ECLI:NL:RBLIM:2026:7456

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
C/03/349552 / FA RK 26-295
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Nobis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377a BWArt. 1:247 BWArt. 1:248 BWArt. 265 RvArt. 810 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling omgangsregeling tussen moeder en verstandelijk beperkte minderjarige met ADHD

De voogd, een gecertificeerde instelling, verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen de moeder en de minderjarige, die een verstandelijke beperking, ADHD, reactieve hechtingsstoornis en autisme heeft. De minderjarige woont in een gezinshuis en wenst de omgang te beperken tot eenmaal per maand begeleid bezoek op een doordeweekse dag van twee uur, en wil geen belcontacten meer met de moeder.

De moeder voerde verweer en verzocht onder meer om behoud van de belcontacten, omgang op zaterdag of doordeweekse dagen afhankelijk van haar werk, en een onafhankelijk deskundigenonderzoek. De minderjarige gaf aan liever op een doordeweekse dag contact te hebben en geen belcontacten meer te willen vanwege de negatieve ervaringen.

De rechtbank oordeelde dat de wensen van de minderjarige gerespecteerd moeten worden, dat omgang op zaterdag niet in zijn belang is vanwege dagbesteding, en dat de belcontacten worden stopgezet. De omgang wordt vastgesteld op eenmaal per maand begeleid bezoek op een doordeweekse dag, nader te bepalen in overleg. De moeder werd niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot deskundigenonderzoek. Evaluatiemomenten tussen moeder en voogd worden vastgesteld zonder aanwezigheid van de gezinsmoeder vanwege de vijandige houding van de moeder.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en tegen deze beslissing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Uitkomst: De rechtbank stelt een begeleide omgangsregeling van eenmaal per maand op een doordeweekse dag vast en beëindigt de belcontacten tussen moeder en minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Maastricht
Zaaknummer: C/03/349552 / FA RK 26-295
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vaststelling van de omgangsregeling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
in haar hoedanigheid van voogd,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Prass, kantoorhoudend in Amsterdam.
Met toepassing van artikel 810 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, verder te noemen: de raad,
locatie Maastricht, door de rechtbank als adviseur bij deze zaak betrokken.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 februari 2026;
  • een e-mailbericht van [hulpverlening] , ontvangen op 18 februari 2026;
  • een machtiging van de moeder aan De Voortuitgang & Partners van 25 april 2024, ontvangen op 23 februari 2026;
  • het verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek van de moeder, ontvangen op 29 april 2026;
  • door de GI overgelegde aanvullende stukken, ontvangen op 4 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 6 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- drie vertegenwoordigsters van de GI;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de raad.
1.3.
Na de zitting hebben op 7 mei 2026 zowel de moeder als [hulpverlening] namens de moeder nog een e-mailbericht aan de rechtbank gestuurd.
De rechtbank zal deze e-mails buiten beschouwing laten omdat deze tardief zijn, niet ter zitting met alle belanghebbenden zijn gedeeld en bovendien stukken, zoals de moeder eerder is bericht, enkel door de advocaat kunnen worden ingediend.
1.4.
De (kinder)rechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft op 29 april 2026, buiten aanwezigheid van de belanghebbenden en in aanwezigheid van de gezinsmoeder een gesprek gehad met de (kinder)rechter. Ter zitting heeft de (kinder)rechter een korte samenvatting van het gesprek met [minderjarige] voorgehouden waarop eenieder heeft kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 27 maart 2013 is [minderjarige] onder voogdij gesteld van de GI.
2.2.
[minderjarige] verblijft een gezinshuis.

