ECLI:NL:RBLIM:2026:7415

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
03.392231.24
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 287 SrArt. 6:96 BWArt. 6:106 lid 1 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag door duw van trap met ernstige gevolgen

Op 8 december 2024 duwde de verdachte het slachtoffer met beide handen met kracht van een steile betonnen trap in Kerkrade, terwijl het slachtoffer met zijn rug naar het trapgat stond. Hierdoor viel het slachtoffer meerdere traptreden naar beneden en liep ernstig letsel op, waaronder hoofdwonden en ribfracturen.

De rechtbank oordeelde dat er sprake was van voorwaardelijk opzet op doodslag, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het slachtoffer zou overlijden door de val. Het beroep op noodweer en noodweerexces werd verworpen, omdat de verdachte zich aan de situatie had kunnen onttrekken en zijn reactie niet proportioneel was.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden, met aftrek van 13 dagen voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoeding van €5.619,75 toegekend aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 december 2024.

De rechtbank nam mee dat de verdachte niet aanwezig was bij de zitting en geen verantwoordelijkheid nam voor zijn gedrag, wat zwaar meewoog in de strafoplegging. De ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer waren zwaarwegend in de strafmaat.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag en betaling van schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.392231.24
Verstek
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
wonende te [adres 1] Duitsland.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 8 juli 2026. Tegen de verdachte is verstek verleend. De officier van justitie heeft zijn standpunt kenbaar gemaakt.
De benadeelde partij [naam 1] en zijn raadsman zijn op de zitting gehoord. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 8 december 2024 te Kerkrade:
heeft geprobeerd [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven (primair) dan wel [naam 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht (subsidiair) dan wel heeft geprobeerd om [naam 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (meer subsidiair).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2
Het oordeel van de rechtbank [1]
Bewijsmiddelenoverzicht
Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 9 december 2024, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [2]
[verdachte]
(de rechtbank begrijpt: de verdachte)en ik leven eigenlijk langs elkaar af. Hij gooit folders over HIV in mijn brievenbus. Ik weet niet waarom hij dat doet. Op 8 december 2024 liep ik rond de middag naar mijn bovenbuurvrouw omdat ik de brieven wilde laten zien. Dit betreft [naam 2] van huisnummer [huisnummer 1] van de [straat] te Kerkrade. Ik liep de trap op. [verdachte] , degene die mij geduwd heeft, woont op [huisnummer 2] , naast de woning van [huisnummer 1] . De trap heeft ongeveer tien treden. De folders die hij deed ingooien had ik bij mij en hield ik vast in een hand. Ik liep de trap op naar boven toe, waar ik [verdachte] zag staan. Ik zei tegen [verdachte] dat ik het niet leuk vond wat hij deed en hij moest stoppen met het ingooien van de brieven.
Ik stond toen bovenaan de trap, met mijn rug naar het trappengat toe. Ongeveer op de
laatste treden. Vervolgens zag ik dat [verdachte] een stap naar voren zet. Ik zag dat [verdachte]
met open handen naar mij toe kwam. Ik voelde dat hij mij met twee open handen tegen
mijn borstkast aanduwde. Ik voelde dat dit met veel kracht was, omdat ik halverwege de trap viel. Ik viel zo snel dat ik mij niet kon opvangen. Tijdens de val voelde ik pas dat ik de trap halverwege had geraakt, want vanuit daar rolde ik de trap verder naar onder. Ik viel vervolgens met mijn lichaam op de vloer waarna ik mijn hoofd stootte.
Het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026 inclusief het bijgevoegde fotoblad, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [3]
Verbalisant [naam 3] heeft de afmetingen van de trap opgemeten en constateerde het volgende:
- in totaal heeft deze trap een 15-tal betonnen traptreden
- elke traptrede heeft een hoogte van 18 centimeter
- de breedte van elke traptrede betreft 102 centimeter
- de totale lengte van de trap gemeten vanaf de laagste traptrede tot de hoogste traptrede betrof 446 centimeter.
Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2024, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [4]
Op zondag 8 december 2024 kregen wij, verbalisanten [naam 4] en [naam 5] , de
opdracht om te gaan naar de [adres 2] . Aldaar zou een persoon van de trap geduwd zijn. Het appartementencomplex heeft twee verdiepingen die te bereiken zijn via een
trappenhuis. Elke verdieping heeft twee appartementen. Wij zagen een mannelijk persoon liggen op de eerste verdieping onder aan de trap die leidt naar de tweede verdieping. Wij zagen dat deze persoon op zijn rechterzij lag. Wij zagen rondom het hoofd van deze persoon op de vloer en muur bloedsporen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] van 8 december 2024, voor zover van belang: [5]
Ik woon op huisnummer [huisnummer 1] op de [straat] in Kerkrade. Ik woon naast [verdachte] . [verdachte] woont op nummer [huisnummer 2] . [naam 1] woont op nummer [huisnummer 3] . Dit is op de begane grond. [verdachte] woont op de tweede verdieping. Je komt daar via de trap. Op zondag
8 december, omstreeks 14.40 uur, kwam ik terug van wandelen met mijn hond. Even later hoorde ik [naam 1] schreeuwen.
Ik hoorde dat hij riep: "Jij moet weg, jij moet weg!" Ik herkende [naam 1] aan zijn
stem. Ik keek door het kijkgat in mijn deur en zag dat [naam 1] bijna bovenaan de trap
stond. Ik zag dat [naam 1] papier vast had waar iets met HIV op stond. Ik hoorde dat [naam 1] zei: "Je moet hier eens mee ophouden."
Terwijl hij dit zei duwde [naam 1] meerdere keren de blaadjes tegen [verdachte] aan. [naam 1]
stond op dit moment boven aan de trap met zijn rug naar de trap. Ik hoorde dat [naam 1]
meerdere keren riep: "Ik maak je kapot!" Terwijl hij dit riep, wees hij met zijn vinger naar [verdachte] . [verdachte] was op dit moment vrij kalm, in ieder geval niet zo opgefokt als [naam 1] . Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] met beide handen [naam 1] vastpakte bij de trui ter hoogte van de borst. [naam 1] stond op dat moment met zijn rug naar de trap gericht. Ik
zag dat [verdachte] vervolgens met beide handen [naam 1] duwde. Ik zag dat [naam 1] hierdoor
naar achter viel. Ik zag dat [naam 1] door de duw een paar traptreden oversloeg en ter
hoogte van iets boven het midden van de trap op de trap viel. Ik zag dat hij hierna
doorrolde totdat hij onder aan de trap lag. [naam 1] kwam onder aan de trap op zijn
rechterzij terecht.
Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] van 9 december 2024, voor zover van belang: [6]
Ik woon op de [adres 3] in Kerkrade. Ik was thuis in mijn woning en ik hoorde een hoop geschreeuw. Ik hoorde mijn bovenbuurvrouw roepen:" [verdachte] niet doen, [verdachte] niet doen!" Hierop hoorde ik een harde knal. Ik keek de gang op. Ik zag dat [naam 1] , de bewoner van nummer [huisnummer 3] , gewond onder aan de trap lag. Ik liep naar de trap en zag dat boven aan de trap [verdachte] stond.
Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 9 december 2024, voor zover van belang, zakelijk weergegeven: [7]
Meneer van nummer [huisnummer 3]
(de rechtbank begrijpt: het slachtoffer)kwam naar boven en stonk naar alcohol. Hij kwam naar boven, vinger wijzend en zei: "Ik sla jou op je bek". Toen de man naar boven kwam gelopen, moest ik hem met twee handen van mij wegduwen en viel hij de trap naar onder en dat spijt mij ook.
De SEH arts drs. [naam 8] van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen heeft onder meer het volgende beschreven: [8]
Patiënt zagen wij 8.12.2024 op de Spoedeisende Hulp.
Conclusie:
- trauma capitis met hoofdwond
- midschacht claviculafractuur rechts
- hoofdwond occipitaal/parietaal en hoofdwond naast rechteroog.
