ECLI:NL:RBLIM:2026:7533

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
03.059394.24
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 55 SrArt. 77c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot jeugddetentie en werkstraf voor pogingen tot doodslag door gooien van stenen vanaf brug

Op 24 januari 2024 gooide de verdachte samen met anderen stenen vanaf een fietsbrug in Landgraaf op passerende auto’s, waarbij de inzittenden het leven hadden kunnen verliezen. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte medepleger is van twee pogingen tot doodslag en openlijk geweld. Daarnaast is hij medepleger van het laten ontploffen van een Cobra op een auto en van vernieling aan een auto.

De verdachte was ten tijde van de feiten 18 jaar oud, maar de rechtbank past het jeugdstrafrecht toe vanwege zijn persoonlijke omstandigheden en positieve ontwikkeling. De rechtbank legt een jeugddetentie van 540 dagen op, waarvan 499 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een werkstraf van 150 uur. De verdachte hoeft niet opnieuw naar de gevangenis vanwege 41 dagen voorarrest.

De rechtbank wijst diverse schadevergoedingen toe aan benadeelde partijen, waaronder materiële en immateriële schade, en legt de schadevergoedingsmaatregel op. De verdachte wordt vrijgesproken van het gooien van een zwaar houten blok op een auto op 24 november 2023 wegens onvoldoende bewijs.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 540 dagen jeugddetentie (499 voorwaardelijk) en 150 uur werkstraf voor medeplegen van pogingen tot doodslag en andere feiten.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer: 03.059394.24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboortegegevens] 2005,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. A. Carli, advocaat te Geleen.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 juni 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen.
De zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] met parketnummers 03.059393.24 en 03.059392.24.
De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op 9 juli 2026, waarna de uitspraak op 23 juli 2026 is bepaald.
De slachtoffers [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. De benadeelde partijen zijn op de zitting gehoord en werden bijgestaan door mr. E.H.H. van Lieshout, waarnemend voor mr. B. Leemhuis. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
De slachtoffers [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] hebben zich eveneens als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Deze benadeelde partijen zijn niet verschenen. De rechtbank heeft hun vorderingen tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht (Bijlage I). De verdenking komt erop neer dat de verdachte:
- samen met anderen geprobeerd heeft de inzittenden van drie auto’s te doden dan wel zwaar te mishandelen door stenen dan wel een stuk hout op die auto’s de gooien (feit 1 en feit 3);
- openlijk geweld heeft gepleegd door een verkeersbord op de weg te gooien en door voorwerpen op auto’s te gooien (feit 2);
- samen met anderen een ontploffing teweeg heeft gebracht door een Cobra aan te steken op de motorkap van een auto waardoor gevaar voor goederen te vrezen was (feit 4);
- samen met anderen een vernieling heeft gepleegd aan een auto (feit 5).

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht alle feiten bewezen.
De verdachte heeft samen met drie anderen op 23 en 24 januari 2024 voorwerpen gegooid vanaf fietsbruggen over de Euregioweg in Landgraaf. Er werd eerst een geleidebaken gegooid, op 23 januari 2024 omstreeks 23:20 uur. Een passerende auto werd vervolgens met eieren bekogeld. Later, 24 januari 2024 om 01:05 uur en om 01:20 uur, werden stenen gegooid naar twee passerende auto’s. De auto’s werden geraakt, op het dak respectievelijk de voorruit. Er was zo sprake van openlijk geweld en van (telkens) een poging doodslag op de inzittenden van deze laatste twee auto’s die, gelukkig, ongedeerd zijn gebleven. (feit 1 primair en feit 2).
Uit het bewijs volgt dat [medeverdachte 2] degene is geweest die op 24 januari 2024 de stenen heeft gegooid. Dat pleit de anderen echter niet vrij. Dat geldt ook voor het gooien van andere voorwerpen. De verdachten kwamen gezamenlijk op ideeën, hebben ieder een rol gehad en hebben nauw en bewust met elkaar samengewerkt. De officier van justitie ziet de verdachten daarom als medeplegers van twee pogingen tot doodslag en plegers van openlijk geweld.
Volgens de officier van justitie hebben [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zo ook gezamenlijk op 24 november 2023 een zwaar houten blok op een passerende auto gegooid. Ook dat feit levert een poging doodslag op (feit 3 primair).
Op 17 februari 2024 werd de eigenaar van een auto de dupe van het gedrag van de verdachte, [medeverdachte 2] en een derde verdachte. Op de voorruit van de auto werd een Cobra tot ontploffing gebracht. Verdachte was niet degene die de Cobra aanstak en op de voorruit plaatste, maar moet evengoed als medepleger worden beschouwd. Dit feit levert het misdrijf op van artikel 157 Sr Pro: het teweegbrengen van een ontploffing waarvan gevaar voor goederen te duchten was (feit 4).
Op 6 december 2023 heeft de verdachte samen met een ander een vernieling gepleegd aan de auto van de vader van [medeverdachte 2] door tegen de spiegel te trappen en olie over de auto te gooien (feit 5).
3.2
Het standpunt van de verdediging
Van de feiten 1, 3, 4 en 5 moet de verdachte volgens de verdediging worden vrijgesproken. De verdachte betwist niet dat hij aanwezig is geweest bij incidenten op 23 en 24 januari 2024 en op 24 november 2023, maar de verdachte heeft geen wezenlijke bijdrage geleverd aan het gooien van stenen of andere zware voorwerpen richting auto’s. Evenmin aan het vernielen van autospiegels op 6 december 2023. Hij kan in die zaken niet als medepleger worden aangemerkt.
Ten aanzien van feit 4, het laten ontploffen van een Cobra op de voorruit van een auto, ontkent hij iedere betrokkenheid. Voor zijn betrokkenheid is er geen bewijs volgens de verdediging.
De verdachte heeft erkend dat hij eieren heeft gegooid vanaf een van de fietsbruggen in Landgraaf en zou veroordeeld kunnen worden voor feit 2, het openlijk geweld, maar alleen voor zover het betreft het gooien van eieren, niet voor het gooien van een geleidebaken of andere voorwerpen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Aan de verdachte worden ernstige verwijten gemaakt. Een aantal feiten en omstandigheden zijn zonder problemen vast te stellen. Er zijn strafbare feiten gepleegd: daarvoor is voldoende bewijs. De inhoud van het voor de rechtbank relevante bewijs is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis (Bijlage II).
Feiten 1 en 2: het gooien van voorwerpen van bruggen over de Euregioweg
De rechtbank zal eerst de feiten bespreken van 23 en 24 januari 2024. De feiten 1 en 2 lenen zich daarbij voor gezamenlijke bespreking. Daarna komen de andere feiten aan de orde.
Een substantieel deel van het proces-verbaal van de politie betreft het opsporingsonderzoek gericht op de identificatie van de bij de feiten van 23 en 24 januari 2024 betrokken personen. De verdachte, medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] , een minderjarige wiens zaak op een later moment behandeld zal worden, hebben erkend dat zij die avond samen waren, dat zij samen in de auto van de verdachte hebben gezeten en samen eieren op auto’s hebben gegooid. De manier waarop zij in het dossier geïdentificeerd werden behoeft daarom geen specifieke bespreking in dit vonnis.
Kort samengevat kan worden vastgesteld dat op 23 januari 2024 omstreeks 23:20 uur en op 24 januari 2024 om 01:05 uur en om 01:20 uur welbewust voorwerpen zijn gegooid naar passerende auto’s vanaf fietsbruggen over de Euregioweg. Twee auto’s zijn daarbij door een steen geraakt. Bij het incident van 01:05 uur is de steen niet aangetroffen, maar uit de schade aan de Suzuki Alto van aangeefster [slachtoffer 4] en het aantreffen van steengruis leidt de rechtbank af dat gegooid moet zijn met een steen en, gelet op het schadebeeld, ook een steen van een behoorlijke afmeting en van een behoorlijk gewicht. De tweede steen, die om 01:20 uur gegooid werd op de Volkswagen Golf waarin aangever [slachtoffer 1] reed, is wel gevonden. Dit was een stoeptegel van bijna 8 kilo.
Beoordeeld moet worden of het gooien met deze stenen (telkens) een poging tot doodslag oplevert. Als dat niet het geval is, dan moet beoordeeld worden of sprake is van het subsidiaire verwijt van poging tot zware mishandeling.
De rechtbank is van oordeel dat feit 1 in de primaire variant, de poging tot doodslag in twee gevallen, bewezen kan worden. Zowel de inzittenden van de Suzuki Alto als die van de Volkswagen Golf hadden het leven kunnen laten. Het is een feit van algemene bekendheid dat door het gooien van stenen van een brug op een autoweg (waar je in dit geval 70 km per uur mag rijden) zeer ernstige ongelukken kunnen gebeuren. De kans dat een bestuurder of inzittende van een auto als gevolg van zo’n ongeluk komt te overlijden is naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk te achten. Van die ervaringsregel moet de verdachte zich ook bewust zijn geweest op 24 januari 2024. Het was, naar hun eigen zeggen, niet de uitdrukkelijke bedoeling van de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] een ander te doden, maar met het gooien van stenen onder de omstandigheden van deze zaak hebben zij die aanmerkelijke kans bewust aanvaard en dan is sprake van voorwaardelijk opzet op dat dodelijke gevolg.
Met deze conclusie loopt de rechtbank al enigszins vooruit op het antwoord op de vraag of sprake was van medeplegen. Vastgesteld kan worden dat medeverdachte [medeverdachte 2] de stenen gegooid heeft. Zijn de feiten dan toch ook gepleegd door de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] ? De verdachte ziet zichzelf niet als medepleger, omdat hij de stenen niet gegooid heeft. Hij heeft verklaard dat hij aanwezig was, maar zegt geen strafbare rol te hebben gehad.
De rechtbank ziet dat anders en overweegt als volgt.
