij geeft hiermee een verkeerd signaal af. De moeder acht het in het belang van [minderjarige] dat dit wordt teruggedraaid en dat de zorgregeling weer wordt opgepakt. Om te zorgen dat de vader hieraan zal meewerken is een stok achter de deur in de vorm van een dwangsom noodzakelijk. Daarbij verwijst de moeder naar een vonnis in een kortgedingprocedure, waarin een soortgelijke situatie speelde. De moeder heeft dat vonnis ter zitting overgelegd. Tenslotte merkt de moeder nog op dat de klempositie van [minderjarige] mogelijk een indicatie is voor een voorlopige ondertoezichtstelling.

6.Het advies van de Raad voor de Kinderbescherming

6.1
De Raad geeft aan dat niet alle stukken zijn gelezen door de hoeveelheid. De Raad vraagt zich af of het voorstel van de vader over de zorgregeling op woensdag is bedoeld als tijdelijke regeling of als eindsituatie? Nu het contact met de moeder volledig stil is komen te vallen, is een raadsonderzoek passend. Het kan niet zo zijn dat de moeder zomaar aan de kant wordt gezet. Aan de andere kant kost een raadsonderzoek tijd, ook vanwege de wachtlijsten, en neemt een en ander al gauw een jaar in beslag. In ieder geval zijn er veel zorgen die onderzocht moeten worden. Voor nu is het belangrijk dat er geluisterd wordt naar [minderjarige] want zijn weerstand voor de moeder zit er al lang. Wanneer hij gedwongen wordt tot contact zal hem dat waarschijnlijk verder beschadigen. Als contactherstel mogelijk is dient daar hulp bij te komen. Duidelijk is dat [minderjarige] klem zit en dat hij geen ruimte voelt voor het contact met moeder. Daar moet goed naar gekeken worden. Intussen dienen de gesprekken met de kindercoach van het Sociaal Wijkteam door te lopen. De moeder dient daarin betrokken te worden en moet ook door vader geïnformeerd worden over wat er speelt bij [minderjarige] . In het geval van een raadsonderzoek heeft het benoemen van een bijzondere curator geen toegevoegde waarde. In dit geval wordt niet voldaan aan het criterium voor een voorlopige ondertoezichtstelling, zodat de Raad dit nu ook niet verzoekt.

7.De mening van [minderjarige]

7.1
heeft laten weten dat het heel goed gaat bij zijn vader thuis. Het gaat nu beter met hem. De relatie met de partner van de vader is verbeterd. Vroeger vond hij het lastig om zijn vader te moeten delen. Bij zijn moeder thuis ging het niet zo goed. Er waren veel ruzies tussen de moeder en [kind] en tussen [minderjarige] en [kind] . Uiteindelijk wilde [minderjarige] niet meer gaan. Hij mist zijn broer niet. Op dit moment heeft hij ook geen behoefte aan contact met de moeder, heel misschien met hulpverlening erbij maar waarschijnlijk zien ze dan niet zijn echte moeder. [minderjarige] is bang dat de moeder zich dan sociaal wenselijk opstelt. Zij moeder liegt en komt afspraken niet na. Doordat de moeder hem bleef appen heeft hij haar geblokkeerd. [minderjarige] wil daarom ook bij zijn vader blijven wonen. Het zou wel helpen als de ouders normaal tegen elkaar kunnen doen.