3.De verzoeken en het verweerHet verzoek van de GI

3.1.
De GI verzoekt tussen de moeder en [minderjarige] de navolgende omgangsregeling tussen de moeder en [minderjarige] vast te stellen:
  • naar de rechtbank begrijpt, een keer per maand op een door de weekse dag begeleid bezoek tussen de moeder en [minderjarige] na school/ stagetijd voor de duur van twee uur;
  • de belmomenten tussen de moeder en [minderjarige] komen te vervallen,
en de te geven beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.1.1.
Ter onderbouwing van het verzoek stelt de GI het volgende.
[minderjarige] verblijft al sinds zeer jonge leeftijd in het huidige gezinshuis. Hij heeft een verstandelijke beperking en is gediagnosticeerd met ADHD. [minderjarige] legt moeilijk contact met leeftijdsgenoten en is veelal op zichzelf. Hij zoekt vooral toenadering bij volwassenen en kan hierin claimend gedrag laten zien. [minderjarige] heeft veel behoefte aan duidelijkheid en structuur. Als hij dat niet krijgt, kan hij gedragsproblemen laten zien vanuit overvraging. [minderjarige] doet een heel groot beroep op zijn gezinshuisouders. Om hen te ontlasten gaat hij
1 keer per week naar de BSO en 3 keer per week naar [dagbesteding] . Daarnaast gaat hij 1 keer per kwartaal logeren bij [dagbesteding] . [minderjarige] volgt speciaal onderwijs waar hij het goed doet. Hij is nu in de nacht meestal droog. Hij moest telkens worden aangestuurd wat erop wijst dat hij lichamelijke signalen niet oppikt.
3.1.2.
[minderjarige] heeft een begeleide omgangsregeling met zijn moeder. Hij wil steeds minder graag naar haar toe omdat de moeder niet goed kan aansluiten bij [minderjarige] . De moeder overschat [minderjarige] waardoor [minderjarige] de moeder niet begrijpt. Daarnaast vertelt de moeder zaken tegen [minderjarige] waardoor hij ontregelt en bang is dat hij weg moet uit het gezinshuis. Daarom wil [minderjarige] niet bij de moeder thuis op bezoek of in de buurt bij haar omdat [minderjarige] bang is dat hij daar moet blijven. Hij vindt een begeleid bezoek van 1 keer per maand gedurende twee uur voldoende. De bezoeken vinden in de buurt bij [minderjarige] plaats omdat een lange reistijd niet goed voor hem is. Er wordt gezocht naar activiteiten die [minderjarige] leuk vindt. De moeder gaat hier telkens over in discussie omdat [minderjarige] de activiteiten volgens haar niet leuk vindt. Gezien de leeftijd van [minderjarige] meent de moeder dat hij meer aan kan. De moeder herkent al jaren niet dat [minderjarige] zijn sociaal emotionele ontwikkeling (SEO) ligt tussen 9 maanden en 3 jaar waardoor de moeder hem overschat.
Op korte termijn zal een nieuwe SEO afgenomen worden om te kijken of [minderjarige] hier groei in laat zien. De moeder dient door de voogd en het [jeugdzorginstelling] telkens gestuurd te worden in de activiteiten die passend zijn voor [minderjarige] .
Er is ook belcontact tussen de moeder en [minderjarige] , maar [minderjarige] wil dat niet meer. De tijd van een belcontact was 10 minuten maar na 3 minuten houdt het voor [minderjarige] al op.
Omdat dit bellen zo’n weerstand gaf bij [minderjarige] is besloten dat hij niet meer hoefde te bellen. Als vervanging stuurden de gezinshuisouders bij de maandelijkse update niet alleen foto’s maar ook een filmpje van [minderjarige] waarin hij iets deed wat hij leuk vindt. Tijdens de zitting van 6 maart 2024 zijn opnieuw belmomenten aan de GI meegegeven. Sindsdien belt [minderjarige] 1 keer per maand naar de moeder. Verder was afgesproken dat de moeder samen met haar hulpverlening dat belmoment zou voorbereiden. De gezinshuisouders deden dat met [minderjarige] zodat hij info aan de moeder kon doorgeven. Toch liet [minderjarige] weer hetzelfde gedrag zien als voorheen, dat hij niet wil bellen, hij omgekocht moet worden met snoep en gesprekken na 3 minuten eindigen.