Uit het bewijs volgt dat de verdachte samen optrok op de late avond van 23 januari 2024 met [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en nog een vierde (minderjarige) verdachte (wiens strafzaak op een later moment behandeld zal worden). Hun gezamenlijke voornemen was om eieren te gooien vanaf bruggen naar passerende auto’s en zij waren continu in elkaars gezelschap. De verdachte was degene met een auto en heeft steeds de anderen vervoerd van en naar de bruggen.
Om 23:20 uur plaatste de verdachte een video in de Snapchatgroep waarin de verdachten met elkaar communiceerden. Te zien is dat een auto onder een brug doorreed en op dat moment was een harde klap te horen en er werd gelachen door meerdere personen en “puur geluk” gezegd.
Voor de rechtbank betreft dit een groepsoptreden. De harde klap past overigens niet bij het gooien van eieren, maar van iets anders. Ruim 20 minuten later, enkele minuten nadat aangever [naam 1] een verkeersbord (
de rechtbank leest hier: geleidebaken) zag liggen op de weg, plaatste de verdachte een afbeelding van [medeverdachte 2] die een geleidebaken vasthield.
De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat de verdachten samen, in groepsverband, geweld hebben begaan. Daaraan doet niet af dat niet kan worden vastgesteld wie van hen de harde klap nu veroorzaakte en of dit het geleidebaken betrof, maar dat baken is wel rond die tijd op de weg gegooid. De verdachte heeft immers ter zitting verklaard dat hij gezien heeft dat het geleidebaken door iemand van hun groep van de brug af gegooid werd, dat hij zich niet meer herinnert wie dat deed maar wel dat hij niet degene was die dit deed.
Het gooien vond, naar het oordeel van de rechtbank, plaats onder aanmoediging van de groep. De groepsleden moedigden elkaar en het geweld aan, ook door het vastleggen en delen van hun actie in de Snapchatgroep. Men lachte, niemand distantieerde zich of sprak een duidelijke afkeuring uit.
Daarna escaleerde het toegepaste geweld verder en werd overgegaan tot het gooien van stenen. Uit het bewijs, waaronder camerabeelden van een nabijgelegen woning, in combinatie met de afgelegde verklaringen, blijkt dat de verdachte, die optrad als bestuurder van de auto, zijn medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] in een tijdsbestek van ruwweg een kwartier twee keer afzette bij een brug, waarbij hij telkens de auto positioneerde aan een kant van de brug en vervolgens bleef wachten met gedoofde lichten, kennelijk klaar om snel weg te kunnen rijden. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] konden zo snel wegkomen na het gooien van de stenen. Te zien op de beelden is ook hoe zij aan kwamen rennen, waarna de autoverlichting aan ging en de auto meteen wegreed.
Daarbij was er telefonisch contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] die bij [medeverdachte 2] was toen deze de stenen vanaf de brug naar beneden gooide. De eerste keer was er telefonisch contact om 00:58:47 uur en vond er een gesprek plaats van een minuut tussen de verdachte en [medeverdachte 1] . Volgens de verdachte raakte hij er toen van op de hoogte dat er een steen in het spel was en dat [medeverdachte 2] een steen van de brug wilde gooien. De verdachte heeft zich op dat moment niet gedistantieerd door weg te gaan. In tegendeel: de verdachte heeft zijn auto zo gepositioneerd dat hij snel kon wegrijden en vrijwel gelijktijdig vond er nog een gesprek plaats met [medeverdachte 1] van een minuut om 01:01:02 uur. [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij dacht dat dit gesprek is gevoerd om te zeggen tegen de verdachte dat hij naar de andere kant van de brug moest rijden en dat [medeverdachte 2] een steen wilde gooien. De steen werd vervolgens enkele minuten later gegooid op de auto van aangever [slachtoffer 4] , waarna [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , dankzij de bijdrage van de verdachte, snel konden wegkomen.
De rechtbank concludeert dat de verdachte en [medeverdachte 1] ruimschoots de tijd hadden zich te distantiëren van [medeverdachte 2] , maar dat niet deden. [medeverdachte 1] moet ervan op de hoogte zijn geweest dat de vluchtauto klaar stond. Daarna werd de steen pas gegooid.
Vervolgens heeft de groep zich in de auto van verdachte verplaatst naar een locatie waar door [medeverdachte 2] een stoeptegel is opgeraapt, welke tegel vervolgens is meegenomen in de auto van de verdachte, waarna verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] wederom afzette bij de brug en zijn auto op dezelfde plaats positioneerde waar hij eerder [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] had opgepikt nadat de steen op de auto van [slachtoffer 4] was gegooid, naar de rechtbank begrijpt: kennelijk klaar om (weer) snel weg te kunnen rijden. Als de rechtbank verdachtes verklaring al zou geloven dat hij de keren ervoor kenbaar had gemaakt dat hij het niet eens was met het gooien van iets anders dan eieren, quod non, nu verdachte die verklaring geen handen en voeten heeft kunnen geven en de verdachte zich ook op geen enkel moment uitdrukkelijk heeft gedistantieerd bijvoorbeeld door te vertrekken, dan kan het bij deze tweede keer niet anders zijn dan dat de verdachte [medeverdachte 2] heeft afgezet in de volle wetenschap van wat er zou gaan gebeuren: er zou een stoeptegel op een auto gegooid worden. [medeverdachte 1] is meegegaan en heeft dit vervolgens gefilmd. Daarna konden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] weer snel wegkomen met de hulp van verdachte die alweer met zijn auto stond te wachten.
Dit alles maakt dat de bijdrage van de verdachte aan de onder 1 verweten feiten, die de rechtbank hiervoor al als telkens een poging tot doodslag heeft aangemerkt, zo wezenlijk is dat hij als medepleger van deze feiten moet worden beschouwd. De rechtbank zal dan ook bewezen verklaren dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan tweemaal een poging tot doodslag.
Feit 2
De verdachte heeft verklaard dat hij samen met anderen eieren heeft gegooid vanaf de fietsbrug nabij de Staringstraat. Kort daarvoor werd door iemand uit dezelfde groep een geleidebaken vanaf die brug gegooid en later, op voornoemde tijdstippen op 24 januari 2024, werden stenen gegooid vanaf de fietsbrug nabij de Hompertsweg in Landgraaf. De verdachte en [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de hiervoor genoemde vierde (minderjarige) verdachte hebben al die tijd in elkaars gezelschap verkeerd met het voornemen voorwerpen vanaf bruggen te gooien.
Voor de strafrechtelijke aanpak van dit soort groepsgedrag is bij uitstek artikel 141 Sr Pro in het leven geroepen. Niet vereist is dat bewezen wordt dat de verdachte meer heeft gedaan dan eieren gooien. Vereist is dat komt vast te staan dat hij een voldoende significante bijdrage heeft geleverd aan wat een ander of anderen uit de groep deden. Die bijdrage leverde de verdachte naar het oordeel van de rechtbank op meer manieren (en zoals hiervoor overwogen bij feit 1 zelfs als medepleger). Zo vervoerde de verdachte zijn mededaders naar en van de bruggen en werden over en weer foto’s en filmpjes gedeeld in de groep via Snapchat. Zo plaatste verdachte om 23:20:29 uur voornoemde video, gefilmd vanaf een brug, waarvan vervolgens een voorwerp werd gegooid toen een auto onder de brug doorreed. Rond 01:17 uur zette de verdachte [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] af bij de brug in de wetenschap dat [medeverdachte 2] een stoeptegel bij zich had om van de brug af te gooien. Dat alles levert een vorm op van aanmoedigen en bevorderen van het door iemand uit de groep gepleegde geweld. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld, niet alleen in relatie tot het gooien van eieren, zoals door de raadsvrouw bepleit, maar ook in relatie tot het gooien van het geleidebaken en de stenen.
De rechtbank zal ook feit 2 bewezen verklaren, maar moet hierbij een uitzondering maken ten aanzien van het gooien met eieren en met het geleidebaken, nu dit blijkens het dossier en de verklaring van de verdachte heeft plaatsgevonden vanaf de brug bij de Staringstraat; de rechtbank heeft door raadpleging van openbare bronnen vastgesteld dat deze brug en de eronder liggende weg binnen de gemeente Heerlen liggen. Nu alleen ten laste is gelegd dat het gooien met eieren en met het geleidebaken plaatsvond in de gemeente Landgraaf, zal de rechtbank hiervan dus partieel vrijspreken. Deze partiele vrijspraak doet niet af aan de eerdere overweging van de rechtbank dat de eieren en het geleidebaken wel door de groep van de verdachte en zijn medeverdachten van deze brug naar beneden zijn gegooid.
Tenslotte zij nog opgemerkt dat er een overlap is tussen de feiten 1 en 2. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat dit in het kader van de kwalificatie een eendaadse samenloop oplevert.
Feit 3: vrijspraak
De rechtbank kan uit het dossier en de verklaring van de verdachte ter terechtzitting opmaken dat de verdachte op enigerlei wijze betrokken is geweest bij het gooien van een voorwerp op de auto van aangever [slachtoffer 5] op 24 november 2023. Het betrof een houten blok in de vorm van een baksteen. De voorruit van de auto was door de impact van de val van dat voorwerp op de autoruit flink gebarsten.
Ook zijn er in het dossier aanwijzingen voor de betrokkenheid van medeverdachte [medeverdachte 2] en er zijn overeenkomsten met wat er op 23 en 24 januari 2024 door de groep werd gedaan. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van dit feit moet echter wel worden vastgesteld welke rol de verdachte en (een) ander(en) in deze specifieke zaak hebben gehad en dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen deze personen, dan wel moet kunnen worden vastgesteld dat de verdachte zelf het zware voorwerp heeft gegooid.