8.Het oordeel van de rechtbank

In de bodemprocedure
Juridisch kader
8.1
De verzoeken van de vader tot wijziging van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling zijn gebaseerd op artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW).
In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind haar hoofdverblijfplaats heeft.
Artikel 1:253a jo. 1:377e BW houdt in dat de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen of degene die in nauwe persoonlijk betrekking staat tot de kinderen een beslissing inzake de zorgregeling, alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling, kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Wijziging van omstandigheden
8.2
De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden zijn gewijzigd nu blijkt dat de afspraken uit het ouderschapsplan niet meer worden nagekomen door de toenemende mate van weerstand die [minderjarige] vertoont tegen het contact met de moeder. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van de vader zal beoordelen en ook zal beoordelen of de door de vader verzochte wijzigingen in het belang van [minderjarige] nodig zijn.
Inhoudelijke beoordeling
In de bodemprocedure
8.3
De rechtbank acht zich, op grond van de beschikbare informatie en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, onvoldoende voorgelicht om een beslissing te kunnen nemen op het verzoek tot (wijziging) van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling. Gezien de uiteenlopende standpunten van de ouders alsmede het advies van de Raad acht de rechtbank het wenselijk en noodzakelijk dat de Raad onderzoek doet naar een passende zorgregeling en daaraan gekoppeld de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . De ouders hebben ter zitting ingestemd met een raadsonderzoek en hebben uitgesproken dat zij hieraan zullen mee werken.
8.4
De rechtbank zal de Raad verzoeken onderzoek te doen en de rechtbank te rapporteren en adviseren met betrekking tot de volgende vragen:
- is een wijziging van de hoofdverblijfplaats, zoals door de vader verzocht, in het belang van [minderjarige] ?
- Voor het geval de hoofdverblijfplaats bij de vader zal worden bepaald: welke mogelijkheden zijn er voor toedeling van zorg- en opvoedingstaken aan de moeder, en hoe dient de (definitieve) verdeling van zorg- en opvoedingstaken qua vorm en frequentie in het belang van [minderjarige] te worden vormgegeven?
- Voor het geval het hoofdverblijf niet wordt gewijzigd: welke passende zorgregeling met de ouders komt in dat geval het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
De rechtbank vindt het ook belangrijk dat er aandacht is voor de woede, de tics en de overige stresssignalen die [minderjarige] laat zien en dat er geadviseerd wordt welke hulp hij daarvoor nodig heeft.
In afwachting van de resultaten van het raadsonderzoek zal de rechtbank iedere verdere beslissing aanhouden, pro forma voor de duur van negen maanden.
8.5
Ten aanzien van het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator oordeelt de rechtbank als volgt. Artikel 1:250 BW Pro bepaalt – voor zover hier van belang – het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouder in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen. De rechtbank acht het bij de huidige stand van zaken niet noodzakelijk dat een bijzondere curator wordt benoemd. Nu de Raad verzocht is om onderzoek te doen naar het hoofdverblijf en de zorgregeling en wat (verder) in het belang van [minderjarige] is en nu beide ouders hebben toegezegd dat zij zullen meewerken aan een raadsonderzoek ziet de rechtbank daar geen aanleiding toe. De rechtbank zal dit verzoek daarom afwijzen.
8.6
Ten aanzien van het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen, bijvoorbeeld een kinderpsychiater, ontbreekt de juridische grondslag. Op grond hiervan zal de rechtbank dit verzoek ook afwijzen.
In de voorlopige voorziening
8.7
De rechtbank stelt voorop dat voor een provisioneel verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vereist is dat een bodemprocedure aanhangig is (i), dat samenhang bestaat tussen hetgeen bij wijze van voorlopige voorziening wordt verzocht en het verzochte in de bodemprocedure (ii), en dat de verzoekende partij een voldoende belang heeft bij zijn verzoek in die zin dat van hem redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat hij de uitkomst van de bodemprocedure afwacht (iii).
8.8