3.1.3.
Sinds november 2025 geeft [minderjarige] aan dat hij bezoek van de moeder op een doordeweekse dag wil. Hij wil dat niet meer op een zaterdag omdat hij dan bij [dagbesteding] is waardoor hij eerder weg moet dan dat de activiteit duurt. [minderjarige] wil nu dat dit bezoek op donderdag plaatsvindt, maar dat lukt de moeder vanwege haar werk niet en omdat zij niet in de file terug naar huis wil rijden. Daardoor blijven de bezoeken op zaterdag waardoor [minderjarige] deze structureel afzegt omdat hij niet weg wil bij [dagbesteding] .
De belmomenten vinden thans onbegeleid plaats omdat de moeder privacy wil waardoor de belmomenten nu mis gaan voor [minderjarige] .
Het verweer en de zelfstandige verzoeken van de moeder
3.2.
De moeder voert gemotiveerd verweer en concludeert primair tot afwijzing van het verzoek.
Subsidiair verzoekt de moeder:
- de omgang tussen haar en [minderjarige] niet te beperken althans;
- een omgangsregeling vast te stellen waarbij omgang plaatsvindt op een doordeweekse dag zolang de moeder niet werkt;
- omgang plaatsvindt in het weekend zodra de moeder haar werkzaamheden hervat;
- te bepalen dat de belmomenten tussen de moeder en [minderjarige] in stand blijven;
- te gelasten dat een onafhankelijk deskundigenonderzoek wordt verricht ex artikel 810a van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);
- te bepalen dat er periodiek, ten minste twee keer per jaar, een evaluatiemoment plaatsvindt tussen de moeder, de voogd en de pleegmoeder;
meer subsidiair:
- een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van [minderjarige] juist acht.
3.2.1.
Ter onderbouwing van haar verweer stelt de moeder dat een beperking van de omgang door de GI onvoldoende is onderbouwd en niet in het belang van [minderjarige] is. Zij is van mening dat de omgang onder druk staat en eerder wordt afgebouwd dan ondersteund.
De GI onderbouwt het verzoek met verouderde informatie nu verwezen wordt naar een psychologisch onderzoek uit 2022-2023. De moeder heeft geen vertrouwen in de onafhankelijkheid van deze informatie nu deze afkomstig is uit dezelfde keten van betrokken instanties.
De moeder ontvangt tegenstrijdige signalen over de ontwikkeling van [minderjarige] . Er wordt gesteld dat hij op een zeer laag ontwikkelingsniveau functioneert terwijl blijkt dat hij zich op school ontwikkelt en functioneert. Dat maakt dat het huidige beeld onvoldoende betrouwbaar is om verstrekkende beslissingen op te baseren.
De moeder betwist dat de door de GI weergegeven wens van [minderjarige] zonder meer als zijn eigen, vrije wens kan worden beschouwd. Zij acht het aannemelijk dat sprake is van beïnvloeding of loyaliteitsproblematiek. In haar beleving wordt het contact tussen haar en [minderjarige] niet gestimuleerd en bestaat er een risico op ouderverstoting.
Ten aanzien van de omgang stelt de moeder zich constructief op. Omgang kan door de week plaatsvinden zolang de moeder niet werkt maar als zij wel werkt kan omgang enkel in het weekend plaatsvinden.
De moeder vindt het niet in het belang van [minderjarige] als de belmomenten vervallen omdat dit contact belangrijk is om de band tussen de moeder en [minderjarige] te onderhouden, zeker nu fysieke contactmomenten beperkt zijn.
De moeder heeft behoefte aan een betere informatievoorziening en meer structureel overleg met de betrokken partijen. Het huidige gebrek aan communicatie draagt bij aan het wantrouwen en belemmert een goede samenwerking.
Omdat de informatie en het onderzoek waarop de GI het verzoek baseert verouderde informatie en onbetrouwbaar is, verzoekt de moeder een onafhankelijke deskundige te benoemen die onderzoek verricht naar de ontwikkeling van [minderjarige] , zijn sociaal-emotionele functioneren, de wijze waarop hij zijn wensen vormt en uit en de vraag welke omgangsregeling in zijn belang is.