De SEH arts drs. [naam 9] van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen heeft onder meer het volgende beschreven: [9]
Patiënt zagen wij 9.12.2024 op de Spoedeisende Hulp.
Conclusie:
- scapulablad fractuur
- ribfracturen costa 3 bifocaal onverplaatst, costa 4 bifocaal onverplaatst, costa 5 unifocaal.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op basis van de gebruikte bewijsmiddelen het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte zich, door zijn handelen, schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Om tot een bewezenverklaring te komen van een poging tot doodslag moet sprake zijn van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, op het overlijden van het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het dossier niet vast te stellen dat de verdachte [naam 1] willens en wetens van het leven heeft trachten te beroven. Van vol opzet is geen sprake. Wel is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet om [naam 1] van het leven te beroven en overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat uit de handeling van het duwen van een trap niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een aanmerkelijke kans op de dood bestond. Daarvoor is het nodig nog andere vaststellingen te doen, bijvoorbeeld over de kracht waarmee is geduwd en waar het slachtoffer zich op het moment van duwen bevond.
De rechtbank stelt aan de hand van de hiervoor aangeduide bewijsmiddelen vast dat er op enig moment een ruzie heeft plaatsgevonden tussen de verdachte en [naam 1] . [naam 1] bevond zich op dat moment bovenaan de trap met zijn rug naar het trapgat. De trap is een betonnen steile trap van bijna 4,5 meter hoog en bestaat uit een 15-tal betonnen traptreden. De verdachte heeft [naam 1] met kracht en met beide handen geduwd ter hoogte van de borst waardoor [naam 1] , die zich als gezegd op dat moment met zijn rug richting trappengat bevond, van deze trap is gevallen. [naam 1] heeft door de kracht van de duw een vrije val gemaakt, naar de rechtbank begrijpt: achterwaarts en met zijn hoofd als eerste, tijdens welke val hij kennelijk zo’n 7 a 8 traptreden oversloeg om vervolgens halverwege op de betonnen trap terecht te komen en door te rollen naar de stenen vloer. Het onder deze specifieke omstandigheden met kracht duwen tegen het bovenlichaam van iemand die met zijn rug naar het trapgat staat en die dus achterwaarts, met zijn hoofd als eerste, een trap van bijna 4,5 meter hoog en bestaande uit 15 betonnen traptreden naar beneden valt, roept op zichzelf al de aanmerkelijke kans in het leven dat die persoon als gevolg daarvan zal komen te overlijden. Daarbij heeft de rechtbank ook het feit betrokken dat de verdachte wist dat het slachtoffer alcohol had gedronken, nu verdachte heeft verklaard over het feit dat het slachtoffer stonk naar alcohol. Verdachte had zich er dus bewust van moeten zijn dat het slachtoffer mogelijk onvast ter been was en een verminderd reactievermogen had. De verdachte had derhalve extra voorzichtig moeten zijn. De verdachte heeft door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [naam 1] zou komen te overlijden. [naam 1] had immers ook op zijn hoofd terecht kunnen komen.
Gezien het voorgaande acht de rechtbank de primair tenlastegelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.
3.3
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte:
feit 1 primair:
op 8 december 2024 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [naam 1] opzettelijk van het leven te beroven, die [naam 1] een duw te geven waardoor voornoemde [naam 1] van de trap is gevallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte

Het beroep op noodweer(exces)
De verdachte heeft zich zowel tijdens het verhoor bij de politie alsook bij het verhoor bij de rechter-commissaris op het standpunt gesteld dat hij uit zelfverdediging heeft gehandeld. De rechtbank heeft dit standpunt van de verdachte opgevat als zijnde een beroep op noodweer(exces).