Het handelen van de verdachten bij de feiten van 23 en 24 januari 2024 kan aan de hand van het ruim voorhanden zijnde bewijs worden vastgesteld, maar ten aanzien van dit feit is het bewijs te fragmentarisch. De rechtbank heeft zo niet de overtuiging bekomen dat dit feit door de verdachte, alleen, dan wel in samenwerking met (een) andere(n) als medepleger is begaan en zal hem daarom van dit feit vrijspreken.
Feit 4
Uit het bewijs volgt dat op 17 februari 2024, omstreeks 02:05 uur, in Kerkrade op de Eygelshovergracht een Cobra tot ontploffing is gebracht op de voorruit van de auto van aangever [naam 2] . Op beelden is te zien dat twee personen die daad uitvoerden, nadat zij kort daarvoor, omstreeks 02.05 uur, een rolverdeling afspraken over de uitvoering. Die afspraak werd vastgelegd door een ringdeurbel in de buurt. Deze twee personen konden worden geïdentificeerd: het waren [medeverdachte 2] en [naam 3] .
De verdachte claimt dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan dit feit en dat hij zich tijdig heeft gedistantieerd van [naam 3] . De rechtbank heeft echter geen plausibele alternatieve verklaring van hem gehoord voor alle aanwijzingen in het dossier die er op wijzen dat hij wel degelijk actief bij dit feit betrokken was. De verdachte probeerde ter terechtzitting zijn rol op allerlei manieren te minimaliseren, toen deze aanwijzingen hem werden voorgehouden, maar dat is niet gelukt.
Wat zijn die aanwijzingen?
De verdachte bevond zich met zijn auto in de Eygelshovergracht, en wel precies op een plek waar hij de uitvoering van de aanslag kon zien. Hij heeft de ontploffing vervolgens gefilmd en meteen daarna het filmpje in een groepschat in Snapchat gezet, waarin voorafgaand aan en na het incident gecommuniceerd werd door diverse deelnemers. De verdachte zat dus precies op het juiste moment, midden in de nacht, op de eerste rang. Dat was geen toeval: de verdachte wist dat wat ging gebeuren voor hem het vastleggen waard was en ook wat dat zou zijn.
Uit het berichtenverkeer volgt namelijk dat hij nauw betrokken was, met name voorafgaand aan de uitvoering en ook nog daarna. In dat berichtenverkeer heeft de rechtbank geen enkele vorm van het zich distantiëren door de verdachte van wat te gebeuren stond kunnen ontdekken.
Zo berichtte de verdachte in de groepschat om 01:12 uur dat hij [naam 3] in de auto heeft. Een minuut later had de verdachte contact met [naam 4] , die aan de verdachte opties voorlegde: [naam 4] toonde een vuurwerkobject, dat hij van de verdachte moest bewaren, waarna [naam 4] om 01:15 uur berichtte dat hij de Cobra gepakt had. De verdachte, die om 01:13 uur berichtte dat [naam 3] “dat” 100 procent doet, heeft zo het explosief voor de aanslag op de auto van [naam 2] laten leveren, teneinde [naam 3] te kunnen laten uitvoeren wat een andere deelnemer aan de chat nog even samenvat om 01:59 uur: [medeverdachte 2] (
daarmee doelend op medeverdachte [medeverdachte 2] )trapt de spiegels ook eraf, als zij die Cobra erop leggen. De verdachte positioneerde zich met zijn auto zodanig dat hij de aanslag kon vastleggen om te kunnen delen. Om 02:07 uur plaatste hij vervolgens het filmpje in de groep.
Tot slot volgt uit het bewijs dat daarna voortdurend berichten over en weer werden gestuurd. De verdachte en anderen namen waar hoe de politie ter plaatse kwam, wat de verdachte er uit angst om ter plekke aangetroffen te worden van weerhield om te vertrekken, in elk geval tot 02:45 uur. Ongeveer een uur na de aanslag, toen kennelijk de kust voldoende veilig was om weg te kunnen rijden, heeft de verdachte [naam 3] afgezet bij tankstation Minli in Landgraaf.
De conclusie van de rechtbank luidt dan ook dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met anderen de aanslag op de auto van [naam 2] heeft voorbereid en uitgevoerd. De verdachte wist dat [naam 3] bereid was het voornemen uit te voeren, hij was betrokken bij de keuze voor de Cobra, bleef ter plaatse en filmde de actie, teneinde het filmpje vervolgens in een groepschat te kunnen delen en zette tot slot na afloop [naam 3] af bij Minli. De bijdrage van de verdachte is daarom zo wezenlijk dat die hem, juridisch beoordeeld, tot medepleger van dit feit maakt. Daaraan doet niet af dat hij niet degene was die de Cobra aanstak.
Feit 5
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij aanwezig was toen op 16 december 2023 de auto van de vader van [medeverdachte 2] werd beschadigd. Op een door verdachte gemaakt filmpje is te zien dat hij olie over de auto goot, terwijl iemand anders, naar later blijkt [naam 5] , tegen de spiegel van de auto trapte en probeerde die spiegel eraf te trekken.
Ook ten aanzien van dit feit is het verweer gevoerd dat de verdachte zelf geen strafbaar feit heeft gepleegd, omdat volgens de raadsvrouw het gieten van olie over een auto niet zonder meer een vernieling oplevert van die auto en verdachte niet verantwoordelijk mag worden gehouden voor wat [naam 5] deed.
De rechtbank ziet dat anders. De verdachte is naar eigen zeggen naar de auto van de vader van [medeverdachte 2] gegaan, om [medeverdachte 2] betaald te zetten voor het gooien van meel over de auto van de verdachte. Vervolgens hebben de verdachte en [naam 5] samen de auto belaagd, de een door olie over de auto te gieten, de ander door tegen de spiegel te trappen. Dat is een gezamenlijke uitvoering.
Het overgieten met olie levert op zichzelf bovendien al het misdrijf op van artikel 350 Sr Pro. Dat artikel beschermt het belang van degene aan wie de auto toebehoort bij het ongestoorde gebruik van zijn auto. Niet vereist is dat de auto door de olie was aangetast, in de zin dat schade ontstond. Ook is niet relevant of de olie wel of niet gemakkelijk weer te verwijderen was, zoals nog is aangevoerd door de raadsvrouw. De verdachte moet hebben geweten dat hij de auto - in elk geval tijdelijk - onbruikbaar maakte.
Niet vereist is verder dat komt vast te staan dat de verdachte wist wat precies de gedraging van [naam 5] zou zijn. De verdachte is daarvoor gelet op de nauwe en bewuste samenwerking net zo goed verantwoordelijk. Er is daarom sprake van medeplegen. Overigens: het was de verdachte die dit alles ook nog eens filmde, bewijs te meer van het geheel gezamenlijk willen optrekken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1 primair
op 24 januari 2024 te Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 7] opzettelijk van het leven te beroven, een zwaar stenen voorwerp vanaf een fietsbrug op de Euregioweg naar beneden heeft gegooid en/of heeft laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
en
op 24 januari 2024 te Landgraaf tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, een stoeptegel vanaf een fietsbrug op de
Euregioweg naar beneden heeft gegooid, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze stoeptegel op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittende terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
in de periode van 23 januari 2024 tot en met 24 januari 2024 te Landgraaf
openlijk, te weten aan de Hompertsweg en/of Euregioweg meermalen in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto door:
- een stoeptegel en een zwaar stenen voorwerp op een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto te gooien;
Feit 4
op 17 februari 2024 in de gemeente Kerkrade tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur in aanraking te brengen met een Cobra vuurwerk en op de motorkap van een personenvoertuig (Peugeot 106 gekentekend [kenteken 1] ) te plaatsen, ten gevolge waarvan die auto is beschadigd en terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten aangrenzende auto's, te duchten was;
Feit 5
op 16 december 2023 in de gemeente Landgraaf tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en wederrechtelijk een personenvoertuig (Opel Corsa Z1.2xep) dat aan
[medeverdachte 2] toebehoorde heeft beschadigd en onbruikbaar gemaakt.
De rechtbank acht niet bewezen wat meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Onder feit 1 heeft de rechtbank bij de bewezen uitvoeringshandelingen een verbeterde persoonsvorm gelezen; de verdachte is door deze verbeteringen redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
Feit 1 en feit 2
eendaadse samenloop van:
medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd
en
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd;
Feit 4
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
Feit 5
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen en onbruikbaar maken
.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De verdachte was ten tijde van de feiten 18 jaar oud. De officier van justitie is van oordeel dat op de verdachte het volwassenenstrafrecht van toepassing is. Er is geen aanleiding meer het jeugdstrafrecht toe te passen. Op basis van haar bewijsstandpunt vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 410 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Omdat de verdachte 40 dagen in voorarrest heeft doorgebracht, zal hij dan niet verder van zijn vrijheid beroofd worden. Daarnaast vordert de officier van justitie een werkstraf van 200 uren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen. Verder, wanneer de rechtbank de bewijsverweren niet volgt, zijn er diverse factoren waar rekening mee zou moeten worden gehouden, zoals het tijdsverloop en het gegeven dat de verdachte zich sinds zijn vrijlating aan alle voorwaarden heeft gehouden en een positieve persoonlijke ontwikkeling heeft doorgemaakt. Als de rechtbank kiest voor een vrijheidsstraf dan zou die niet langer moeten zijn dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast kan dan een taakstraf worden opgelegd.
Voor het opleggen van een voorwaardelijke vrijheidsstraf ziet de raadsvrouw geen aanleiding.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in groepsverband schuldig gemaakt aan ernstige delicten. Het meest in het oog springen de pogingen tot doodslag in de nachtelijke uren van
24 januari 2024; de rechtbank beschouwt deze beide feiten als serieuze pogingen anderen van het leven te beroven. Anderen, die voor de verdachte en zijn mededaders volslagen onbekenden waren, maar die de pech hadden net ter plekke te passeren toen voorwerpen van een brug gegooid werden. Iedereen had dat slachtoffer, had die slachtoffers kunnen zijn. De inzittenden van de auto’s die getroffen werden mogen van geluk spreken dat zij ongedeerd zijn gebleven. Zij zijn er zogezegd zonder kleerscheuren vanaf gekomen, maar in geestelijk opzicht is dat niet zo. Slachtoffers [slachtoffer 1] en Hameleers hebben te kampen met post-traumatische stress. De aan de auto’s toegebrachte materiële schade is, gezien die enorme gevaarzetting, in wezen bijzaak, maar vertegenwoordigt zeker een aanmerkelijk financieel belang.
