ECLI:NL:RBLIM:2026:7663

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
03.016769.26
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 248 SrArt. 77c SrArt. 9a SrArt. 36f SrArt. 6:106 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak met toepassing jeugdstrafrecht bij verkrachting minderjarige zonder strafoplegging

De rechtbank Limburg heeft op 27 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van verkrachting van een minderjarige tussen 12 en 16 jaar. De verdachte, toen 18 jaar oud, had seksuele handelingen verricht met een 13-jarig meisje. Hoewel de verdachte een bekennende verklaring aflegde, oordeelde de rechtbank dat het seksuele contact vrijwillig was en dat er geen sprake was van een gelijkwaardig seksueel contact tussen leeftijdsgenoten zoals bedoeld in artikel 248 lid 3 Sr Pro.

De verdediging voerde aan dat de strafuitsluitingsgrond van artikel 248 lid 3 Sr Pro van toepassing was vanwege de geringe leeftijdsverschillen en vrijwilligheid, maar dit werd verworpen vanwege het objectieve leeftijdsverschil van vijf jaar en het ontbreken van een relatie. De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe op grond van artikel 77c Sr, gezien de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een belaste jeugd en cognitief en sociaal-emotioneel beneden gemiddeld functioneren.

De rechtbank besloot de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel, mede vanwege zijn openheid na ontdekking van de werkelijke leeftijd van het slachtoffer en het advies van de reclassering. De benadeelde partij kreeg een immateriële schadevergoeding van €1.500 toegekend, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 17 mei 2025. De rest van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard en kan alleen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.