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden. [naam 1] is degene die in eerste instantie dreigend en opgefokt op de verdachte afgaat en daarbij meermaals schreeuwt ‘ik maak je kapot’ en ‘ik sla je op je bek’, daarbij met zijn vinger wijzend naar de verdachte. [naam 1] duwt daarbij meermaals de folders tegen de verdachte aan. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte, gezien de meermaals geuite bedreigingen en gezien het feit dat [naam 1] daarbij ook al fysiek agressief was geworden door meermaals papieren tegen de verdachte aan te duwen op dat moment gerechtvaardigd mocht denken dat hij door [naam 1] geslagen zou worden. Door deze gedragingen van [naam 1] was er op dat moment naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn, verdachtes, lijf. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het dossier echter niet aannemelijk is geworden dat de situatie zodanig is geweest dat de gedraging van de verdachte, namelijk het met kracht duwen van de trap, geboden was voor zijn noodzakelijke verdediging. De verdachte had anders kunnen en ook moeten handelen. Het is namelijk de verdachte die [naam 1] , die in een opgefokte toestand de trap omhoog op hem af komt lopen, bovenaan de trap opwacht. De verdachte had zich eenvoudig aan de situatie kunnen onttrekken door zijn woning in te gaan en de voordeur van die woning te sluiten. Ook op het moment dat [naam 1] , kort daarop, boven aan de trap staat en tegen verdachte schreeuwt en hem bedreigt, is er niets dat de verdachte heeft weerhouden om zijn woning in te gaan en zich aan de situatie te onttrekken. De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat [naam 1] in de deuropening van zijn woning stond en dat verdachte daardoor de deur van zijn woning niet kon sluiten, nu de verdachte daarover bij de politie wisselend heeft verklaard en deze verklaring bovendien zijn weerlegging vindt in de aangifte en de getuigenverklaring van [naam 2] , waaruit blijkt dat [naam 1] niet in de deuropening, maar boven aan de trap stond.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdediging tegen de aanranding niet noodzakelijk was, omdat de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en moeten onttrekken. Onder de gegeven omstandigheden bestond daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid, terwijl ook van de verdachte kon worden gevergd dat hij zich zou onttrekken aan de situatie. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de gekozen gedragingen van de verdachte – als verdedigingsmiddel – in onredelijke verhouding staan tot de ernst van de aanranding. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt. Ook dat verweer wordt verworpen.
Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat het feit strafbaar is.
Evenmin is een omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

5.De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
poging tot doodslag.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft daarnaast de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis gevorderd.
6.2
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag op [naam 1] door hem met kracht van een steile bijna 4,5 meter hoge betonnen trap te duwen, terwijl deze met zijn rug naar het trapgat stond. Doodslag behoort niet voor niets tot de ernstigste misdrijven die het strafrecht kent. De verdachte heeft [naam 1] bijna beroofd van zijn meest kostbare bezit: zijn leven. Dat het feit geen fatale afloop heeft gehad, is een gelukkige omstandigheid die niet te danken is geweest aan het handelen van de verdachte. De verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [naam 1] . Als gevolg daarvan heeft [naam 1] hoofdletsel en meerdere ribbreuken, een breuk van het sleutelbeen en een breuk van het schouderblad opgelopen. De gevolgen voor [naam 1] zijn groot. Hij heeft tot op heden zowel fysiek als mentaal zeer veel last van hetgeen hem die dag is overkomen, zoals ook blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting. Door zo te handelen heeft de verdachte laten zien het recht op leven van [naam 1] niet te respecteren. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van
22 april 2026 waaruit volgt dat er, ondanks de inspanningen vanuit de reclassering, geen contact mogelijk was met de verdachte. Dat de verdachte – in strijd met de aan hem in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op gelegde voorwaarden - niet ter terechtzitting aanwezig is geweest en derhalve ook geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag, laat zien dat de verdachte geen enkel respect heeft voor de autoriteiten.
Gezien de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist op zijn plaats, nu de rechtbank in het voordeel van de verdachte meeneemt dat hij de confrontatie niet zelf heeft opgezocht en uit paniek heeft gehandeld. Er was immers sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn eigen lijf, maar de verdachte heeft in die situatie verkeerd gehandeld.
Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden en zal deze straf opleggen.
De verdachte verblijft tijdens de gevangenisstraf in een penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.
