ECLI:NL:RBLIM:2026:7664

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
ROE 26/1021 en ROE 26/1022
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 AVGArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op AVG-verzoek; dwangsom opgelegd

Verzoeker diende op 3 maart 2026 een verzoek in bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Verweerder had uiterlijk 3 april 2026 moeten beslissen, maar liet dit na. Na ingebrekestelling op 4 april 2026 verstreken twee weken zonder besluit, waarna verzoeker beroep instelde.

De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 juli 2026 en verklaarde het beroep gegrond. Omdat inmiddels op het beroep was beslist, wees de rechter het verzoek om voorlopige voorziening af. De rechtbank bepaalde dat verweerder binnen twee weken na verzending van het vonnis alsnog een besluit moet nemen, zonder bijzondere omstandigheden die een langere termijn rechtvaardigen.

Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt. De reeds verbeurde dwangsom werd vastgesteld op €1.442, berekend vanaf 19 april 2026. Verweerder moet tevens het griffierecht van €200 aan verzoeker vergoeden. Het vonnis werd uitgesproken door rechter N.J.J. Derks-Voncken op 27 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, verweerder moet binnen twee weken alsnog beslissen en een dwangsom betalen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG
Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/1021 en ROE 26/1022
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , uit Brunssum, verzoeker

en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. E.H.J.A. Olthof)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op de zijn verzoek op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming van 3 maart 2026.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter beoordeelt ook de beroepsprocedure en verklaart het beroep gegrond. Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat als gevolg daarvan geen grond meer. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Hierna legt de voorzienignenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. [1]
4. Verzoeker heeft het verzoek ingediend op 3 maart 2026. Verweerder moet binnen een maand beslissen op het verzoek. [2] Dat staat in artikel 12 van Pro de van de AVG. Verweerder had dus uiterlijk op 3 april 2026 moeten beslissen. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen is inmiddels voorbij. Verzoeker heeft verweerder vervolgens op 4 april 2026 in gebreke gesteld en sindsdien zijn twee weken voorbij gegaan. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Welke beslistermijn moet aan verweerder worden opgelegd?
5. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden die het opleggen van een langere beslistermijn rechtvaardigen. Daarom bepaalt de rechtbank dat verweerder binnen uiterlijk twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit kenbaar moet maken.
Welke dwangsom wordt aan verweerder opgelegd?
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
Stelt de rechtbank de bestuurlijke dwangsom vast?
7. Verzoeker heeft verzocht om de dwangsom vast te stellen. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden. [3]
7.1.
Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit op grond van artikel 8:55c van de Awb nu alsnog. De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 19 april 2026. Omdat meer dan 42 dagen zijn verstreken na deze dag, stelt de rechtbank de verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat verzoeker gelijk krijgt, verweerder de onder 5 genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan verweerder de onder 6 genoemde dwangsom wordt opgelegd. De rechtbank stelt ook de door verweerder al verschuldigde bestuurlijke dwangsom vast zoals onder 7.1 berekend.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan verzoeker een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- stelt de door verweerder te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.J.J. Derks-Voncken, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026. .
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 27 juli 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
2.Dit staat in artikel artikel 12 van Pro de van de AVG
3.Dit staat in artikel 4:17 en Pro 4:18, eerste lid, van de Awb.