De ernst van de feiten zoals bewezen onder feit 1 primair rechtvaardigt het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming. Met een andere of lichtere sanctie kan niet worden volstaan.
Dat geldt ook voor het in de nachtelijke uren plegen van een aanslag op een auto met een zwaar explosief. Inmiddels lijken jonge daders het normaal te vinden explosieven te gebruiken om wat voor conflict dan ook te beslechten. In deze zaak vermeldt het dossier alleen futiele aanleidingen voor het treffen van aangever [naam 2] .
Geweld wordt open en bloot in woonwijken toegepast. Het baart de rechtbank zorgen dat mogelijk een futiele aanleiding leidt tot het teweegbrengen van een ontploffing.
De overige feiten zouden op zich gezien wellicht niet geleid hebben tot het opleggen van een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming, maar die feiten zijn wel onderdeel van een patroon en moeten ook worden meegewogen.
De verdachte is namelijk gedurende langere tijd voortdurend in groepsverband op pad geweest om anderen ellende te bezorgen. De verdachte bagatelliseert zijn gedrag en dat van zijn vrienden tot kattenkwaad. Waar dat niet volgehouden kan worden, zoals bij het gooien van een stoeptegel op een auto of het laten ontploffen van een Cobra op de autoruit van een ander, stelt de verdachte dat hem geen blaam treft, omdat hijzelf niet degene is geweest die deze daden uitvoerde. De verdachte hield afstand en meende zo buiten schot te blijven. Na de aanslag met de Cobra bericht hij namelijk aan zijn vriendin dat iemand de voorruit van die auto van die sukkel geblazen heeft met een Cobra, maar dat hij er gewoon was en buiten medeplichtigheid valt. Inmiddels zou tot de verdachte doorgedrongen moeten zijn dat het zo niet werkt in het strafrecht.
In zijn voordeel kan de rechtbank vaststellen dat de verdachte na zijn vrijlating buiten beeld gebleven is van politie en justitie. Ter terechtzitting heeft hij ook wel spijt betuigd van zijn bijdrage aan de feiten en uit de rapportage van de reclassering komt een positief beeld naar voren van zijn ontwikkeling onder begeleiding van de jeugdreclassering. Onder de streep kan worden gezegd dat de verdachte, die ten tijde van de feiten 18 jaar was, zich onbezonnen heeft ingelaten met groepsgedrag van leeftijdgenoten, met een ernstige impact, maar waarvoor geen gevaar voor herhaling bestaat.
De rechtbank volgt daarom de reclassering in het advies - welk advies met behulp van het wegingskader adolescenten strafrecht tot stand is gekomen - dat het jeugdstrafrecht moet worden toegepast. In de persoonlijkheid van de verdachte is daartoe voldoende aanleiding.
Dat brengt met zich mee dat de vrijheidsstraf maximaal 24 maanden jeugddetentie kan bedragen. Voor de onderhavige feiten acht de rechtbank een jeugddetentie van 540 dagen een gepaste straf, niet tegenstaande het gegeven dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie.
Gelet op zijn leeftijd en mede omdat de verdachte onder de indruk is geweest van zijn voorlopige hechtenis en het moeten dragen van een enkelband, is de rechtbank het eens met de officier van justitie en de verdediging dat de verdachte niet verder van zijn vrijheid beroofd zou moeten worden. Daarbij heeft de rechtbank ook betrokken dat de redelijke termijn, waarbinnen een strafzaak van een jeugdige zou moeten worden afgerond met een uitspraak (16 maanden), met ruim een jaar is overschreden. De rechtbank zal daarom volstaan met een jeugddetentie waarvan het onvoorwaardelijk deel niet langer is dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op de ernst van de feiten is er aanleiding daarnaast een forse taakstraf op te leggen.
Alles afwegend zal aan de verdachte een jeugddetentie worden opgelegd voor de duur van 540 dagen, waarvan 499 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen van 150 uren.

7.De benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 2.493.43 euro ter zake van feit 1. De vordering betreft materiële schade (eigen risico zorgverzekering) en immateriële schade (smartengeld).
De benadeelde partij [slachtoffer 2] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.385,- euro ter zake van feit 1. De vordering betreft materiële schade (eigen risico zorgverzekering) en immateriële schade.
De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert schadevergoeding tot een bedrag van
12.483,43 euro ter zake van feit 2. Dit betreft (materiële) schade met betrekking tot een Volkswagen Golf, die door het gooien met een steen beschadigd werd. De benadeelde partij vordert de reparatiekosten en een bedrag in verband met de waardevermindering van de auto.
Deze benadeelde partijen worden bijgestaan door mr. B. Leemhuis en hebben verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Daarnaast vorderen zij een vergoeding voor gemaakte proceskosten.
De benadeelde partij [slachtoffer 4] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.482,25 euro ter zake van feit 2. Het betreft (materiële) schade aan een Suzuki Alto, waarop een steen is gegooid. De benadeelde partij heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De benadeelde [slachtoffer 5] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 3.000,- euro. De vordering betreft immateriële schade ter zake van feit 3. De benadeelde partij heeft verzocht de vordering hoofdelijk toe te wijzen, het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en verzocht aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat de vorderingen van de benadeelde partijen Hameleers, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] volledig kunnen worden toegewezen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan slechts worden toegewezen tot een bedrag van 2.263,10 euro, omdat de post eigen risico niet volledig met stukken onderbouwd is.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] kan ook slechts gedeeltelijk worden toegewezen. De verzekeraar heeft deze benadeelde partij al schadeloos gesteld door de reparatiekosten van de auto te vergoeden, zodat die schade niet ook nog in het strafproces kan worden gevorderd. Alleen de waardevermindering van de auto, een bedrag van
1.490,- euro, komt voor vergoeding in aanmerking.
De toe te wijzen bedragen moeten worden vermeerderd met de wettelijke rente. De verdachte is hoofdelijk aansprakelijk voor de schade en aan de verdachte moet tevens de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Alleen al om die reden moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw de vorderingen inhoudelijk betwist.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat er volgens de verdediging gebreken kleven aan de onderbouwing van de schade.
Gelet op de betwisting en de constatering van de rechtbank dat de vordering ter zake van het eigen risico van de zorgverzekering geen volledige onderbouwing met stukken bevat, zal de vordering voor geleden materiële schade worden toegewezen tot een bedrag van 263,19 euro en voor het meergevorderde (230,24 euro) zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade is de vordering onvoldoende door de verdediging weersproken. Uit het schrijven van de behandelend psycholoog blijkt genoegzaam dat als gevolg van de gebeurtenis op 24 januari 2024 sprake is van psychisch letsel (posttraumatisch stress-syndroom), als bedoeld in artikel 6:106, lid 1, onder b BW. Gelet op de inmiddels aanvaarde aanknopingspunten voor het toekennen van smartengeldbedragen van de Rotterdamse Schaal is het gevorderde bedrag van 2.000,- euro alleszins billijk te noemen.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor de schade.
Het toe te wijzen bedrag van 2.263,19 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van indienen van de vordering - voor zover de materiële schade na de pleegdatum is ontstaan - dan wel vanaf de pleegdatum) en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 434,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van
217,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en
1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij Hameleers
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 primair bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat er volgens de verdediging gebreken kleven aan de onderbouwing van de schade.
De rechtbank ziet die gebreken niet. Zij is van oordeel dat de gevorderde materiële schade genoegzaam is onderbouwd met de overzichten van de zorgverzekering, die in verband met psychologische zorgverlening eigen-risicobedragen heeft berekend.
Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade is de vordering onvoldoende door de verdediging weersproken. Uit het schrijven van de behandelend psycholoog blijkt genoegzaam dat er als gevolg van de gebeurtenis op 24 januari 2024 sprake is psychisch letsel (posttraumatisch stress-syndroom), als bedoeld in artikel 6:106, lid 1, onder b BW. Gelet op de inmiddels aanvaarde aanknopingspunten voor het toekennen van smartengeldbedragen van de Rotterdamse Schaal is het gevorderde bedrag van 3.000,- euro alleszins billijk te noemen.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor de schade.
Het toe te wijzen bedrag van 3.385,- euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente (vanaf de datum van indienden van de vordering - voor zover de materiële schade na de pleegdatum is ontstaan - dan wel vanaf de pleegdatum) en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 506,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van
253,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en
1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat zij vindt dat er geen grond meer is de reparatiekosten in het strafproces toe te kennen, omdat de verzekering die schade al heeft vergoed. Voorts is er geen reden een bedrag toe te kennen wegens waardevermindering van de auto, omdat een auto altijd in waarde vermindert.
De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat er geen grond is de reparatiekosten (10.993,43 euro) toe te wijzen. Uitgangspunt is dat het een benadeelde vrijstaat de benadeelde partij aansprakelijk te stellen dan wel de schade te claimen bij de verzekeraar. Nu gekozen is de schade te laten vergoeden door de verzekering, kan die schade niet ook nog in het strafproces worden gevorderd. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals namens de benadeelde partij is aangevoerd, met de verzekeraar de afspraak is gemaakt, dat de verzekeraar met terugwerkende kracht geen premieverhoging zal toepassen als de reparatiekosten worden teruggestort, nadat die door de verdachte zijn vergoed. Dit alles laat bovendien onverlet dat een verzekeraar die uitgekeerd heeft zelf vergoeding van schade kan (trachten te) verhalen op de aansprakelijke(n).
