ECLI:NL:RBLIM:2026:7639

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 juli 2026
Publicatiedatum
25 juli 2026
Zaaknummer
C/03/353500 / KG ZA 26-242
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Geerman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:247 BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming zorg- en vakantieregeling na geschil tussen ouders over omgangsregeling

De moeder heeft de vader in kort geding gedagvaard wegens het niet nakomen van de zorg- en vakantieregeling voor hun twee minderjarige kinderen. De ouders waren geregistreerd partners en hebben bij ontbinding een ouderschapsplan opgesteld met een zorgregeling waarbij de kinderen om het weekend bij de vader verblijven. Na verhuizing van de vader in 2023 en een periode van contactverlies, is begin 2026 het contact hersteld en een aangepaste regeling overeengekomen.

De vader heeft zich echter teruggetrokken uit de afgesproken zomervakantieregeling, waarbij hij aanvankelijk drie weken zorg zou dragen maar later slechts anderhalve week wilde opvangen. Dit leidde tot een patstelling en opnieuw contactverlies. De moeder vordert nakoming van de afspraken, waaronder het weekendcontact en de zomervakantie van 26 juli tot 16 augustus 2026.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van de kinderen voorop staat en dat de vader onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet aan de zorgregeling kan voldoen. De vader wordt veroordeeld tot nakoming van de weekendregeling en de zomervakantieregeling. Dwangsommen worden afgewezen omdat een financiële prikkel op dit moment contraproductief zou zijn. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.

Uitkomst: De vader wordt veroordeeld tot nakoming van de zorg- en vakantieregeling voor de kinderen, zonder oplegging van dwangsommen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugdC/03/353500 / KG ZA 26-242
Zaaknummer : C/03/353500 / KG ZA 26-242
Vonnis in kort geding van 17 juli 2026
in de zaak van
[de moeder],wonend in [woonplaats] ,
eiseres, hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. P. Winkens, kantoorhoudend in Hoensbroek, gemeente Heerlen;
tegen:
[de vader],wonend op een geheim adres,
gedaagde, hierna te noemen: de vader,
advocaat mr. M. van Eck, kantoorhoudend in Rotterdam.

1.Het verloop van de procedure

1.1
De moeder heeft de vader gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag,
3 juli 2026, heeft de moeder gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering ter zitting met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft toegelicht.
1.2
De vader heeft aan de hand van een op voorhand overgelegde conclusie van antwoord verweer gevoerd tegen de eis van de moeder, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.
1.3
De ouders hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.
1.4
De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1
De ouders waren geregistreerd partners. Uit het geregistreerd partnerschap zijn twee kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2020 in [geboorteplaats] en
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2022 in [geboorteplaats] .
2.2
Bij de ontbinding van het geregistreerd partnerschap zijn de ouders een ouderschapsplan overeengekomen. In dat ouderschapsplan zijn de ouders een zorgregeling overeengekomen met een opbouw, waarbij de kinderen uiteindelijk om het weekend van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader verblijven. De ouder bij wie de kinderen het laatst verbleven brengt hen naar de andere ouder wanneer er gewisseld moet worden.
2.3
De vader is in 2023 verhuisd naar de gemeente Nissewaard.
2.4
De ouders hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

3.Het geschil

3.1
Op de gronden zoals vermeld in de dagvaarding heeft de moeder gevorderd om bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
de vader te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling zoals tussen de ouders overeengekomen, inhoudende dat de kinderen om het weekend bij de vader verblijven en de vader de kinderen derhalve om het weekend op vrijdag om 19:00 uur ophaalt in [plaats] bij het bij de ouders bekende [tankstation] en de kinderen het daaropvolgende weekend (
de voorzieningenrechter begrijpt: datzelfde weekend) op zondag om 16:00 uur aldaar weer terugbrengt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat de vader in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 25.000,00;
de vader te veroordelen tot nakoming van de tussen de ouders gemaakte afspraken, inhoudende dat de kinderen van 26 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026 bij de vader verblijven en de vader de kinderen derhalve op 26 juli 2026 om 16:00 uur ophaalt in [plaats] bij het bij de ouders bekende [tankstation] en de kinderen op 16 augustus 2026 om 16:00 aldaar weer terugbrengt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag dat de vader in gebreke blijft aan de inhoud van het vonnis te voldoen, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van
€ 25.000,00;
3. de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure, althans een dusdanige beslissing te nemen als het de voorzieningenrechter zal vermenen te behoren.
3.2
Op de door de ouders betrokken stellingen zal de voorzieningenrechter hierna, voor zover nodig, ingaan.