De rechtbank stelt vast dat het provisionele verzoek van de vader in de kern op hetzelfde neerkomt als hetgeen is verzocht in de bodemprocedure, zodat aan de voorwaarden (i) en (ii) is voldaan. Daarmee is de vader ontvankelijk in het onderhavige verzoek.
8.9
De vraag is vervolgens of de vader belang heeft bij een voorlopige voorziening.
Gelet op de beslissing in de bodemprocedure en de tijd die gemoeid gaat met een raadsonderzoek heeft de vader belang bij het treffen van voorlopige voorzieningen.
De rechtbank acht het ook in het belang van [minderjarige] dat er een tijdelijke voorziening wordt getroffen, die inhoudt dat hij voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd. Dit sluit aan bij de feitelijke situatie zoals die in de voorbije maanden heeft bestaan.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de zorgregeling tussen [minderjarige] en de moeder op te schorten. Hoewel het heel zorgelijk is dat [minderjarige] aangeeft geen contact te willen met de moeder, was er kort geleden nog sprake van een co-ouderschapsregeling. De plotselinge breuk met de moeder is zeer ingrijpend en kan op latere leeftijd een grote negatieve impact hebben op de (identiteits)ontwikkeling van een kind. De ouders beseffen ook dat [minderjarige] met beide ouders contact moet hebben. De ouders hebben ermee ingestemd dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder voorlopig laagdrempelig zal zijn via Whatsapp, waarbij de vader heeft toegezegd dat hij zal zorgdragen dat de moeder wordt gedeblokkeerd. Ook heeft de vader toegezegd dat hij de moeder een keer per maand zal informeren over de ontwikkelingen rondom [minderjarige] en wat er verder nog speelt in zijn leven. Verder zijn de ouders het met elkaar eens dat de gesprekken met de kindercoach voor [minderjarige] moeten doorlopen. De moeder zal ook in dat proces betrokken worden zodat de ouders in samenspraak met de kindercoach kunnen bekijken hoe het nu verder moet met [minderjarige] en of er nog andere hulp ingeschakeld moet worden. Zodra de mogelijkheid er is kan het contact met de moeder onder begeleiding worden hersteld. Het is aan de hulpverlening om te bepalen of daar een mogelijkheid toe is. Nu de ouders willen meewerken met de hulpverlening wordt het verzoek om de zorgregeling met moeder op te schorten afgewezen, nu beide ouders hebben ingestemd met deze werkwijze en de moeder toegezegd heeft het contact voor nu niet te zullen afdwingen. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande ook geen aanleiding om een bijzondere curator voor [minderjarige] te benoemen in de procedure voorlopige voorzieningen.
De moeder heeft verzocht een dwangsom te koppelen aan het nakomen van de zorgregeling. Aangezien het contact met de moeder (even) stil ligt door de weerstand bij [minderjarige] en de vader de toezegging heeft gedaan dat hij zal meewerken aan contactherstel als hulpverlening dat haalbaar acht en de moeder het contact niet zal afdwingen zo lang hulpverlening dat niet passend acht, heeft het opleggen van een dwangsom als prikkel geen toegevoegde waarde. Duidelijk is dat een co-ouderschapsregeling op dit moment niet haalbaar is voor [minderjarige] en zijn belang zich daar nu ook tegen verzet. De rechtbank zal dit verzoek daarom ook afwijzen.

9.De beslissing

De rechtbank:
In de bodemzaak
9.1
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te doen en rapport en advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling en antwoord te geven op de vragen zoals opgenomen onder 8.4.;
9.2
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming de rechtbank Limburg, locatie Roermond , te berichten wanneer wordt gestart met het onderzoek en verzoekt dit te berichten aan het regiebureau, waarna de rechtbank partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure;
9.3
houdt de definitieve beslissing over het hoofdverblijf en de zorgregeling aan;
9.4
wijst het verzoek van vader tot benoeming van een bijzondere curator af;
9.5
wijst het verzoek van moeder tot het benoemen van een deskundige af;
In de voorlopige voorziening
9.6
bepaalt dat [minderjarige] voorlopig aan de vader wordt toevertrouwd;
9.7
wijst de overige verzoeken van de vader af;
9.8
wijst het verzoek van de moeder over de dwangsom af;
Deze beschikking is gegeven door mr. Noelmans-Verbong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van Dullens-Servais, griffier, op 14 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.