De premieverhoging (794,27 euro) vormt wel extra schade, net als de waardevermindering van de auto als gevolg van (het moeten repareren van) de schade (1.490,- euro). Dat is een andere vorm van waardevermindering dan de afschrijving die standaard wordt gehanteerd voor auto’s. Die schade zal door de verdachte en zijn mededaders moeten worden vergoed nu zij daarvoor naar burgerlijk recht aansprakelijk zijn.
Het toe te wijzen bedrag van 2.284,27 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de pleegdatum en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
Voorts zal de rechtbank een bedrag van 864,- euro toekennen aan proceskosten, begroot overeenkomstig het Liquidatietarief kanton per 1 februari 2026, waarbij een salaris van 432,- euro wordt toegekend, te vermeerderen met 2 punten (1 punt voor het indienen en 1 punt voor de behandeling ter terechtzitting).
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 van Pro het Burgerlijk Wetboek, voldoende gebleken dat deze benadeelde partij als gevolg van het onder feit 2 bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd.
De raadsvrouw heeft de vordering in zoverre betwist dat zij ervan uitgaat dat de schade mogelijk door de verzekering is vergoed. De rechtbank overweegt dat op het door de benadeelde partij ingediende schadevergoedingsformulier en de onderbouwing van de vordering nadrukkelijk is aangegeven dat de verzekering de schade niet vergoed heeft. Niet gebleken is dat dit anders moet zijn geweest. Er is dus geen aanleiding de vordering af te wijzen of niet-ontvankelijk te verklaren.
De verdachte is naar burgerlijk recht samen met zijn mededaders aansprakelijk voor deze schade.
Het toe te wijzen bedrag van 1.482,25 euro moet worden vermeerderd met de wettelijke rente en de rechtbank zal de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]
Nu aan de vordering een feitencomplex ten grondslag ligt waarvoor verdachte niet zal worden veroordeeld, gelet op de vrijspraak van feit 3, zal de rechtbank deze benadeelde niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 45, 47, 55, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141, 157, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde onder feit 3;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
  • veroordeelt de verdachte voor de hiervoor bewezenverklaarde feiten tot
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
  • wijst de vordering van
  • bepaalt dat de benadeelde partij ter zake van het meergevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk is in de vordering;
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van 2.263,19 euro, waarvan 2.000,- ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 263,19 euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 2.000,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 1 primair hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] van een bedrag van 3.385,- euro, waarvan 3.000,- euro ter zake van immateriële schade, de materiële schade ad 385,- euro te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2026 tot aan de dag van volledige voldoening en de immateriële schade ad 3.000,- euro met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • wijst de vordering ter zake van het meer of anders gevorderde af;
  • veroordeelt de verdachte tevens in
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] van een bedrag van 2.284,27 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • wijst de vordering van
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, begroot tot op heden op nihil;
  • legt aan de verdachte ter zake van feit 2 hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] van een bedrag van 1.482,25 euro (materiele schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 januari 2024 tot aan de dag van volledige voldoening;
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,
  • bepaalt dat indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;
  • bepaalt dat indien door (een van) zijn mededaders is betaald, de verdachte niet tot betaling gehouden is;
  • bepaalt dat
  • veroordeelt deze benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
Voorlopige hechtenis:
- heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.B.A. Ferwerda, voorzitter, mr. C.G.A. Wouters en mr. L.H.M. Geuns, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.P. Jansen, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 juli 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
1
hij op of omstreeks 24 januari 2024, te Landgraaf, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, telkens een steen en/of een stoeptegel, althans een zwaar stenen voorwerp vanaf een (fiets)brug op de
Euregioweg naar beneden te gooien en/of laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen en/of stoeptegel, althans het zware stenen voorwerp op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden en/of op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 januari 2024, te Landgraaf, meermalen, althans eenmaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, telkens een steen en/of een stoeptegel, althans een zwaar stenen voorwerp vanaf een (fiets)brug op de Euregioweg naar beneden te gooien en/of laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij deze steen en/of stoeptegel, althans het zware stenen voorwerp op de auto van [slachtoffer 4] met voornoemde inzittenden en/of op de door [slachtoffer 1] bestuurde auto met voornoemde inzittenden terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
2
hij in of omstreeks de periode van 23 januari 2024 tot en met 24 januari 2024, te Landgraaf
openlijk, te weten, aan de Einsteinstraat en/of Hompertsweg en/of Euregioweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, meermalen in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon en/of een goed te weten een verkeersbord en/of een Fiat Puncto en/of een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto door:
- voornoemd verkeersbord op de weg te gooien en/of
-met eieren en/of sinaasappelen en/of levensmiddelen op een Fiat Puncto te gooien en/of
- door een steen en/of een stoeptegel en/of een zwaar (stenen) voorwerp op een Volkswagen Golf en/of een Suzuki Alto te gooien;
3
hij op of omstreeks 24 november 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 5] opzettelijk van het leven te beroven,
een stuk hout in de vorm van een steen, althans een zwaar voorwerp vanaf een
voetgangersbrug naar beneden te gooien en/of te laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij dit stuk hout, althans het zware voorwerp op de door [slachtoffer 5] bestuurde auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 287 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 november 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 5] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een stuk hout in de vorm van een steen, althans een zwaar voorwerp vanaf een voetgangersbrug naar beneden te gooien en/of te laten vallen, op het (exacte) moment dat een personenvoertuig onder de brug rijdt, waarbij dit stuk hout, althans het zware voorwerp op de door [slachtoffer 5] bestuurde auto terecht is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
4
hij op of omstreeks 17 februari 2024, in de gemeente Kerkrade, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door open vuur -middels een aansteker- in aanraking te brengen met een Cobra vuurwerk althans met één of meerdere brandbare stof(fen) en op de motorkap van personenvoertuig (Peugeot 106 gekentekend [kenteken 1] ) te plaatsen, ten gevolge waarvan die auto is beschadigd, in elk geval een ontploffing en/of brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten een Peugeot 106 gekentekend [kenteken 1] en/of aangrenzende auto's te duchten was;
(art 157 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
5
hij op of omstreeks 16 december 2023, in de gemeente Landgraaf, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenvoertuig (Opel Corsa Z1.2xep) en/of spiegels van dat voertuig, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [medeverdachte 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
(art 350 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht)
BIJLAGE II: de bewijsmiddelen [1]
De voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden zijn gebaseerd op de hierna weergegeven bewijsmiddelen. Daarbij wordt ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, telkens slechts gebezigd wordt voor bewijs van het feit waarop het in het bijzonder betrekking heeft.
De verklaring van de verdachte ter terechtzittingop 10 juni 2026, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Het klopt dat ik bij Minli eieren heb gekocht om van de brug af te gooien met anderen. Ik sluit niet uit dat ik zelf ook eieren gegooid heb. Ik wist het destijds bij de politie niet zeker.
Ik kan me niet goed herinneren dat ik op 23 januari 2024 om 23:42 uur een foto van [medeverdachte 2] met een verkeersbord in de groepschat geplaatst heb. Het zou goed kunnen dat het verkeersbord dat daarop te zien is die nacht op de weg gegooid is. Ik had wel bedenkingen bij het gooien van een verkeersbord.
Het klopt dat ik op 24 januari 2024 [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] twee keer afgezet heb bij de fietsbrug bij de Hompertsweg en dat ik vervolgens met [medeverdachte 3] ben omgereden naar de andere kant van de brug.
[medeverdachte 1] verklaarde zojuist dat hij mij belde toen [medeverdachte 2] de steen opraapte. Ik was daar verbaasd over. Ik denk dat het gesprek met [medeverdachte 1] daarna dezelfde context had en dat [medeverdachte 1] zei dat [medeverdachte 2] een steen pakte. Ik weet niet waarom ik daarna toch weer een tweede keer naar dezelfde brug gereden ben en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heb afgezet. Het zou goed kunnen dat ik wist dat [medeverdachte 2] een steen in de auto had en hem met die steen heb afgezet.
Het klopt dat ik op 16 december 2023 olie gegoten heb over de auto van de vader van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] had eerder onder meer meel op mijn auto gegooid. Dus mijn gedachte was als jij dat mij flikt. Dan doe ik iets dergelijks bij jou.
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 885 e.v. inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [medeverdachte 1] :
M: Zoals gister wellicht verteld is hebben wij veel onderzoek gedaan naar dit incident. Zo hebben wij de historische verkeersgegevens van jullie telefoons opgevraagd. Daarin zagen wij dat het telefoonnummer [gsm-nummer 1] , behorende bij [verdachte] , telefonisch contact had met telefoonnummer [gsm-nummer 2] Dit is jouw telefoonnummer Het telefonisch contact was op 24 januari 2024 vanaf 00.58.47 uur tot 01.00.48 uur.
Vervolgens volgt er een tweede moment van telefonisch contact, tussen dezelfde nummers. Dit telefonisch contact was op 24 januari 2024 vanaf 01.01.02 uur tot 01.02.02 uur.
Deze tijdstippen komen overeen met de tijdstippen van het eerste incident waarbij een steen naar beneden is gegooid.
V: Waarom had jij op dat moment telefonisch contact met [verdachte] ?
A: Ik denk om te zeggen dat die naar de andere kant moest rijden en dat [medeverdachte 2] die steen wilde gooien. Dit durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar denk het wel.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [naam verbalisant 1] en [naam verbalisant 2] , p. 492, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 23 januari 2024, kregen wij de melding te gaan naar de Euregioweg, ter hoogte van de fietsbrug van de Staringstraat. Hier zou de melder, rijdend over de Euregioweg, bekogeld zijn met eieren. De melder had hierbij aangegeven dat er een verkeersbord op de weg zou liggen, waarop deze wilde uitstappen, om dit verkeersbord aan de kant te zetten.
Tijdens het uitstappen is deze melder en diens auto dan vanaf de bovenzijde van de brug door vier jongeren bekogeld.