Uitkomst: Verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging, met toekenning van €1.500 immateriële schadevergoeding aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.016769.26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 27 juli 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2006,
wonende te [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. M.J.E. Kallen en mr. S.J.F. van Merm, beiden advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 13 juli 2026. De verdachte en zijn raadslieden zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
[benadeelde partij] (hierna [benadeelde partij] ) heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. Rutjens. De rechtbank heeft de vordering tot schadevergoeding behandeld.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 17 mei 2025 te Roermond een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar heeft verkracht.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank zal ten aanzien van de bewezenverklaring volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en namens hem is geen vrijspraak bepleit.
- de bekennende verklaring van de verdachte; [2]
- het proces-verbaal van aangifte; [3]
- het proces-verbaal van verhoor. [4]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
op 17 mei 2025 in de gemeente Roermond met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] 2011) een of meer seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] heeft verricht.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat de strafuitsluitingsgrond van artikel 248 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) aan de orde is. Het seksuele contact heeft vrijwillig plaatsgevonden en hoewel er in kalenderjaren een leeftijdsverschil bestaat, liggen de persoonlijkheid en belevingswereld van de verdachte en [benadeelde partij] dichterbij elkaar dan hun kalenderleeftijd.
5.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond van artikel 248 lid 3 Sr Pro toekomt. Er is sprake van een leeftijdsverschil van vijf jaar, de verdachte en [benadeelde partij] kenden elkaar net en er was geen sprake van een liefdesrelatie.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Uitleg artikel 248 lid 3 Sr Pro
In artikel 248 lid 3 Sr Pro is een strafuitsluitingsgrond opgenomen voor gelijkwaardig seksueel contact tussen leeftijdsgenoten. Of sprake is van deze strafuitsluitingsgrond is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Volgens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie kunnen hierbij onder meer de volgende factoren relevant zijn: het leeftijdsverschil tussen de betrokkenen, de mate van vrijwilligheid, of betrokkenen een (seksuele) relatie hadden en de aard van de seksuele handelingen.
Onder leeftijdsgenoten worden personen met een gering leeftijdsverschil verstaan, waarbij als uitgangspunt een leeftijdsverschil van twee jaar wordt gehanteerd. Het leeftijdsverschil tussen de verdachte en [benadeelde partij] is vijf jaar. De verdachte was ten tijde van de seksuele handelingen namelijk 18 jaar oud en [benadeelde partij] 13 jaar.
De leeftijd is bij voormeld wetsartikel geobjectiveerd. Dit betekent dat het niet relevant is of de verdachte wist of had moeten vermoeden dat hij te maken had met een 13-jarig meisje. De wetgever heeft de bescherming van kinderen tegen seksueel misbruik en het belang van kinderen om zich ongestoord seksueel te kunnen ontwikkelen vooropgesteld. Dat [benadeelde partij] ouder leek en tegenover de verdachte heeft gelogen over haar leeftijd door zich voor te doen als 16-jarige betekent dan ook niet dat er sprake is van een gering leeftijdsverschil.
Uit het reclasseringsadvies blijkt dat de verdachte zowel op cognitief als sociaal-emotioneel vlak beneden gemiddeld niveau functioneert. Dit is evenwel niet zodanig dat alsnog van een gering leeftijdsverschil kan worden gesproken. De rechtbank hecht daarbij ook waarde aan het gegeven dat de verdachte qua seksuele ontwikkeling verder was dan [benadeelde partij] . Hij had immers al een langere relatie achter de rug, waarin hij ook seks heeft gehad. [benadeelde partij] was nog maagd.
De rechtbank concludeert dan ook dat de verdachte en [benadeelde partij] niet als leeftijdsgenoten als bedoeld in artikel 248 lid 3 Sr Pro kunnen worden gezien.
Als het gaat om de vrijwilligheid bij de seksuele handelingen, dan staan de verklaringen van [benadeelde partij] en de verdachte lijnrecht tegenover elkaar. [benadeelde partij] heeft verklaard dat de seksuele handelingen tegen haar wil in hebben plaatsgevonden. Haar verklaring staat echter op verschillende onderdelen op zichzelf en is strijdig met andere verklaringen. De verklaring van de verdachte over de vrijwilligheid vindt wel steun in het dossier. De verdachte heeft verklaard dat [benadeelde partij] bij hem op schoot kwam zitten, hem kusjes in zijn nek gaf en hem heeft gepijpt. Op de vraag of zij seks wilde, antwoordde zij bevestigend. Getuige [naam 2] , de vriendin van [benadeelde partij] , heeft dit bevestigd. Zij heeft verklaard dat zij [benadeelde partij] heeft horen zeggen dat zij met de verdachte wilde neuken. Zij heeft [benadeelde partij] vervolgens nog twee keer apart genomen en gevraagd of zij wel echt seks wilde, waarop [benadeelde partij] bevestigend heeft geantwoord. Getuige [naam 2] heeft ook verklaard dat [benadeelde partij] ‘vet blij’ was toen zij en de verdachte terugkwamen. Deze omstandigheden bij elkaar genomen maken dat de rechtbank het aannemelijk acht dat [benadeelde partij] en de verdachte vrijwillig seks hebben gehad.
Van een relatie tussen de verdachte en [benadeelde partij] was geen sprake. In tegendeel. Zij hebben
elkaar pas die bewuste dag voor het eerst echt gesproken. De verdediging heeft nog betoogd dat de spanning/het seksuele contact die avond langzaam is opgebouwd, maar dat maakt het voorgaande evenwel niet anders.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat er, ondanks dat de rechtbank uitgaat van vrijwilligheid, geen sprake was van een gelijkwaardig seksueel contact tussen leeftijdsgenoten. Het beroep van de verdediging op de strafuitsluitingsgrond van artikel 248 lid 3 Sr Pro wordt dan ook verworpen.
De verdachte is strafbaar, omdat ook geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf en/of de maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel. De officier van justitie komt tot deze eis gelet op de omstandigheden in deze zaak. Zij hecht er daarbij waarde aan dat de verdachte naar de leeftijd van [benadeelde partij] heeft gevraagd, dat zowel [benadeelde partij] als anderen hebben gezegd dat zij 16 jaar was, dat de verdachte geen indicatie had om te denken dat [benadeelde partij] jonger was dan 16 jaar en dat [benadeelde partij] zelf (ook) initiatief heeft genomen. Verder acht zij van belang de berichten die [benadeelde partij] naar haar ‘fix’ heeft gestuurd, de zoekgeschiedenis van de verdachte en het gegeven dat de verdachte toen hij de dag erop hoorde dat [benadeelde partij] jonger was dan zij tegen hem had gezegd, zelf contact heeft gezocht met de politie en openheid van zaken heeft gegeven.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft, als de rechtbank niet tot een ontslag van alle rechtsvervolging komt, verzocht toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan, zoals dat juridisch wordt geduid, de verkrachting van een kind tussen de 12 en 16 jaar. De verdachte heeft op 17 mei 2025 seks gehad met [benadeelde partij] die op dat moment 13 jaar oud was. De rechtbank acht het van belang het volgende hierover op te merken. In de huidige wetgeving wordt seks met iemand tussen de 12 en 16 jaar verkrachting genoemd. Daarmee wordt in dit geval uitdrukkelijk niet bedoeld dat de verdachte [benadeelde partij] heeft gedwongen tot seksuele handelingen, zoals het woord ‘verkrachting’ in het normale spraakgebruik wel doet vermoeden. Voor dit soort zaken is de door de wetgever gekozen term wat ongelukkig. De rechtbank gaat in dit geval immers uit van vrijwilligheid van het seksuele contact. Dat neemt niet weg dat de seks niet had mogen plaatsvinden en de verdachte hiervoor strafbaar is, omdat er geen sprake was van een gelijkwaardig seksueel contact tussen leeftijdsgenoten.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft bij haar – nader te noemen – beslissing, naast de ernst van het feit, acht geslagen op het strafblad van de verdachte van 3 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met het advies van de reclassering van 7 juli 2026. Hieruit volgt dat de verdachte een zeer belaste jeugd heeft gehad en vanwege een onveilige thuissituatie al op jonge leeftijd uit huis is geplaatst. De verdachte functioneert zowel cognitief als sociaal-emotioneel op beneden gemiddeld niveau, heeft geen vaste vorm van dagbesteding en geen vaste woonplek. Praktische problemen op de verschillende leefgebieden lijken zich niet op te lossen, omdat de problematiek op psychosociaal vlak nog zo op de voorgrond staat. Het is nog niet gelukt intensieve hulpverleningstrajecten (zoals een behandelopname) vol te houden, waar een hoge mate van onmacht mee in verband lijkt te staan. Sinds een jaar wordt de verdachte begeleid door een doorstroomcoach vanuit de gemeente Roermond. Hij houdt zich hierbij aan afspraken en er is sprake van een goede werkrelatie. Het risico op recidive wordt door de reclassering als matig-laag ingeschat.
Adolescentenstrafrecht
Ten tijde van het plegen van het feit was de verdachte 18 jaar oud. Artikel 77c Sr bepaalt dat ten aanzien van een adolescent, oftewel een persoon in de leeftijdscategorie van 18 tot 23 jaar, het jeugdstrafrecht kan worden toegepast als omstandigheden gelegen in de persoon van de verdachte of omstandigheden waaronder het feit is begaan, daartoe aanleiding geven.
De reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte lijkt op beneden gemiddeld niveau te functioneren, hij schat vaker de risico’s van zijn eigen handelen niet goed in, organiseert zijn eigen gedrag niet of nauwelijks, is beïnvloedbaar en lijkt vaker impulsief te handelen. Hij is nog ontvankelijk voor sociale, emotionele en praktische ondersteuning of beïnvloeding door volwassenen en een maatregel die alleen via het jeugdstrafrecht beschikbaar is, is nog nodig.
De rechtbank kan zich verenigen met het advies en zal overeenkomstig artikel 77c Sr het jeugdstrafrecht toepassen.
De beslissing
De rechtbank is gelet op de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, waarbij van belang is dat de rechtbank uitgaat van vrijwilligheid van het seksuele contact, van oordeel dat ondanks de ernst van het bewezenverklaarde, het opleggen van een straf of maatregel geen redelijk doel (meer) dient. De verdachte is zelf naar de politie gegaan toen hij erachter kwam dat [benadeelde partij] niet 16 jaar oud was, hij heeft openheid van zaken gegeven en de verdenking heeft voor de verdachte al de nodige negatieve gevolgen gehad. De rechtbank zal de verdachte dan ook op grond van artikel 9a Sr schuldig verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.