4.De mening van [minderjarige]

vertelt dat hij zijn moeder een keer per maand op zaterdag ziet. Hij is dan bij [dagbesteding] en moet eerder weg als zijn moeder op bezoek komt. [minderjarige] wil zijn moeder liever op een doordeweekse dag zien omdat hij op zaterdag bij [dagbesteding] wil blijven. Hij heeft daar goed contact met de andere jongeren van de groep. [minderjarige] heeft het daar niet met zijn moeder over gehad. Hij wil zijn moeder graag op een donderdag zien. Dan heeft hij het niet zo druk. In de vakantie kan het ook op een andere dag. Op dinsdag gaat hij ook naar [dagbesteding] en op vrijdag naar een andere opvang. Hij weet niet meer hoe die heet.
[minderjarige] wil ook niet meer bellen met zijn moeder omdat zij dan boos wordt en schreeuwt. Dat vindt [minderjarige] niet fijn. Als dat gebeurt, hangt hij soms gewoon op. Of hij pakt de telefoon soms niet op als de moeder belt. Hij wil liever niet met haar bellen.
Verleden week maandag heeft hij de moeder nog gezien. Dat was in de vakantie. Soms doen ze wel iets leuks maar meestal is dat iets wat de moeder leuk vindt en [minderjarige] niet. Hij wil graag naar de bioscoop maar de moeder houdt van bowlen wat [minderjarige] niet leuk vindt.
maakt zich zorgen over zijn woonplek. Hij wil graag in het gezinshuis blijven maar hij is bang dat hij weg moet. Zijn moeder zegt soms dat [minderjarige] daar weg moet. Hij wil liever niet naar zijn moeder om haar daar te zien. Het is te ver en hij voelt zich daar niet veilig. In het gezinshuis voelt hij zich fijn en veilig.

5.De standpunten op de zitting

Het standpunt van de GI
5.1.
De GI handhaaft het verzoek. In het afgelopen jaar is [minderjarige] meer voor zichzelf opgekomen en durft hij de moeder zijn mening te geven. Dat wil de moeder echter niet zien. Zij is van mening dat [minderjarige] meer bij de moeder wil zijn en vaker met haar wil bellen. [minderjarige] heeft de moeder telefonisch laten weten dat hij dat niet wil, maar het gevolg is dat de moeder boos wordt, waarop [minderjarige] de telefoon neerlegt. Anders dan de moeder meent is de gezinshuismoeder niet aanwezig bij het telefoongesprek van de moeder met [minderjarige] . [minderjarige] is heel beperkt en de GI probeert de moeder mee te nemen in die beperktheid. Dat verandert de visie van de moeder echter niet. Over de mogelijkheden van de tijdsbesteding van de moeder met [minderjarige] blijven de moeder en de GI van mening verschillen. De moeder wil niet inzien dat [minderjarige] niet lang kan reizen vanwege zijn kindproblematiek. [minderjarige] wil naar de speeltuin, de bioscoop of pannenkoeken eten. Hij heeft nooit gesproken over een bezoek aan de Efteling zoals de moeder aangeeft. De moeder vindt hem te oud voor de speeltuin maar zij vergeet dat hij op een veel jonger niveau functioneert. De GI vindt het knap dat [minderjarige] zijn wensen met de kinderrechter heeft besproken.
Inmiddels is een nieuw onderzoek afgenomen waaruit naar voren is gekomen dat [minderjarige] gegroeid is maar dat dit een heel beperkte groei is. Zijn functioneren ligt tussen zes maanden en drie jaar en dat blijft voor de moeder moeilijk om te bevatten en uit te leggen.
De omgang tussen de moeder en [minderjarige] is op dit moment teruggebracht naar vaste momenten in de vakanties omdat de moeder alleen op bezoek wil komen tussen 13.00 en 15.00 uur. De omgang op zaterdag is geschrapt omdat [minderjarige] dan geen contact wil. [minderjarige] krijgt de begeleiding die hij nodig heeft waardoor hij tot ontwikkeling komt en omdat iedereen bij hem aansluit. Hoewel de GI deze ontwikkeling en de reden waarom dit mogelijk is aan de moeder uitlegt, beklijft dat bij haar niet. Zo blijft de moeder de wens houden dat [minderjarige] bij haar komt wonen en daar belast zij hem ook mee. Dat zorgt bij [minderjarige] voor onrust omdat hij in het gezinshuis wil blijven wonen.