Ter plaatse op de Euregioweg troffen wij een verkeersbord op de weg, aan de zijde van de middenberm, welke de weg met de grasstrook scheidt. Wij zagen dat het verkeersbord, een diagonaal strepend rood/wit schild was, welke bevestigd is op een stenen rechthoekig standaard, welke gebruikt wordt op een gedeelte van een weg af te zetten. Wij zagen dat dit schild plat op grond lag, met de bevestigingsstuk van het schild op de middenberm en het bord op de rijbaan. Tevens zagen wij in een cirkel van circa 1,5 meter van het bord meerdere kleine stukken van eierschalen.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 494 en 495, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [naam 1] :
Ik, verbalisant [naam verbalisant 3] , verklaar het volgende. Op vrijdag 26 januari 2024 verhoorde ik de getuige [naam 1] . De getuige verklaarde:
Op dinsdagavond, omstreeks 23.40 uur, zat ik, samen met mijn vriendin [naam 6] en een vriend genaamd [naam 7] in mijn auto, een Fiat Punto, voorzien van het kenteken [kenteken 2] . Ik was bestuurder. Wij reden op dat moment op de Euregioweg te Landgraaf/Heerlen. Wij kwamen vanaf de rotonde met de Einsteinstraat in Landgraaf
en reden in de richting van de Heerlerbaan. Ik zag achter de gele brug een verkeersbord liggen. Het betrof een verkeersbord van wegwerkzaamheden. Deze lag midden op de weg.
Op het moment dat ik onder de brug doorreed hoorde ik minimaal twee tikken. Ik hoorde dat het geluid echt van de auto vandaan kwam. We zagen dat er op dat moment iets op de voorruit van de auto kapot spatte. Op dat moment zag ik ook de schaal van eieren.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 4] , p. 429 e.v. en in het bijzonder p. 472 t/m 474, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 21 maart 2024, onderzocht ik, [naam verbalisant 4] , het verkregen extractierapport van de inbeslaggenomen mobiele telefoon van de verdachte [medeverdachte 3] . In de extractie wordt de tijd weergegeven in Coordinated Universal Tim (UTC). Daar weer men leest “UTC + 0” betreft de daadwerkelijke tijd in UTC. Nederland valt tijdens de winter in tijdzone “UTC + 1”. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd toen de wintertijd in Nederland actief was. Er moet daarom bij de UTC + 0 tijd één uur bijgeteld worden.
Ik trof in het toestel een groepschat aan, dat ook werd aangetroffen in de onderzoeken van de onder medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] inbeslaggenomen mobiele telefoons. In het onderzochte toestel werd berichtenverkeer aangetroffen via Snapchat tussen de gebruikers:
[gebruikersnaam 1] , [gebruikersnaam 2] [medeverdachte 3] (owner), [gebruikersnaam 3] , [gebruikersnaam 4] , [gebruikersnaam 5] , [gebruikersnaam 6] . Gerelateerd onder het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-159 werden de gebruikers van deze accounts geïdentificeerd als zijnde:
[naam 8] , [medeverdachte 3] , [naam 9] , [verdachte] .
Gerelateerd onder het proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-166, werd de gebruiker van het account [gebruikersnaam 3] geïdentificeerd als de verdachte [medeverdachte 2] .
Op 23 januari 2024, om 21:56:50 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 22:56:50 uur) plaatst [medeverdachte 2] onderstaande afbeelding in de groepschat.
Afbeelding
Op de afbeelding herkende ik [medeverdachte 2] .
Op 23 januari 2024, om 22:20:39 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 23:20:39 uur) plaatst [verdachte] onderstaand videobestand in de groepschat. Ik opende het videobestand. Ik zag dat de filmer zich kennelijk op een brug bevond. Ik zag dat er een personenauto werd gefilmd, die de brug naderde over de onder de brug doorgaande weg. Op het moment dat de personenauto bijna onder de brug doorreed, hoorde ik een klap en werd er door meerdere personen gelachen. Buiten de filmer bevonden zich nog twee personen op de brug. Ik hoorde dat er door een persoon werd gezegd: “Puur geluk”.
Op 23 januari 2-24, om 22:42:23 (UTC + 0) (daadwerkelijke tijd 23:42:23 uur) plaatst [verdachte] onderstaande afbeelding in de groepschat:
Afbeelding
Het proces-verbaal aangifte, met fotobijlage, p. 502 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van aangeefster [slachtoffer 4] :
Ik wens aangifte te doen van poging doodslag, dan wel poging zware mishandeling en vernieling van mijn personenauto, merk Suzuki, type Alto. Op 24 januari 2024, tussen 01.05 uur en 01.10 uur reed ik samen met [slachtoffer 7] en [slachtoffer 6] op de Euregioweg te Landgraaf. Ik trad op dat moment op als bestuurster.
Ter hoogte van de Euregioweg, hectometer 5.3 rechts, reed ik onder een voetgangers fietsbrug door. Op dat moment hoorde ik een keiharde knal op het dak van mij auto. Ik had direct door dat er iets vanaf deze voetgangersbrug op mijn auto was gegooid. Ik ben
niet gelijk gestopt, omdat ik op een 70 km/u weg reed op dat moment. Ik ben doorgereden naar een woonwijk om daar mijn auto te bekijken op schade. Toen ik vervolgens mijn auto had geparkeerd ben ik uitgestapt en zag ik directenorme schade op het dak aan de achterzijde van mijn auto. Gezien deze schade moet het haast wel dat er een zwaar voorwerp vanaf de brug op mijn auto is gegooid. Mijn auto is namelijk ingedeukt en bekrast. Tevens zag ik dat het derde remlicht door de klap scheef is komen te zitten en niet meer werkt.
Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 511, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de verklaring van [slachtoffer 7] :
Eenmaal gestopt zag ik schade aan het dak van de auto. Ik zag een deuk aan het einde van het dak, ik zag dat er veel gruis van een steen lag en dat de strip van de rem lamp los hing. Ook zag ik dat er flinke lakschade was. Ik zag namelijk een grote witte schaaf. Deze viel mij direct op. Het leek of dat ook was, dat de steen doorgeschoven was. Ook zag ik dat de tankdop, aan de linkerzijde van de auto, open was gesprongen. Ik denk dat dit van de klap is geweest.
Het proces-verbaal aangifte, p. 525, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [slachtoffer 1] :
Ik wens aangifte te doen ter zake poging doodslag als dan niet poging zware mishandeling. Ik trad vandaag, 24-01-2024, omstreeks 01.20 uur op als bestuurder van een grijze Volkswagen Golf. Ik reed over de Euregioweg 5.3r te Landgraaf in de richting van Heerlen. Naast mij zag mijn vriendin [slachtoffer 2] . Ter hoogte van de aldaar gelegen fiets/voetgangersbrug viel opeens een grote steen op de voorruit van de auto. De voorruit implodeerde en overal ligt glas in de auto. Gelukkig heb ik de auto op de weg kunnen houden en ben ik niet van de schrik tegen de muur o.i.d. aangereden. De gehele voorzijde van de auto is beschadigd.
De kennisgeving van inbeslagneming, p. 537, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Plaats: Euregioweg, Landgraaf
Datum en tijd: 24 januari 2024 te 01:36 uur
Object: Steen
Merk/type: Vierkante Straatsteen
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 540, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 20 februari 2024 was ik belast met het onderzoek naar de poging doodslag, welke gepleegd was op 24 januari 2024. Bij het tweede incident, welke plaatsvond omstreeks 01.20 uur, werd een steen inbeslaggenomen die gegooid was op een personenauto. Ik onderzocht de afmetingen en het gewicht van de steen. Ik woog de steen. De steen woog 7,866 kilogram
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 6] , p. 157 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Door het onderzoeksteam is een verdenking ontstaan richting verdachte [verdachte] , [voornamen verdachte] . Bij het onderzoeksteam zijn een drietal telefoonnummers naar voren gekomen die door genoemde verdachte gebruikt kunnen worden. Dit betreffen de telefoonnummer:
+ [nummer] .
Op 24 januari 2024 om 00:58:47 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 1] onder bereik van cellid 204-04-20713-27298337, gelegen op de Melcherstraat te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 02:01 minuten van telefoonnummer + [gsm-nummer 2] .
Om 01:01:02 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 1] onder het bereik van cellid 20404-20715-27316749, gelegen op de Moltweg te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 01:00 minuut van telefoonnummer + [gsm-nummer 2] .
Om 01:20:23 uur valt het telefoonnummer + [gsm-nummer 1] onder het bereik van cellid 20404-20713-25817887, op de Moltweg te Landgraaf. Dit betrof een inkomend gesprek voor de duur van 48 seconden van telefoonnummer + [gsm-nummer 2] .
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 3] , p. 196 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 19 februari 2024 is door mij een onderzoek ingesteld naar een mobiele telefoon. De telefoon was voorzien van het telefoonnummer + [gsm-nummer 2] . Ik zag dat het toestel voorzien was van de Apple ID [emailadres] . Ik zag diverse useraccounts met de naam [medeverdachte 1] .
Om 01.21.14 uur werd een video geupload op Snapchat. Deze video is genaamd
[naam video] .
Dit betreft een video waarbij te zien is dat een persoon, in donker gekleed met witte schoenen een vierkante steen van een brug afgooit. Ik zie dat de reling van deze brug overeenkomt met de brug alwaar op 24 januari 2024 een of meerdere stenen af werden gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 7] , p. 200 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Beelden 2 01.21.14
Ik zag dat de beelden opgenomen waren in het donker. Ik zag dat de beelden 5 seconden duurden. Ik zag dat de beelden gefilmd waren op een brug. Ik zag op de beelden een persoon bij de railing van de brug staan. Ik zag dat de persoon in het donker gekleed was en witte schoenen aan had. Ik zag dat er een auto onder de brug doorreed Ik zag dat het een auto was omdat ik de koplampen en de achterlichten van de auto zag. Ik zag dat de persoon op de brug een voorwerp met zijn rechterhand van de grond oppakte.