7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

7.1
De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij vordert schadevergoeding tot een bedrag van 8.500 euro aan immateriële schade.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank erop gewezen dat de vordering kan worden gematigd.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op het bepleite ontslag van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden gematigd tot bijvoorbeeld een bedrag van 1.000 euro.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van art. 6:106 sub b BW Pro bestaat recht op vergoeding van immateriële schade als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Er zijn geen stukken overgelegd waaruit kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel. Gelet op de aard en ernst van de normschending en hetgeen de wetgever heeft beoogd met het strafbaar stellen van seks met iemand tussen de 12 en 16 jaar oud ligt het, ondanks de vrijwilligheid, voor de hand dat dit psychische schade kan aanrichten. De benadeelde partij heeft bovendien de ernst van de gevolgen voldoende onderbouwd. Bij de onderbouwing bevindt zich een stuk van de moeder van [benadeelde partij] waarin zij een gedragsverandering bij haar dochter na het strafbare feit heeft omschreven. Op basis van de onderbouwing van de immateriële schade en hetgeen namens de benadeelde partij tijdens de zitting naar voren is gebracht, zal de rechtbank een bedrag van 1.500,00 euro toewijzen. De rechtbank verklaart de benadeelde voor het overige deel niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat zij dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Het toegewezen bedrag aan schadevergoeding dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, waarbij ook hier het toegewezen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag van algehele voldoening. De rechtbank stelt het aantal dagen gijzeling op nul, zoals gebruikelijk is bij toepassing van het jeugdstrafrecht.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77c en 248 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4. is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Geen straf of maatregel
- bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde
geen straf of maatregelwordt opgelegd;
Benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel
  • wijstde vordering van de benadeelde partij
    [benadeelde partij] gedeeltelijk toeen veroordeelt de verdachte om aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van
    1.500,00 eurobestaande uit immateriële schade. Het toegewezen bedrag te vermeerderen met de
    wettelijke rentevanaf
    17 mei 2025tot aan de dag van algehele voldoening;
  • verklaart de benadeelde partij voor het overige
  • veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
  • legt aan de verdachte op de verplichting tot
  • bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt
  • de verdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M.M. Menting, voorzitter, mr. B. de Groot en mr. I.T.H.L. van de Bergh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.N.F. Roelofs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 27 juli 2026.
Buiten staat
Mr. B. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 17 mei 2025 in de gemeente Roermond met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [benadeelde partij] (geboren op [geboortedatum] 2011) een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] heeft verricht;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2025081431, gesloten d.d. 30 december 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 75.
2.De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 13 juli 2026 en het proces-verbaal van verhoor van 19 december 2025, pg. 64-75.
3.Proces-verbaal van aangifte door [naam 1] , namens [benadeelde partij] d.d. 2 juni 2025, pg. 8-15.
4.Proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij] d.d. 1 oktober 2025, pg. 18-34.