4.De beoordeling

4.1
Op het geschil tussen de ouders is artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing. Geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag kunnen aan de rechtbank worden voorgelegd. Indien sprake is van spoedeisend belang kunnen in kort geding daarover ordemaatregelen worden gevorderd. Het spoedeisend belang van de vorderingen van de moeder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter gelegen in de aard van de vorderingen en is bovendien niet betwist, zodat de voorzieningenrechter toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. De voorzieningenrechter neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De weekendregeling en de zomervakantie 2026
4.2
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het volgende vast. Na de verhuizing van de vader in 2023 hebben de kinderen door allerlei redenen – vanuit beide ouders – geleidelijk aan het contact met de vader verloren. Begin 2026 is het contact hersteld en zijn de ouders een aangepaste zorgregeling overeengekomen, zodat de kinderen weer fysiek contact kunnen hebben met de vader. Vanwege de reisafstand zijn de ouders overeengekomen dat de overdracht van de kinderen halverwege plaatsvindt, waarbij beide ouders dus zorgen voor vervoer. Sinds april 2026 zijn de kinderen weer bij de vader geweest in de weekenden. De ouders hebben gesproken over de zomervakantie. In eerste instantie zijn zij, in lijn met het ouderschapsplan, overeengekomen dat iedere ouder drie weken voor zijn/haar rekening neemt. Vanwege de bouwvak van de vader zijn zij, afwijkend van het ouderschapsplan, overeengekomen dat de vader de kinderen bij zich zou hebben van 26 juli tot en met 16 augustus 2026. Daar is de vader op teruggekomen en heeft aangegeven dat hij de kinderen slechts anderhalve week wil/kan opvangen. De moeder heeft nog een alternatief aangeboden, dat de vader heeft afgeslagen. De ouders hielden daarna beiden voet bij stuk en hebben er toen voor gekozen om de juridische weg te bewandelen. De vader heeft door deze onenigheid het contact met de kinderen stilgelegd. Als gevolg daarvan hebben de kinderen opnieuw het contact met de vader verloren rond begin juni 2026.
4.3
Tegen deze achtergrond zal de voorzieningenrechter het geschil beoordelen. Het belang van de kinderen komt naar het oordeel van de voorzieningenrechter bitter weinig naar voren in de stellingen van de ouders. Beide ouders zijn zich er wel van bewust dat de kinderen recht en behoefte hebben aan contact met de vader, alleen de redenen dat het uiteindelijk is misgelopen komt omdat de ouders hun eigen belang vooropstellen. De moeder wenst vast te houden aan de drie weken zomervakantie, omdat zij een vakantie heeft geboekt tijdens de periode dat de kinderen bij de vader zouden zijn. Waarom de vader ineens maar anderhalve week voor zijn rekening wil nemen, was eerst niet bekend. Naderhand stelt de vader vervoersproblemen te hebben, dat het mentaal niet goed met hem gaat en dat het huis van zijn moeder te vol is en dat hij geen financiële middelen heeft om de kinderen langdurig op te vangen. De impact op de kinderen van zijn drastische maatregel, namelijk hen niet meer gaan ophalen voor de weekenden, komt volstrekt niet aan de orde. Daar maakt de voorzieningenrechter zich zorgen over.
4.4
Over de weekendregeling heeft de vader naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij deze niet meer kan nakomen. Het stopzetten van het contact lijkt, gelet op de whatsappberichten tussen de ouders, juist voort te vloeien uit de patstelling tussen de ouders. Van vervoersproblemen werd toen geen melding gemaakt door de vader. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat de moeder bovendien een deel van het vervoer voor haar rekening neemt, terwijl zij de reisafstand niet heeft gecreëerd. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat de vader afhankelijk is van anderen om over een auto te beschikken. Tot nu toe is dat gelukt en de vader heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet meer tot de mogelijkheden behoort. Tijdens de zitting heeft de vader bovendien gesteld dat de weekendregeling nooit een probleem is geweest. Ook op de vader rust een verplichting op grond van 1:247 BW om zijn kinderen te verzorgen en op te voeden. Daartoe dient de vader zich tot het uiterste in te spannen. Als onweersproken staat ten slotte vast dat de kinderen graag naar de vader gaan, dat ze het leuk vinden om bij hem te verblijven en dat ze naar hem vragen, zeker nu het contact opnieuw is stilgevallen.