Een deskundigenonderzoek zoals door de moeder verzocht wordt door Daelzicht afgenomen omdat gekeken moet worden waar [minderjarige] naar toe gaat zodra hij meerderjarig is.
De GI biedt aan om met de leidinggevende van de moeder te bespreken wat mogelijk is op doordeweekse dagen voor de moeder in het contact met [minderjarige] . De GI heeft de moeder voorgesteld om de omgang tussen 16.00 uur en 18.00 uur te laten plaatsvinden. De GI stelt voor om dat op donderdag te laten zijn omdat deze omgang past bij school en stage van [minderjarige] . In de vakantieperiode kan daarvan afgeweken worden en is alles mogelijk.
De evaluatiemomenten met de moeder verlopen goed. Dat lukt niet als ook de gezinsmoeder aanwezig is, door de vijandige houding van de moeder. De GI verzoekt de rechtbank om dat niet te bepalen.
Het standpunt van de moeder
5.2.
De moeder handhaaft het verzoek. Zij betwist dat [minderjarige] niet meer met haar wil bellen of bij haar wil wonen. De moeder is van mening dat [minderjarige] niet vrijuit kan spreken en dat hij daarom geen telefonisch contact meer wil. De moeder wil vasthouden aan de omgang op zaterdag omdat dit altijd zo is geweest en zij een grote reisafstand moet afleggen. Een optie is om te bekijken wanneer omgang, buiten de zaterdag, kan plaatsvinden zolang de moeder niet werkt. De moeder wil dat de belcontacten blijven omdat het contact anders wel heel weinig wordt en een belcontact ervoor kan zorgen dat de fysieke contacten beter worden. Ook wil de moeder dat een evaluatiemoment plaatsvindt omdat dit belangrijk is. Er is nu geen contact tussen de moeder en de gezinsmoeder en zo’n evaluatiemoment kan de relatie tussen de moeder en de gezinsmoeder verbeteren. De moeder maakt zich ernstige zorgen over [minderjarige] en wat er over hem geschreven wordt. Het is dan ook goed dat er nieuwe informatie komt en dan kan bekeken worden of de moeder kan berusten in het onderzoek. De moeder vindt het belangrijk dat een onafhankelijke partij gaat kijken wat mogelijk is, wat [minderjarige] wil en wat de moeder hem kan bieden. Verder is het van belang dat de omgang blijft plaatsvinden. Volgens de moeder wil haar werkgever niet meewerken om te bezien wat mogelijk is in een doordeweeks omgangsmoment. De moeder hoopt dat zij door een deskundigenonderzoek meer vertrouwen gaat krijgen en dat daardoor de contacten soepeler zullen verlopen. De moeder doet veel moeite om de bezoeken na te komen. Zij maakt zich zorgen over [minderjarige] die eerder bij de moeder wilde wonen en dat nu niet meer wil.
Het advies van de raad
5.3.
De raad begrijpt dat [minderjarige] de moeder graag wil blijven zien. De raad legt uit dat het heel normaal is dat de relatie tussen ouders en kinderen verandert als kinderen ouder worden. Als [minderjarige] niet de problematiek had die hij heeft, maakt het feit dat hij ouder wordt, dat hij zijn vrije tijd anders wil invullen. Dat overkomt heel veel ouders en daar moeten ouders mee omgaan. Dat [minderjarige] de moeder soms bij haar voornaam noemt, zoals de moeder aangeeft en niet mama noemt, past daar ook bij.
Het is bewonderenswaardig dat de omgang al zo lang plaatsvindt, gezien de reisafstand. Het zou jammer zijn als dat nu zou wegvallen. Er dient nu gekeken te worden naar flexibiliteit in de omgang en naar wat mogelijk is. Bij de moeder zijn praktische belemmeringen maar er worden door de GI ook alternatieven aangedragen. Daarover moet samen gesproken worden op welke manier omgang kan worden geregeld.