Voorlopige hechtenis
De verdachte heeft 13 dagen in voorlopige hechtenis verbleven en is met ingang van 20 december 2024 onder voorwaarden door de rechtbank geschorst. Op grond van de in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis opgelegde voorwaarden diende de verdachte gehoor te geven aan iedere oproep van politie en justitie. Op grond van die voorwaarde was de verdachte verplicht op de zitting te verschijnen aan welke verplichting hij niet heeft voldaan. Hierin ziet de rechtbank aanleiding over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van 22 juli 2026.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [naam 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 5.619,75. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
fysiotherapie: € 402,50
medicatie: € 42,25
immateriële schade: € 5.175,00.
De benadeelde partij heeft daarnaast verzocht om vergoeding van de proceskosten begroot op € 250,00.
De benadeelde partij heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij integraal kan worden toegewezen.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. Dit bedrag is opgebouwd uit de posten:
fysiotherapie: € 402,50
medicatie: € 42,25
immateriële schade: € 5.175,00.
Materiële schade
De gevorderde materiële schade ter hoogte van in totaal € 444,75 komt voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank acht de schadeposten voldoende onderbouwd en de vordering komt de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast vergoeding van immateriële schade gevorderd. Bij [naam 1] is lichamelijk letsel geconstateerd, zodat op grond van artikel 6:106 lid 1 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek aanspraak gemaakt kan worden op vergoeding van immateriële schade. De rechtbank acht het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 5.175,00 billijk, gelet op de aard van het letsel en de bedragen die worden toegekend in vergelijkbare zaken. De rechtbank zal de vordering dan ook voor dat bedrag toewijzen. Bovendien komt de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voor.
Proceskosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden op dit moment begroot op € 250,00.
De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
8 december 2024 en zal hiervoor de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr opleggen.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;

Straf

  • veroordeelt de verdachte tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
Voorlopige hechtenis:
-
heft opde schorsing van de
voorlopige hechtenis met ingang van heden;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
-
wijst de vordering tot schadevergoedingvan de benadeelde partij [naam 1]
toeen veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, van
een bedrag van € 5.619,75, bestaande uit € 444,75 materiële schade en € 5.175,00 immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de
wettelijke rente vanaf 8 december 2024tot aan de dag der algehele voldoening.
  • Veroordeelt verdachte tevens in de
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van
[naam 1] , van een bedrag van € 5.619,75.
Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 53 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Voormeld bedrag bestaat uit € 444,75 materiële schade en € 5.175,00 immateriële schade.
De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 december 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.A. Wouters, voorzitter, mr. E.B.A. Ferwerda en
mr. J. Linders, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. Lejeune, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 22 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Linders is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
feit 1 primair:
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Kerkrade
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
[naam 1]
opzettelijk
van het leven te beroven,
die [naam 1] een duw te geven waardoor voornoemde [naam 1] van de trap is gevallen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 1 subsidiair:
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Kerkrade
aan een ander, te weten [naam 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toegebracht, door die [naam 1] een duw te geven
waardoor voornoemde [naam 1] van de trap is gevallen;
feit 1 meer subsidiair:
hij op of omstreeks 8 december 2024 te Kerkrade
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [naam 1]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
die [naam 1] een duw te geven waardoor voornoemde [naam 1] van de trap is
gevallen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2024200120, gesloten d.d. 5 januari 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 77.
2.Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] van 9 december 2024, pg. 9-12.
3.Het proces-verbaal van bevindingen van 1 juli 2026.
4.Het proces-verbaal van bevindingen van 8 december 2024, pg. 24-26.
5.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 6] van 8 december 2024, pg. 15-17.
6.Het proces-verbaal van verhoor getuige [naam 7] van 9 december 2024, pg. 18-20.
7.Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 9 december 2024, pg. 49-56.
8.Het geschrift inhoudende de medische rapportage van drs. [naam 8] SEH arts van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen van 8 december 2024, pg. 6-9 van de medische rapportage.
9.Het geschrift inhoudende de medische rapportage van drs. [naam 9] SEH arts van het Zuyderland ziekenhuis te Heerlen van 9 december 2024, pg. 4-5 van de medische rapportage.