4.5
Over de zorgregeling tijdens de zomervakantie 2026 geldt het overwogene in 4.4 evenzeer. Daaraan voegt de voorzieningenrechter toe dat de vader onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn mentale problemen van dusdanige aard zijn dat hij de kinderen niet gedurende drie weken zou kunnen opvangen. In de brief van zijn werkgever die hij heeft overgelegd, blijkt zelfs dat zijn gemoedstoestand wordt beïnvloed omdat hij de kinderen het laatste anderhalf jaar nauwelijks heeft gezien ‘
als gevolg van de tegenwerking van zijn ex-partner’. Dit rijmt niet met het nu zelf stopzetten van het contact met de kinderen. De stelling van de moeder, dat er een hechte familie bij de vader is betrokken, dat het huis van de oma moederszijde wel vaker ‘vol’ is en dat verblijf bij andere familieleden voor de kinderen en haar geen probleem is, heeft de vader niet weersproken. Van alle praktische bezwaren qua verblijf die de vader heeft opgeworpen, is niet gebleken dat dit invloed heeft op het belang van de kinderen. Voor wat betreft de vakantie nodig te hebben om op te kunnen laden: dit geldt evenzeer voor de moeder, die een groter aandeel heeft in de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] (met kindeigen problematiek) en [minderjarige 2] . Ten slotte is niet gebleken dat voor de kinderen een verblijf van drie weken bij de vader te lang zou zijn.
4.6
Tegen de achtergrond geschetst in 4.2. en de verdere overwegingen is de voorzieningenrechter van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wenselijk is dat zij zo snel mogelijk weer contact hebben met de vader. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de vader de weekendregeling weer dient op te pakken en dat hij gehouden is aan de afspraak tussen de ouders over de zomervakantie 2026, namelijk dat de kinderen bij hem zullen verblijven van 26 juli tot en met 16 augustus 2026. De vader zal worden veroordeeld tot nakoming hiervan.
De dwangsommen
4.7
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan de vader dwangsommen op te leggen. Op basis van de stellingen van de ouders tijdens de zitting, is gebleken dat zij allebei – dus ook de vader – het belang ervan inzien dat de kinderen contact hebben met de vader. Ook is gebleken dat de vader zich daartoe wil inspannen. Omdat de voorzieningenrechter de vader in dit vonnis wijst op zijn verplichting om de kinderen te verzorgen en op te voeden, gaat zij ervan uit dat de vader de zorg- en vakantieregeling na deze procedure zal nakomen. Bovendien is de voorzieningenrechter van oordeel dat een financiële prikkel op dit moment meer (financiële) problemen zou opleveren voor de vader dan dat het een oplossing is voor het door de moeder geschetste probleem.
De proceskosten
4.8
In de stellingen van de moeder ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om af te wijken van het gebruikelijke om in familierechtelijke aangelegenheden de proceskosten te compenseren. De voorzieningenrechter zal dus de proceskosten wel compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1
veroordeelt de vader tot nakoming van de zorgregeling zoals tussen de ouders overeengekomen, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het weekend bij de vader verblijven en de vader de kinderen dus om het weekend op vrijdag om 19.00 uur ophaalt in [plaats] bij het bij de ouders bekende [tankstation] en de kinderen op zondag om 16:00 uur daar weer terugbrengt;
5.2
veroordeelt de vader tot nakoming van de tussen de ouders gemaakte afspraak over de zomervakantie 2026, inhoudende dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 26 juli 2026 tot en met 16 augustus 2026 bij de vader verblijven, waarbij de vader de kinderen dus op 26 juli 2026 om 16:00 uur ophaalt in [plaats] bij het bij de ouders bekende [tankstation] en de kinderen daar weer terugbrengt op 16 augustus 2026 om 16:00 uur;
5.3
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4
wijst af de meer of anders gevorderde voorzieningen;
5.5
compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Geerman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 17 juli 2026.