Ik zag dat de persoon het voorwerp met twee handen vastpakte. Ik zag dat het voorwerp grijs en vierkant was. Ik zag dat het voorwerp zo groot was als een stoeptegel. Ik zag dat de persoon het voorwerp met beide handen over de railing van de brug gooide. Ik zag dat ten tijden dat het voorwerp over de railing werd gegooid onder in beeld een auto onder de brug doorreed. Ik zag namelijk de koplampen en de achterlichten van een auto.
Ik hoorde een doffe klap op het moment dat het voorwerp naar beneden werd gegooid.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisanten [naam verbalisant 8] en [naam verbalisant 9] , p. 117 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Naar aanleiding van twee pogingen doodslag op 24 januari 2024 omstreeks 01:05 uur en 01:20 uur, werd een onderzoek ingesteld. Tijdens deze incidenten werd 2 keer een zwaar voorwerp op een passerende auto gegooid vanaf de fietsbrug, gelegen tussen de Hompertsweg en de sint Barbarastraat in de gemeente Heerlen. Rijdend over de Euregioweg werd een van voertuigen geraakt door een stoeptegel en het ander voertuig werd geraakt door een onbekend gebleven zwaar voorwerp. Naar aanleiding van bovenstaande werd een onderzoek ingesteld en werden camerabeelden in de omgeving van de plaats delict gevorderd.
Hieronder volgt de beschrijving van de gevorderde beelden, afkomstig van de [adres 2] te Landgraaf.
01:00:20 uur:
Een personenauto rijdt over de Hompertsweg in Landgraaf, komende uit de richting van de
Euregioweg te Heerlen. Deze personenauto rijdt vervolgens vanaf de Hompertsweg het doodlopende deel van de straat in, gelegen voor de huisnummers Hompertsweg [huisnummers 2] . Vanuit het doodlopende deel kunnen voetgangers en fietsers gebruik maken van de fietsbrug over de Euregioweg.
01:00:34 uur:
De personenauto verdwijnt rechts uit beeld in de richting van de fietsersbrug over de Euregioweg.
01:00:59 uur:
De personenauto verschijnt weer in beeld. Gezien het doodlopende karakter van de straat kan het niet anders dan dat het voertuig buiten beeld gekeerd is voor de fietsersbrug.
01:00:59 uur:
De personenauto gaat stil staan ter hoogte van perceel [adres 2] .
01:02:00 uur:
De verlichting van de personenauto werd gedoofd.
01:05:37 uur:
Een voertuig (lichtbundel/koplampen) nadert de rotonde over de Euregioweg, komende uit de richting van Kerkrade, rijdend in de richting van de fietsbrug. De voornoemde donkerkleurige personenauto staat nog steeds met gedoofde verlichting.
01:05:51 uur:
Twee donker geklede personen rennen vanuit de richting van de fietsbrug naar de personenauto. Beide personen staan dicht bij elkaar naast het voertuig aan de passagierszijde, waardoor in de indruk ontstaat dat beide personen door hetzelfde portier instappen. De personenauto ontsteekt de verlichting en rijdt direct weg, nadat beide personen zijn ingestapt.
01:16:30 uur:
Een donkerkleurige personenauto rijdt uit de richting van de Euregioweg over de Hompertsweg om vervolgens het doodlopende deel van de Hompertsweg in te rijden. Deze personenauto stopte ter hoogte van perceel Hompertsweg 30.
Gezien deze uiterlijke kenmerken van dit voertuig betreft dit met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hetzelfde voertuig dat even eerder die dag, tussen 01:00:20 en 01:05:51 uur werd waargenomen op deze locatie.
01:16:53 uur:
Twee donker geklede personen stappen uit de personenauto. Hierbij is op de bewegende beelden goed te zien dat beide personen uitstappen uit hetzelfde portier aan de bijrijderszijde.
Beide personen lopen in de richting van de fietsbrug en verdwijnen rechts uit beeld.
01:17:15 uur:
Het voertuig rijdt achteruit en keert op de oprit van de [adres 2] .
01:17:30 uur:
De personenauto gaat stil staan ter hoogte van perceel [adres 2] .
01:21:31 uur:
Er komen twee donker geklede personen aanrennen vanuit de richting van de fietsbrug. Beide personen rennen naar de geparkeerde personenauto. Zij gaan dicht op elkaar staan aan de rechterzijde van de personenauto. Een van de personen opent het portier van de bijrijder.
Vermoedelijke stappen beide personen in via hetzelfde portier aan de bijrijderszijde.
01:21:40 uur:
De personenauto rijdt weg, nadat beide personen zijn ingestapt.
Het proces-verbaal aangifte, proces-verbaalnummer PL2300-2024026343-2, p. 588, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de aangifte van [naam 2] :
Plaatsdelict: Eygelshovergracht Kerkrade
Pleegdatum/tijd: tussen 17 februari 2024 om 02.11 uur en 02.23 uur.
Ik doe aangifte van vernieling van mijn auto. Dit betreft een Peugeot 106 voorzien van het kenteken [kenteken 1] .
Omstreeks 02.05 uur was ik op mijn slaapkamer. Mijn slaapkamer ligt aan de straatkant. Ik wilde net gaan slapen, toen ik een enorme knal hoorde. Ik zag dat er rook van mijn auto kwam. Ik rook een vuurwerklucht rondom mijn auto. Ik zag dat de voorruit vernield was en dat de motorkap omhoog stond. Ik zag dat er een gat in de voorruit zat.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 4] , p. 610 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Naar aanleiding van de (poging) brandstichting, gepleegd op 17 februari 2024, omstreeks 02.02 uur, op de Eygelshovergracht te Kerkrade, werden de opgenomen en vastgelegde camerabeelden van de ringdeurbel van het pand Eygelsovergracht 13 te Kerkrade verkregen en veiliggesteld.
Bij datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:05:53 zag ik dat, komende vanuit de richting Sint Pieterstraat te Kerkrade een persoon in beeld verschijnen. Ik zag dat deze persoon, die ik verder NN01 zal noemen, een capuchon en gezichtsbedekking droeg.
Ik hoorde dat NN01 zei: “Er komt een auto”. Op dat moment verscheen een tweede persoon. Ik zal deze tweede persoon NN02 noemen.
Ik hoorde dat NN01 en NN02 het volgende zeiden;
NN01: “Als jij hem aansteekt, trap ik een spiegel eraf”
Bij datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:06:52, rent NN02 links in beeld en rent in de richting van de Sint Pieterstraat te Kerkrade.
Op datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:06:53, rent vermoedelijk ook NN01 links in beeld. NN01 rent over de rijbaan van de Eygelshovergracht eveneens in de richting van de Sint Pieterstraat.
Op datum- en tijdsweergave 17-02-2024 Sat 02:07:03 licht het beeld op en is een explosie hoorbaar.
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 629 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Ik bekeek de opgenomen en opgeslagen camerabeelden, welke opgenomen zijn aan de Eygelshovergracht [huisnummers 1] te Kerkrade.
In de telefoon van verdachte [medeverdachte 2] (voorzien van IMEI-nummer 352377990480135) kwam ik een chatconversatie tegen, die had plaatsgevonden via de applicatie Snapchat.
Ik zag dat de chatconversatie plaatsvond tussen de Snapchataccounts [gebruikersnaam 3] , behorende bij
verdachte [medeverdachte 2] , en [gebruikersnaam 10] (in de telefoon van [medeverdachte 2] genoemd als ' [naam 3] ’). De chatconversatie vond plaats vanaf 17 februari 2024 18:38 uur (UTC+0) tot 17 februari 2024 19:15 uur (UTC+0).
Ik zag dat de chatconversatie als volgt verliep:
[naam 3] : Hoe heet die boy van die waggel. Van gister. Die ik heb opgeblazen.
[medeverdachte 2] : [naam 2] .
[naam 3] : Dat is hem. Stuur me is dat filmpje. Dat ik die waggie opblaas.
Ik zag dat er een chatconversatie via de applicatie Whatsapp plaatsvond tussen de
telefoonnummers; ‘ [gsm-nummer 3] ’, behorende bij [medeverdachte 2] , en ‘ [gsm-nummer 4] ’, in de telefoon
van [medeverdachte 2] genoemd als ‘ [naam 3] '.
Ik zocht het telefoonnummer ‘ [gsm-nummer 4] ’ op in de politiesystemen. Ik zag dat het voornoemde telefoonnummer gekoppeld stond aan de persoon [naam 3] ( [geboortedatum] -2007).
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1068, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de verklaring van [medeverdachte 2] :
M: op beelden hebben we 2 personen gezien die naar de auto liepen. 1 van deze personen stak het explosief of vuurwerk aan en legde dit tussen de voorruit en de motorkap. Die 2 personen renden weg. Daarna vond de explosie plaats. Weet jij wie die 2 personen waren?
A: Dat waren [naam 3] en ik.
Het proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer LB2R024007-159, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 206 e.v. met bijlage 2 (Extraction Report), p. 240 e.v, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
24 januari 2024
In de telefoon van [medeverdachte 1] werden meerdere video’s aangetroffen die betrekking hadden op het incident van 24 januari 2024, waarbij stenen naar rijdende personenauto’s werden gegooid. Ik zag dat een chat had plaatsgevonden via Snapchat tussen de accounts: [gebruikersnaam 1] ( [naam 8] ), [gebruikersnaam 9] , [gebruikersnaam 4] ( [naam 9] ), [gebruikersnaam 5] , [gebruikersnaam 2] ( [medeverdachte 3] ), [gebruikersnaam 7] , [gebruikersnaam 8] . Dit laatste account bleek uit onderzoek eigendom te zijn van verdachte [medeverdachte 1] .
Identificatie gebruikers snapchataccounts
In de groep zitten onder andere de drie verdachten: [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] .