6.De beoordeling

De bevoegdheid van de rechtbank Limburg
6.1.
Op grond van artikel 265 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) is de rechter van de woonplaats van de minderjarige of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, van het werkelijk verblijf van de minderjarige, bevoegd om van het onderhavig verzoek kennis te nemen. Gelet op artikel 1:12 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) is de woonplaats van de minderjarige dezelfde als de woonplaats van degene die het gezag of de voogdij over de minderjarige uitoefent.
6.2.
De GI is belast met de voogdij over [minderjarige] . De GI is gevestigd in Amsterdam. Daarom is de rechtbank Amsterdam in deze zaak bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Aangezien de GI heeft aangegeven dat zij geen verwijzing wenst en ook de belanghebbende het er mee eens is, zal de rechtbank Limburg de zaak onder zich houden.
Het wettelijk kader
Vaststellen omgangsregeling
6.3.
Op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen, of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
6.3.1.
Een gecertificeerde instelling die door de rechter is belast met de voogdij over een minderjarige die niet onder ouderlijk gezag staat, heeft dezelfde bevoegdheden en verplichtingen als andere voogden. De taak van de voogd bestaat onder meer uit het zorgdragen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige en daaronder valt mede de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (artikel 1:247, tweede lid BW in samenhang gelezen met artikel 1:248 BW Pro).
6.3.2.
Tot de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het in acht nemen van het recht van de betrokken minderjarige op omgang met de niet met het gezag belaste ouder, evenals het recht op en de verplichting tot omgang van die ouder met zijn kind (artikel 1:377a BW). Deze verplichtingen rusten op de voogd in het belang van het kind en kunnen niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen. Het belang van het kind kan onder omstandigheden ook meebrengen dat het recht op omgang moet worden beperkt of ontzegd.
6.3.3.
Artikel 1:377a BW moet dan ook zo worden uitgelegd dat de daarin aan de ouders toegekende bevoegdheid de rechter te verzoeken een regeling over de uitoefening van het omgangsrecht vast te stellen ook aan een GI als voogd toekomt.
Benoeming deskundige
6.4.
Op grond van artikel 810a, tweede lid Rv, benoemt de rechter op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder, in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen of de beëindiging van het ouderlijk gezag of voogdij, een deskundige, mits dat deze tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
6.4.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een voldoende concreet en ter zake dienend verzoek tot toepassing van artikel 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, in beginsel moet worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind (vgl. HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2632 en HR 12 april 2019 ECLI:NL:HR2019:575).
Inhoudelijke beoordeling
Vaststellen omgang
6.5.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige] een verstandelijke beperking heeft, gediagnosticeerd is met ADHD, een reactieve hechtingsstoornis en autisme heeft. Het is voor [minderjarige] lastig om contact met leeftijdsgenootjes te leggen en is veelal op zichzelf gericht. De sociaal emotionele ontwikkeling van [minderjarige] ligt op een beduidend lagere leeftijd dan zijn kalenderleeftijd en is bovendien niet eenduidig op alle gebieden. Het vergt veel van zijn opvoedomgeving om goed bij [minderjarige] aan te sluiten. Als [minderjarige] geen duidelijkheid en structuur krijgt, snapt hij het niet en kan hij gedragsproblemen laten zien door overvraging. [minderjarige] ontwikkelt zich verder binnen zijn mogelijkheden en de rechtbank ziet ook dat [minderjarige] talenten heeft.
De rechtbank stelt vast dat de moeder betrokken is, maar moet ook vaststellen dat het de moeder niet lukt te accepteren dat [minderjarige] een jongere is met forse beperkingen, die niet kan functioneren op zijn kalenderleeftijd. Hoewel de GI daar vaker met de moeder over heeft gesproken, blijft dat voor de moeder moeilijk te bevatten. Daar mag [minderjarige] echter niet de dupe van worden.
6.5.1.
[minderjarige] woont al sinds jonge leeftijd in een gezinshuis waar hij duidelijkheid en structuur geboden krijgt waar hij goed bij gedijt. Er is een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de moeder. Sinds [minderjarige] op zaterdag naar [dagbesteding] gaat, is gebleken dat hij de omgang met de moeder op zaterdag niet meer wil omdat hij dan eerder bij [dagbesteding] weg moet gaan, wat hij niet wil. Hij wil wel contact met de moeder op een doordeweekse dag.
[minderjarige] heeft verder last van de belcontacten met de moeder, omdat de moeder boos wordt en gaat schelden waardoor [minderjarige] geen belcontact meer wil. De rechtbank stelt vast dat het bellen met de moeder al langer moeizaam verloopt en in 2024 stil was komen te vallen. Na bemiddeling van de rechter in 2024 is het bellen hervat, maar verloopt ook nu moeizaam. [minderjarige] voelt zich er - vanuit zijn beleving - niet fijn bij. Hij moet verleid worden met snoep om 3 minuten te bellen met de moeder voor zover hij daartoe al te bewegen is.
