Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
aangifte van [naam 1] (geboren op [geboortedatum 1] 2009)vermeldt – onder meer – het volgende: [2]
A: Ik ben met mijn zus [naam 2] naar ‘ [café] ’ gegaan, meestal drinken we daar wat met z'n tweeën. Toen zijn we naar buiten gegaan om te roken. Hier zijn wij twee mannen tegen gekomen. Wij zijn met hun in gesprek gegaan. Later zijn wij nog een keer naar buiten gegaan om te roken. Toen stonden ze daar ook weer. Ik ben door [verdachte] gevraagd naar mijn Snap. [naam 2] en ik zijn samen naar huis gegaan. Toen ik thuis was kreeg ik een berichtje van [verdachte] dat ik mijn aansteker daar op tafel had laten liggen. Wij hadden daar app contact over gehad. [verdachte] zei dat hij het wel even kwam brengen. Toen is hij onder invloed naar mijn huis komen rijden. Ik heb mijn adres gegeven aan hem. [naam 2] was al naar boven gegaan. Ik kreeg een appje dat hij in de straat was en nam toen mijn telefoon en sleutels mee naar de auto om de aansteker te gaan halen. Ik maakte de bijrijdersdeur open en ik stond daar met hem te praten. Gewoon van 'he hoe is het'. Ik moest vervolgens heel veel hoesten, hij pakte een fles water uit de auto en vroeg of ik wat wilde drinken. Ik kon niet stoppen met hoesten. Ik nam die fles dus aan. Een paar minuten later werd ik heel duizelig, ik voelde geen kracht meer in mijn benen en voelde mij van de wereld. Toen vroeg hij of ik even moest zitten. Dat heb ik gedaan. Toen is de deur dicht gegaan en is hij weggereden. We zijn langs de Mc Donalds gereden dan naar rechts, stukje verderop langs de begraafplaats. Dan een stukje verderop heeft hij zijn auto stil gezet. Hij heeft zijn koplampen aan laten staan en hij vroeg in een keer aan mij wat ik wilde doen. Ik heb daar geen antwoord op gegeven. Hij begon mij te zoenen. Toen nam hij mij mee naar de achterbank en vroeg hij meerdere keren of ik mijn kleren kon uit doen. Uiteindelijk heeft hij het witte hemdje wat ik aanhad naar beneden getrokken. Hij heeft mijn broek uitgetrokken en de rest van mijn kleren ook. Hij heeft mij gevingerd. En vervolgens seks met mij gehad. Het moment dat ik weer kon nadenken wilde ik ook mijzelf naar achter trekken. Toen pakte hij mij bij mijn keel en kreeg ik bijna geen lucht meer. Er was heel snel een uur voor bij. Dus net iets na 2en weet ik dat ik mijn kleren weer aan deed en wilde hij mij naar huis gaan brengen. […]
A: Nee, tussen mij en hem heb ik niets meer. Maar [naam 3] , de bedrijfsleider van [café] heeft wel met hem geappt. Dit kan ik wel laten zien.
O: Het bericht tussen [naam 3] en [verdachte] word als bijlage 2 toegevoegd aan deze aangifte.
getuige [naam 4](de moeder van aangeefster) vermeldt – onder meer –het volgende: [5]
[de rechtbank begrijpt: de parkeerplaats bij de begraafplaats van Venray], daar hebben we gezoend. Dat zoenen duurde relatief lang – 45 minuten schat ik. Ik heb toen voorgesteld om naar de achterbank van de auto te gaan. Daar hebben we nogmaals zitten zoenen.
naar de rechtbank begrijpt: in verdere intimiteiten tussen hemzelf en [naam 1]) en – na tussenkomst van de wegenwacht – naar huis is gegaan. Op de vraag waarom verdachte opeens geen zin meer had, nu hij [naam 1] toch eerder had opgepikt met de bedoeling om seksuele handelingen met haar te verrichten, kwam de verdachte op zitting – ook na doorvragen door de rechtbank – niet verder dan dat hij daar “geen echte toelichting” bij had. De rechtbank volgt deze verklaring niet, mede ook gelet op het feit dat verdachte op meerdere cruciale punten wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Ook verklaarde de verdachte wisselend op vragen wat hij wist over de leeftijd van [naam 1] .
De aangifte daarentegen vindt steun in meerdere bewijsmiddelen. Zo neemt de moeder van de aangeefster een duidelijke gedragsverandering waar bij de aangeefster na het incident en vertelt de verdachte tegenover getuige [naam 5] dat hij en de aangeefster wel degelijk seks hebben gehad. Uit de aangifte blijkt voorts dat de aangeefster aan de verdachte tijdens hun eerste gesprek bij café [café] heeft verteld dat zij 15 jaar oud was, wat wordt ondersteund door het berichtje dat de verdachte hier later over verstuurt aan [naam 3] .
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en de maatregelen
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
Rotterdamse Schaal.Dat hierbij aansluiting is gezocht bij de bovenkant van deze schaal komt de rechtbank niet onbillijk over. Bij deze categorie zou geen sprake zijn van binnendringen met een geslachtsdeel, wat in casu wel is gebeurd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de immateriële schade dient te worden bepaald op € 6.000,00.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- legt aan de verdachte op een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 3 jaren, bestaande uit een contactverbod en gebiedsverbod;
- het contactverbod houdt in dat de veroordeelde gedurende 3 jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met het slachtoffer [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2009;
- het gebiedsverbod houdt in dat de veroordeelde zich gedurende 3 jaren niet bevindt in het hotel café ' [café] ', gelegen op [adres 2] ;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan deze maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op;
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van € 27.600,00, bestaande uit € 21.600,00 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade, de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 en de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
- legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van € 27.600,00, bestaande uit € 21.600,00 materiële schade en € 6.000,00 immateriële schade, de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2025 en de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 oktober 2024 tot aan de dag der algehele voldoening en bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 150 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
- verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
BIJLAGE I: De tenlastelegging