Tijdens het onderzoek in de telefoon van [medeverdachte 1] kwam ik, [naam verbalisant 5] , meerdere berichten, foto’s en video’s tegen die verband hielden met de vernieling van een personenauto op 17 februari 2024. Daarvan is destijds tevens aangifte van gedaan (2024026343). Hieronder volgt een chronologische uiteenzetting van de aangetroffen data.
00:12:46 uur (UTC+0)
Ik zag dat het account ‘ [gebruikersnaam 5] ’stuurde:
“Heb nu ineens [naam 10] en [naam 3] in de auto”
“ [naam 10] [naam 3] [naam 8] [naam 9] ”
00:13:38 uur (UTC+0)
Ik zag dat het account ‘ [gebruikersnaam 9] ’ een foto stuurde via de applicatie Snapchat. Ik
zag op de foto een hand, met daarin een vuurwerkobject. Op de achtergrond waren meerde
vuurwerkpijlen en cobra’s te zien. Een zogeheten cobra is zwaar, illegaal, vuurwerk.
Ik zag dat ‘ [gebruikersnaam 5] ’ antwoordde op deze foto:
Bewaar dje maar
Voor n andere keer
00:59:17 uur (UTC+0)
[medeverdachte 3] :
[medeverdachte 2] trapt de spiegels ook eraf
"Als zij die cobra eropleggen
01:07:25 (UTC+0)
Ik zag dat het account ‘ [gebruikersnaam 5] ’ om 01.07:25 uur (UTC+0) (werkelijke tijd: 02:07:25 uur) een video stuurde. Ik zag dat een buitenspiegel van een auto werd gefilmd, zodat er naar achteren gefilmd kon worden. Ik zag er meerdere auto’s aan de zijkant van een openbare weg geparkeerd stonden. Ik zag dat bij een van de auto’s licht te zien was en rookontwikkeling. Ik zag dat het licht feller werd. Ik zag dat het licht doofde en een rookwolk ontstond. Ik hoorde vlak hierna een harde knal.
01:11:01 (UTC+0)
[naam 8] :
Staan 3 man ofz bij die waggie
01:11:03 (UTC+0)
[verdachte] :
Jaman
01:11:05 (UTC+0)
[verdachte] :
Zijn bellen
01:11:12 (UTC+0)
[medeverdachte 3] :
Hoezo kunnen jullie dan wel weg
01:11:55 (UTC+0)
[medeverdachte 3] :
Denk dat t wel opvalt als opeens de ford van [verdachte] start
01:12:05 (UTC+0)
[medeverdachte 3] :
Die boy weet dat hij die auto heeft
01:12:09 (UTC+0)
[medeverdachte 3] :
Kan beste gw niet weg
01:12:18 (UTC+0)
[verdachte] :
Kunnen beter gwn wachten ff
01:15:04 (UTC+0)
[medeverdachte 3] :
En reed net een politiebus
01:15:11 (UTC+0)
[verdachte] :
Jaman wouten stappen uit
01:17:06 (UTC+0)
[naam 5] :
Hebben ze jullie zien zitten
01:17:20 (UTC+0)
[verdachte] :
Neuh
01:17:48 (UTC+0)
[verdachte] :
Nee we kunnen numlet wegrijden
01:21:41 (UTC+0)
[gebruikersnaam 9] :
Is veilig nu
01:22:03 (UTC+0)
[verdachte] :
Nee we zien ze
01:23:28 (UTC+0)
[verdachte] :
We zien daar lett wouten
01:33:26 (UTC+0)
[gebruikersnaam 9] :
Zijn jullie al weg?
01:33:28 (UTC+0)
[verdachte] :
Noman
01:33:32 (UTC+0)
[verdachte] :
We staan nog steeds hier
01:45:11 (UTC+0)
[naam 8] :
Draai av n jonko
01:45:24 (UTC+0)
[verdachte] :
Ja
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 4] , p. 383 e.v. en in het bijzonder p. 414 en 415, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op dinsdag 19 maart 2024, onderzocht ik, [naam verbalisant 4] , het verkregen extractierapport van de
inbeslaggenomen mobiele telefoon, Apple iPhone 12, van de verdachte [verdachte] . De simkaart die in het toestel werd aangetroffen had het navolgende telefoonnummer + [gsm-nummer 1] .
Door mij is onderzoek gedaan in genoemde telefoon. In de veiliggestelde extractie wordt de tijd weergegeven in Coordinated Universal Time (UTC). Daar waar men leest "UTC +0” betreft de daadwerkelijke tijd in UTC. Nederland valt tijdens de wintertijd in tijdzone “UTC +1". Nederland valt tijdens de zomertijd in tijdzone “UTC +2”. De vermeende strafbare feiten zijn gepleegd toen de wintertijd in Nederland actief was. Er moet daarom bij de UTC+0 tijd één uur bijgeteld worden.
Er werd berichtenverkeer in een chatgroep via de applicatie Snapchat aangetroffen. In de betreffende chatgroep namen de volgende accounts deel:
[gebruikersnaam 4] ;
[naam video] ;
[medeverdachte 3] ;
[gebruikersnaam 9] ;
[medeverdachte 1] ;
[naam 8] ;
[naam 5] .
In het onderzochte toestel werd berichtenverkeer aangetroffen, via de applicatie Snapchat tussen de gebruiker van het onderzochte toestel ( [verdachte] ) en de gebruiker van het account [gebruikersnaam 9] . In het onderzoek van de mobiele telefoon van de verdachte [medeverdachte 1] , gerelateerd onder proces­verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer LB2R024007-159 werd de gebruiker van het account [gebruikersnaam 9] geïdentificeerd als de verdachte [naam 4] . Op 17 februari 2024, vond er onderstaand berichtenverkeer plaats.
[verdachte] : Bewaar die shell
17-2-2024 00:14:08 (UTC+0)
[gebruikersnaam 9] : "Ja heb cobra gepakt"
17-2-2024 00:15:01 (UTC+0)
Het proces-verbaal van verdenking, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 1089 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Groepschat telefoon [medeverdachte 1]
Op 17 februari 2024, om 01.12 uur (werkelijke tijd), stuurde [verdachte] dat hij ene ‘ [naam 10] ’ en ‘ [naam 3] ' in de auto had zitten,
Vervolgens stuurde [verdachte] in de groepschat:
“Die [naam 3] doet dat 100%”
17-2-2024 00:13:31 (UTC+0)
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 638 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op dinsdag 5 maart 2024 was ik, [naam verbalisant 5] , belast met het onderzoek naar de vernieling aan een personenauto, welke gepleegd was op 17 februari 2024.Ik bekeek de opgenomen en opgeslagen camerabeelden, afkomstig van de Einstreinstraat 5 te Landgraaf, tankstation ‘Minli’.
Datum en tijd
Ik zag dat er geen datum en/of tijd op de beelden zichtbaar waren Ik zag dat in de titel van de
bestanden stond vernoemd dat de beelden van 17 februari 2024 vanaf 03.00.00 uur tot 03.59.59 uur.
Bevindingen
03.10.03 uur
Ik zag dat een donkerkleurige Ford (personenauto) in beeld kwam rijden, voorzien van kenteken [kenteken 3] . Uit eerder onderzoek is gebleken dat deze personenauto op naam staat van [verdachte] en in gebruik is bij [verdachte] .
Ik zag dat, op het moment dat de auto van [verdachte] voor de tweede keer in beeld kwam, er twee personen naar de achterzijde van de auto liepen. Ik zag dat zij iets uit de kofferbak pakte en vervolgens wegliepen.
Het proces-verbaal aangifte, p. 647, inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd, de aangifte van [medeverdachte 2] :
Feit: Vernieling van/aan auto
Plaats delict: [adres 3] , Landgraaf
Pleegdatum: Tussen 10 december 2023 om 12:00 uur en 16 december 2023 om 03:30 uur.
Hij deed aangifte namens [medeverdachte 2] .
Verklaring
“Spiegels er van af getrapt en olie over auto heen.”
Voertuig: Personenauto
Merk/type: Opel Corsa-C; Z1.2xep
Kenteken: [kenteken 4]
Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door verbalisant [naam verbalisant 5] , p. 206 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd:
Op 18 februari werd [medeverdachte 1] aangehouden. Bij zijn aanhouding werd zijn mobiele telefoon inbeslaggenomen. Op 22 februari 2024 is door mij, [naam verbalisant 5] , een onderzoek ingesteld naar een mobiele telefoon, merk Iphone, type 12, voorzien van IMEI-nummer 353034112952926.
16 december 2023 / Video’s
Ik trof in de telefoon van [medeverdachte 1] een video aan, welke vanaf 16 december 2023 om 04.08.56 uur in zijn telefoon stond. Ik zag dat degene die filmde een substantie, vermoedelijk
olijfolie/zonnebloemolie (gezien de soort fles en kleur van de substantie), over een personenauto gooide; grijskleurige Opel, voorzien van kenteken [kenteken 4] .
Vervolgens zag ik dat een ander persoon een voorwaartse trap maakte en die linkerbuitenspiegel van de personenauto kapot trapte. Ik zag dat de persoon probeerde de spiegel met beide handen van de auto af te trekken. Ik zag dat de persoon een tweede maal tegen de buitenspiegel trapte. Vervolgens renden beide personen weg.
De personenauto, voorzien van kenteken [kenteken 4] , behoorde bij [medeverdachte 2] , zijnde de
vader van [medeverdachte 2] . Op 18 december 2023 is er door [medeverdachte 2] (online) aangifte gedaan,
namens zijn vader, van vernieling aan de hierboven beschreven personenauto (2023199548).
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 1225 e.v., inhoudende voor zover tot het bewijs gebezigd de verklaring van [naam 5] :
Ik was erbij. Ik heb de spiegel er af getrapt.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Einddossier Chewbacca, proces-verbaalnummer LB2RO24007-40, gesloten d.d. 26 mei 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 1472.