6.5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de duidelijke wens van [minderjarige] gerespecteerd dient te worden zowel met betrekking tot de dag van de omgang als ook zijn wens om de belcontacten te stoppen. Deze wensen bestaan bij [minderjarige] al langer en het tijdsverloop heeft ook niet gezorgd dat zijn wensen zijn veranderd.
Anders dan de moeder meent, is niet aannemelijk geworden dat de wensen van [minderjarige] door anderen zijn ingegeven. Ook valt niet in te zien welk belang de volwassenen om hem heen, die zich alle moeite getroosten om goed bij [minderjarige] aan te sluiten, daarbij zouden hebben. De rechtbank is gebleken tijdens het kindgesprek met [minderjarige] dat [minderjarige] stellig en duidelijk is over wat hij zelf wil.
6.5.3.
De rechtbank begrijpt dat van de moeder een grote flexibiliteit wordt gevraagd als het gaat om omgang op een doordeweekse dag en dat zij het bellen met [minderjarige] zal missen.
Maar de weerstand bij [minderjarige] is groot en zal alleen maar toenemen als hij wordt “gedwongen” met het gevaar dat hij straks helemaal geen contact meer met de moeder zal willen hebben. Dit terwijl [minderjarige] wel de behoefte heeft om het contact met de moeder te behouden. De moeder geeft ook al jaren een mooie invulling aan de contacten met [minderjarige] ondanks de reisafstand.
De rechtbank overweegt nog dat uit de stukken en ter zitting is gebleken dat het een onevenredige en feitelijk onmogelijke inspanning van [minderjarige] en zijn begeleiding zou vergen om de lange autorit te maken zoals de moeder voorstelt om de omgang bij haar thuis te laten plaatsvinden. Dat zou [minderjarige] ernstig overvragen en is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet realistisch en niet in zijn belang. Behalve van [minderjarige] , kan dit in redelijkheid ook niet van de begeleiding worden gevergd. Ten slotte overweegt de rechtbank nog dat omgang op de zondag niet tot de mogelijkheden behoort vanwege gebrek aan begeleiding en omdat die in het gezin gezamenlijke activiteiten worden ondernomen.
6.5.4.
De rechtbank zal bepalen dat er voortaan een keer per maand gedurende twee uur op een doordeweekse dag begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige] zal plaatsvinden. De doordeweekse dag en tijdstippen nader in overleg tussen de GI en de moeder te bepalen, waarbij rekening dient te worden gehouden met de belangen van [minderjarige] .
Daarbij verstaat de rechtbank dat de GI, zoals ter zitting is aangeboden, bij de werkgever van de moeder zal gaan bemiddelen dat de moeder op een doordeweekse dag vrij kan krijgen om naar [minderjarige] te kunnen gaan, zonder dat zij daarvoor uren en/of loon moet inleveren. Daarvoor is wel nodig dat de moeder de GI hiervoor toestemming verleent.
6.5.5.
De rechtbank zal ook de wens van [minderjarige] volgen en de belcontacten tussen hem en de moeder stopzetten. Dat laat onverlet dat als [minderjarige] de moeder een keer wil bellen of als hij wel weer regulier met de moeder wil bellen, dat altijd mag. Hij moet echter niet door de moeder onder druk worden gezet, om dat te doen.
6.6.
De rechtbank is verder gebleken dat de evaluatiemomenten zoals de moeder verzoekt, kunnen plaatsvinden tussen de moeder en de GI, waartoe de GI zich ter zitting bereid heeft verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de gezinsmoeder hier niet bij hoeft aan te sluiten, gelet op de vijandige houding van de moeder richting de gezinsmoeder en dit zou afleiden van het belang van [minderjarige] .
6.7.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot benoeming van een deskundige. Het gezag van de moeder is bij beschikking van 27 maart 2013 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant beëindigd waardoor een benoeming van een deskundige op grond van artikel 810a Rv niet aan de orde is nu er geen sprake is van een ondertoezichtstelling of een beëindiging van het gezag of van de voogdij.
6.8.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

7.De beslissing

De rechtbank:
7.1.
bepaalt dat de omgang tussen de [minderjarige] , geboren op
[geboortedag] 2011 in [geboorteplaats] en de moeder zal plaatsvinden eenmaal per maand, begeleid, op een doordeweekse dag, gedurende twee uur, de dag en tijdstippen nader in onderling overleg te bepalen, rekening houdend met de belangen van [minderjarige] ;
7.2.
bepaalt dat de belcontacten tussen [minderjarige] en de moeder komen te vervallen;
7.3.
verklaart de moeder niet-ontvankelijk in het verzoek tot het bepalen van een deskundigenonderzoek;
7.4.
bepaalt dat twee keer per jaar een evaluatie tussen de moeder en de GI zal plaatsvinden over [minderjarige] .
7.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Nobis, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026, in aanwezigheid van Franssen-Peeters als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.