Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
de rechtbank leest hier: geleidebaken) zag liggen op de weg, plaatste [medeverdachte 1] een afbeelding van [medeverdachte 2] die een geleidebaken vasthield.
[medeverdachte 2] en de verdachte had opgepikt nadat de steen op de auto van [slachtoffer 4] was gegooid, naar de rechtbank begrijpt kennelijk klaar om (weer) snel weg te kunnen rijden. Als de rechtbank verdachtes verklaring al zou geloven dat hij de keren ervoor kenbaar had gemaakt dat hij het niet eens was met het gooien van iets anders dan eieren, quon non nu verdacht die verklaring geen handen en voeten heeft kunnen geven en de verdachte zich ook op geen enkel moment uitdrukkelijk heeft gedistantieerd bijvoorbeeld door te vertrekken, dan kan het bij deze tweede keer niet anders zijn dan dat de verdachte met [medeverdachte 2] is uitgestapt in de volle wetenschap van wat er zou gaan gebeuren: er zou een stoeptegel op een auto gegooid worden. De verdachte ging mee en heeft dit gooien vervolgens nota bene gefilmd. Daarna konden hij en [medeverdachte 2] weer snel wegkomen met de hulp van [medeverdachte 1] , die weer met zijn auto stond te wachten.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot
- beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 50 dagen;
- wijst de vordering van
- bepaalt dat de benadeelde partij ter zake van het meergevorderde aan materiele schade niet-ontvankelijk is in de vordering;
- veroordeelt de verdachte tevens in
- legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van 2.263,19 euro, waarvan 2.000,- ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 263,19 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 2.000,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
- bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
- wijst de vordering van
- veroordeelt de verdachte tevens in
- legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van 3.385,- euro, waarvan 3.000,- euro ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 385,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 3.000,- euro met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
- bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
- wijst de vordering van
- wijst de vordering ter zake van het meer of anders gevorderde af;
- veroordeelt de verdachte tevens in
- legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van 2.284,27 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
- bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
- wijst de vordering van
- veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op nihil;
- legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van 1.482,25 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
- bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
- bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
- bepaalt dat indien door (een van) zij mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
- bepaalt dat
- veroordeelt deze benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
mr. L.H.M. Geuns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juli 2026.
Ter hoogte van de Euregioweg, hectometer 5.3 rechts, reed ik onder een voetgangers fietsbrug door. Op dat moment hoorde ik een keiharde knal op het dak van mij auto. Ik had direct door dat er iets vanaf deze voetgangersbrug op mijn auto was gegooid. Ik ben
niet gelijk gestopt, omdat ik op een 70 km/u weg reed op dat moment. Ik ben doorgereden naar een woonwijk om daar mijn auto te bekijken op schade. Toen ik vervolgens mijn auto had geparkeerd ben ik uitgestapt en zag ik direct enorme schade op het dak aan de achterzijde van mijn auto. Gezien deze schade moet het haast wel dat er een zwaar voorwerp vanaf de brug op mijn auto is gegooid. Mijn auto is namelijk ingedeukt en bekrast. Tevens zag ik dat het derde remlicht door de klap scheef is komen te zitten en niet meer werkt.